De zaak betreft een hoger beroep tegen een beschikking van de rechtbank Rotterdam waarin het verzoek van de moeder tot wijziging van het gezamenlijk gezag over twee minderjarige kinderen werd afgewezen. De moeder verzocht het gezag eenhoofdig aan haar toe te wijzen, omdat de vader al ruim tien jaar geen feitelijke invulling geeft aan het gezag en geen contact onderhoudt met de kinderen.
De vader stelde dat het gezamenlijk gezag gehandhaafd moest blijven, omdat hij geen belemmering vormde en wel degelijk betrokken wilde zijn. De Raad voor de Kinderbescherming adviseerde echter het eenhoofdig gezag toe te wijzen vanwege het belang van de kinderen en de gebrekkige relatie tussen vader en kinderen.
Het hof oordeelde dat er sprake is van een wijziging van omstandigheden, omdat het contact tussen vader en kinderen sinds de echtscheiding vrijwel geheel is verbroken en er geen perspectief is op verbetering. De vader is niet betrokken bij de opvoeding en heeft geen feitelijke invulling gegeven aan het gezag. Het gezamenlijk gezag kan daardoor niet effectief worden uitgeoefend.
Het hof besloot het gezamenlijk gezag te beëindigen en het eenhoofdig gezag aan de moeder toe te wijzen, met het dringende advies aan de moeder om de minderjarigen de mogelijkheid te bieden contact met de vader te onderhouden indien zij dat wensen. De beschikking van de rechtbank werd vernietigd en het vonnis is in het openbaar uitgesproken op 24 april 2019.