Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
arrest van 16 juli 2019
[appellante] ,
De gezamenlijke appartementseigenaars van [naam perceel] ,
Het geding
Beoordeling van het hoger beroep
(...)
)”
Uit nader onderzoek is gebleken dat aan voormelde akte van vestiging[de leveringsakte, toevoeging hof]
de daadwerkelijke en vermelde tekening, in tegenstelling tot het beweerde in de akte, feitelijk niet is gehecht. Evenmin is de tekening in het Kadaster ingeschreven.
Uw stelling dat “er geen erfdienstbaarheid tot stand is gekomen” is mijns inziens
Grief Iis gericht tegen rechtsoverwegingen 4.3 tot en met 4.7 van het vonnis, waarin de rechtbank heeft overwogen dat de erfdienstbaarheid bij gebreke van inschrijving van de tekening in de registers onvoldoende openbaar is gemaakt en dus niet rechtsgeldig is gevestigd. [appellante] stelt dat de leveringsakte voldoet aan de wettelijke vereisten, nu uit de akte duidelijk blijkt welke erfdienstbaarheid wordt gevestigd (een erfdienstbaarheid van weg) en welk perceel het dienende erf en welk perceel het heersende erf is. De tekening is volgens [appellante] alleen van belang voor de vraag langs welke tracé de erfdienstbaarheid dient te worden uitgeoefend. Met
grief IIkomt [appellante] op tegen rechtsoverwegingen 4.10 tot en met 4.12 van het vonnis, waarin de rechtbank heeft overwogen dat er geen grond is voor aanwijzing van een noodweg. Volgens [appellante] staan hoogteverschillen en bebouwing in de weg aan normale toegankelijkheid van percelen [nr. 5] , [nr. 6] en [nr. 7] via haar perceel [nr. 1] . Omdat percelen [nr. 5] , [nr. 6] en [nr. 7] aanvankelijk een geheel hebben gevormd met het perceel van de appartementseigenaars, komt het perceel van de appartementseigenaars op grond van artikel 5:57, derde lid BW als eerste in aanmerking voor de aanwijzing van een noodweg, aldus [appellante] . Verder heeft [appellante] nog twee grieven aangevoerd (beide genummerd:
grief IV) die zijn gericht tegen de afwijzing van de vorderingen, waaronder die tot betaling van buitengerechtelijke kosten, en tegen de veroordeling in de proceskosten.
(…) een last, waarmede een onroerende zaak - het dienende erf - ten behoeve van een andere onroerende zaak - het heersende erf - is bezwaard”. Volgens artikel 5:73, eerste lid BW worden de inhoud van de erfdienstbaarheid en de wijze van uitoefening bepaald door de akte van vestiging en, voor zover in die akte regelen daaromtrent ontbreken, door de plaatselijke gewoonte. Bij de uitleg van de akte komt het aan op de in de akte tot uitdrukking gebrachte partijbedoeling, die moet worden afgeleid uit de in de akte opgenomen omschrijving, uitgelegd naar objectieve maatstaven in het licht van de gehele inhoud van de akte (Hoge Raad 8 december 2001, ECLI:NL:HR:2000:AA8901). Artikel 24, vierde lid van de Kadasterwet bepaalt dat als een in te schrijven akte een overdracht onder voorbehoud van een beperkt recht betreft, de vestiging van dit recht afzonderlijk en duidelijk moet worden vermeld, bij gebreke waarvan de inschrijving van de akte geacht wordt niet mede dit recht te betreffen.
de erfdienstbaarheid van weg om te voet, met al dan niet gemotoriseerde voertuigen te komen en te gaan naar het heersend erf(…)”, en dat de tekening het tracé aangeeft waarover de erfdienstbaarheid moet worden uitgeoefend. Zonder de tekening staat niet vast over welk tracé de erfdienstbaarheid moet worden uitgeoefend. De erfdienstbaarheid als zodanig dankt haar bestaan echter niet aan die tekening, maar aan de hiervoor aangehaalde omschrijving in de leveringsakte. Dit betekent dat ook het beroep van de appartementseigenaars op artikel 24, vierde lid Kadasterwet, waarin staat dat de vestiging van het beperkte recht duidelijk moet zijn vermeld, faalt. De vestiging van de erfdienstbaarheid is in de leveringsakte duidelijk vermeld, slechts de wijze van uitoefening is - bij gebreke van inschrijving van de tekening - niet duidelijk.
te komen en te gaan naar het heersend erf” bedoeld is om te komen en te gaan van de openbare weg naar perceel [nr. 6] en omgekeerd. Dat laatste is door de appartementseigenaars als zodanig ook niet bestreden.
met al dan niet gemotoriseerde voertuigen” niet anders kan worden uitgelegd dan dat ook ín zulke voertuigen de erfdienstbaarheid kan worden uitgeoefend. Naar het oordeel van het hof ligt de uitleg van [appellante] meer voor de hand. Voor die uitleg pleit dat als het de bedoeling van partijen bij de leveringsakte was geweest dat de erfdienstbaarheid uitsluitend te voet zou kunnen worden uitgeoefend, de woorden “
met al dan niet gemotoriseerde voertuigen” dan waarschijnlijk niet zouden zijn toegevoegd. Zulke voertuigen zouden dan uitsluitend aan de hand meegenomen kunnen worden. Lang niet alle gemotoriseerde voertuigen kunnen echter aan de hand meegenomen worden, en voor zover dat wel mogelijk is, leidt het meenemen aan de hand van zulke voertuigen niet tot een wezenlijke verzwaring van de last voor de eigenaar van het dienende erf. De toevoeging “
met al dan niet gemotoriseerde voertuigen” heeft uitsluitend een relevante betekenis als daaronder wordt verstaan dat de erfdienstbaarheid behalve te voet ook ín zulke voertuigen kan worden uitgeoefend. Voor die uitleg pleit verder het gebruik van het woord “
weg”, in de omschrijving van de erfdienstbaarheid (“
erfdienstbaarheid van weg”), en in de bepaling ten aanzien van de verdeling van “
de kosten van het onderhoud aan en vernieuwing van de weg”. Voor de uitoefening van de erfdienstbaarheid te voet is een weg niet nodig; voor de uitoefening met gemotoriseerde voertuigen wel.
de kosten van het onderhoud aan en vernieuwing van de weg”. Deze verdeling heeft geen betrekking op de aanleg van de weg. Het hof volgt niet de stelling van [appellante] dat een afspraak over de verdeling van de kosten van vernieuwing van de weg impliceert dat ook de kosten van de aanleg van de weg in de overeengekomen verhouding moeten worden gedragen. De tussen partijen overeengekomen kostenverdeling heeft betrekking op de kosten van de weg nadat deze eenmaal is aangelegd. Daarna moet de weg worden onderhouden en op termijn mogelijk worden vernieuwd. Over de kosten van de aanleg van de weg is niets afgesproken. Daarvoor geldt dus de wettelijke regeling van artikel 5:75 BW Pro, op grond waarvan de eigenaar van het heersende erf bevoegd is op zijn kosten te verrichten wat voor de uitoefening van de erfdienstbaarheid noodzakelijk is. In het onderhavige geval houdt dit in dat de kosten van de aanleg van de weg voor rekening van [appellante] komen.