Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Uitspraak van 15 januari 2019
[X] , te [Z] , belanghebbende,
de directeur gemeentebelastingen Rotterdam, de heffingsambtenaar,
Procesverloop
Vaststaande feiten
Omschrijving geschil in hoger beroep en conclusies van partijen
Oordeel van de Rechtbank
De rechtbank stelt vast dat [belanghebbende] pas in beroep de factuur van 20 juli 2017 van de verhuurmaatschappij [F] heeft overgelegd, zodat [de heffingsambtenaar] bij de beoordeling van de ontvankelijkheid van het bezwaarschrift daarmee geen rekening kon houden.
Daarnaast heeft [de heffingsambtenaar] naar het oordeel van de rechtbank de normale zorgvuldigheid betracht bij het vaststellen van de naheffingsaanslag. Hiertoe overweegt de rechtbank als volgt. De parkeerbelasting wordt geheven bij wege van voldoening op aangifte (artikel 8 van Pro de Verordening parkeerregulering en parkeerbelastingen 2017 van de gemeente Rotterdam). [Belanghebbende] heeft in haar aangifte een foutief kenteken vermeld. [De heffingsambtenaar] beschikte ten tijde van het opleggen van de naheffingsaanslag niet over informatie waaruit volgde dat [belanghebbende] voor het parkeren van de auto, die immers een ander kenteken heeft, parkeerbelasting had voldaan. Hij kon daarover redelijkerwijs ook niet over beschikken.
Beoordeling van het hoger beroep
Proceskosten en griffierecht
Beslissing
1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.
2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:
- de naam en het adres van de indiener;
- de dagtekening;
- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
- de gronden van het beroep in cassatie.