Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
beschikking van 13 augustus 2019
B.V. Uitgeversmaatschappij Eilandennieuws,
[geïntimeerde] ,
Het geding
De feiten en de procedure in eerste aanleg
in de hoofdzaak en in het incident
(…) Naar ons oordeel is in voldoende mate aannemelijk gemaakt dat er sprake is van een bedrijfseconomische noodzaak tot het ingrijpen in uw organisatie. (..) U bent namelijk voornemens om per 1 april 2018 meer freelancers te werk te stellen om zodoende meer flexibiliteit, meer expertise, een breder netwerk en meer bedrijfscontinuïteit te creëren. Dit gebeurt doordat de freelancers vanuit hun eigen netwerk actief nieuws kunnen verzamelen, zodat ook informatie kan worden gepubliceerd die anders mogelijk niet naar voren was gekomen. Voorts wordt flexibiliteit gecreëerd door meer freelancers in te zetten in de drukke perioden en minder freelancers gedurende de rustige perioden. Dat dit leidt tot een meer doelmatige bedrijfsvoering komt ons logisch voor. (…)
primair: de arbeidsovereenkomst per 1 mei 2018, althans per de vroegst mogelijke datum, te herstellen, althans EN op straffe van een dwangsom te veroordelen om deze te herstellen, met betaling van achterstallig loon inclusief vakantietoeslag met wettelijke rente en wettelijke verhoging vanaf 1 mei 2018, althans een voorziening te treffen die tot gevolg heeft dat deze betalingen vanaf 1 mei 208 aan [geïntimeerde] worden gedaan:
subsidiair: indien de dienstbetrekking niet wordt hersteld, een billijke vergoeding toe te kennen alsmede de door [geïntimeerde] berekende transitievergoeding en het aan hem nog toekomende loon over april 2018 te betalen.
“
De beschikking bepaalt dat wij het dienstverband per 1 mei 2018 moeten herstellen, onder dezelfde voorwaarden en in dezelfde functie. We zullen daaraan gehoor geven en het dienstverband wordt hierbij wat juristen dan noemen “hersteld”. Dat betekent concreet dat we het salaris vanaf 1 mei 2018 aan je uitbetalen en je vanaf die datum aanspraak hebt op de geldende arbeidsvoorwaarden.
De procedure in hoger beroep
IV de veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten van beide instanties.
De grieven richten zich, kort gezegd, tegen de overwegingen van de kantonrechter in de beschikkingen in eerste aanleg inhoudende: (grief I) dat EN ten tijde van het wijzen van de tussenbeschikking haar stelling dat zij met ‘echte zelfstandigen’ ging werken onvoldoende had onderbouwd; (grief II) dat EN is opgedragen om met stukken te onderbouwen dat zij met ‘echte zelfstandigen’ ging werken; en (grief III) dat EN onvoldoende gebruik heeft gemaakt van de haar geboden mogelijkheid om het werken met ‘echte zelfstandigen’ te onderbouwen, waarbij de kantonrechter in zijn eindbeschikking bovendien een nieuw inhoudelijk criterium heeft geïntroduceerd aangaande de inhoud van de krant na het vertrek van [geïntimeerde] .
Bedrijfseconomische noodzaak
het vervallen van arbeidsplaatsen als gevolg van de beëindiging van de werkzaamheden van de onderneming of het, over een toekomstige periode van ten minste 26 weken bezien, noodzakelijkerwijs vervallen van arbeidsplaatsen als gevolg van het wegens bedrijfseconomische omstandigheden treffen van maatregelen voor een doelmatige bedrijfsvoering.” Uit de Memorie van Toelichting bij de Wwz met betrekking tot het bedrijfseconomisch ontslag volgt dat: “
(..) er wel ruimte moet zijn voor de werkgever om dergelijke beslissingen te nemen. De werkgever moet zijn onderneming zo kunnen inrichten dat het voortbestaan ervan ook op langere termijn verzekerd is. Dat is niet alleen in zijn eigen belang maar ook in het belang van het behoud van werkgelegenheid in meer algemene zin. Bij de toetsing van die beslissing past dan ook een zekere mate van terughoudendheid (zoals nu ook het geval is)” (Kamerstukken II 2013/14, 33838, nr. 3, p.43). In de Memorie van Toelichting wordt verder tot uitgangspunt genomen dat de rechter het ontbindingsverzoek aan dezelfde criteria toetst als het UWV (Kamerstukken II 2013/2014, 33818, nr. 3, p. 31).
Artikel 5 Uitbesteden Pro werkzaamhedenEr bestaat geen redelijke grond voor opzegging van de arbeidsovereenkomst wegens bedrijfseconomische omstandigheden, voor zover arbeidsplaatsen vervallen doordat de werkgever werkzaamheden uitsluitend uitbesteedt om werknemers met een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd te vervangen door personen die niet werkzaam zijn op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd of de werkzaamheden tegen een lagere vergoeding verrichten.
EN zet uiteen de wens te hebben ‘meer nieuws uit het oostelijk deel van het verspreidingsgebied te brengen, meer nieuws en thema-artikelen te schrijven voor de abonneekrant en een grotere focus op zakelijk en sportief nieuws’ te leggen. EN voert daarnaast aan ‘over een groter deel van de samenleving te willen schrijven’ en dat zij zich zowel ‘inhoudelijk als geografisch op andere aandachtsgebieden wil richten.’ Voor het bereiken van dit doel heeft EN een grotere diversiteit aan redacteuren nodig, die flexibel inzetbaar zijn op de momenten die aansluiten bij de behoeften van de krant. Dit is een wezenlijk andere situatie dan de situatie waarin [geïntimeerde] met name degene was die de inhoud van de krant aanleverde. In dit verband heeft EN voorts nog aangevoerd dat door te werken met meer freelancers, meer beschikbaarheid op locatie en meer ad hoc verslaglegging kan worden verzorgd, terwijl meer freelancers ook betekent dat er meer expertise en een breder netwerk wordt bereikt. Ook komt in de nieuwe situatie meer focus te liggen op het oostelijk deel van Goeree-Overflakkee.”
Vervolgens heeft de kantonrechter zich afgevraagd door wie na het vertrek van [geïntimeerde] de in de krant verschenen artikelen zijn geschreven, als ook op welke wijze EN na het vertrek van [geïntimeerde] invulling heeft gegeven aan de hiervoor beschreven strategische keuze (rov. 4.8.). Hij heeft EN in de gelegenheid gesteld dit met stukken te onderbouwen. In rov. 2.3. van de eindbeschikking heeft de kantonrechter vervolgens doorslaggevend geacht dat EN niet is ingegaan op de inhoud van de artikelen, niet duidelijk heeft gemaakt welk artikel dat eerst door [geïntimeerde] is geschreven nu door een ‘echte zelfstandige’ is geschreven en in hoeverre de krant inhoudelijk is gewijzigd.
ex tunc, dat wil zeggen naar de stand van zaken ten tijde van de beoordeling door het UWV, althans de opzegging door de werkgever, behoren te toetsen of voldaan is aan de vereisten van artikel 7:669 lid 3 sub a BW Pro en de Ontslagregeling. Steun daarvoor vindt het hof in artikel 7:682 lid 1 onder Pro a BW waarin is bepaald dat de kantonrechter de werkgever tot herstel van de arbeidsovereenkomst kan veroordelen
indien de opzegging in strijd is met artikel 7:669 lid 1 en Pro lid 3 onder a BW. Volgens artikel 7:683 lid 6 BW Pro is het toetsingskader voor het hof of de arbeidsovereenkomst door de kantonrechter ten onrechte is hersteld. Dit vergt dus ook een beoordeling van de vraag of de
opzeggingin strijd is met artikel 7:669 lid 1 en Pro 3 onder a BW. Dat de toetsing ex tunc geschiedt betekent overigens niet dat in het geheel geen rekening mag worden gehouden met de feiten en omstandigheden die zich na de opzegging hebben voorgedaan. Latere omstandigheden kunnen een aanwijzing zijn voor wat op het beoordelingsmoment kon worden verwacht. Als bijvoorbeeld zou blijken dat EN in de praktijk in het geheel niet met ‘echte zelfstandigen’ is gaan werken, zou immers de conclusie kunnen worden getrokken dat in het kader van de ontslagaanvraag onjuiste informatie is verstrekt. Alsdan doet zich de situatie voor dat het voornemen van EN geen daadwerkelijk voornemen was.
Slotsom in de hoofdzaak en het incident
Beslissing
opnieuw rechtdoende:
- bepaalt dat de (herstelde) arbeidsovereenkomst tussen EN en [geïntimeerde] op 1 september 2019 eindigt;
- veroordeelt EN tot betaling van een transitievergoeding aan [geïntimeerde] , berekend overeenkomstig de rechtsoverwegingen 19 en 20;
- veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het geding in eerste aanleg, aan de zijde van EN tot heden begroot op € 750,- aan salaris advocaat;
- veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van EN tot heden begroot op € 741,- aan griffierecht en (2 punten x € 1,074,- (tarief II) =) € 2.148,- aan salaris advocaat;
- wijst het verzoek af;
- veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het incident, aan de zijde van EN tot op heden begroot op € 480,- aan salaris advocaat;
in de hoofdzaak en in het incident
- verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
- wijst af het meer of anders verzochte.