Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
beschikking van 14 mei 2019
DB Vertrieb GmbH,
Het geding
Beoordeling van het hoger beroep
DB heeft hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis. EETC is vervolgens bij vonnis van het Oberlandesgericht Frankfurt am Main (hierna: het OBG) van 2 februari 2016 veroordeeld tot betaling aan DB van € 500.941,09, vermeerderd met rente. Aan dat vonnis ligt het oordeel ten grondslag dat de facturen van DB aan EETC juist waren omdat zij daarbij terecht de BTW in rekening heeft gebracht. Naar aanleiding van dit vonnis is EETC op 24 mei 2016 en 23 juni 2016 door het Landgericht veroordeeld in de kosten van respectievelijk € 18.491,27 en € 13.428,-.
Naar het oordeel van het hof is in dit geval inmiddels summierlijk gebleken van een situatie zoals hiervoor onder (2) bedoeld. Daartoe wordt het volgende overwogen.
In plaats daarvan hebben [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 1] bewerkstelligd of toegelaten dat EETC in de periode 2013-2015 alle overige schuldeisers heeft betaald en daarnaast aanzienlijke bedragen, tot een totaal bedrag van € 4.312.730,60, aan [geïntimeerde 2] heeft betaald. Anders dan [geïntimeerden] bij pleidooi hebben aangevoerd, gaat het niet om betalingen tot en met januari 2014, maar zijn ook na die datum nog zeer aanzienlijke bedragen van de bankrekeningen van EETC aan [geïntimeerde 2] betaald (zie prod. 18 akte overlegging nadere producties van DB), terwijl niet is gebleken van een grondslag voor die betalingen aan [geïntimeerde 2]. Immers, naar eigen zeggen van [geïntimeerden] heeft [geïntimeerde 2] in de periode voorafgaand aan 2013 die bedragen aan EETC geleend in verband met verliescompensatie. Van betalingen van [geïntimeerde 2] aan EETC, ter zake van een door [geïntimeerden] gestelde overeenkomst van geldlening en uit dien hoofde bestaande terugbetalingsplicht van EETC, op grond waarvan EETC de betalingen aan [geïntimeerde 2] in de periode 2013-2015 heeft verricht, is niet gebleken.
Het hof is van oordeel dat DB voldoende onderbouwd heeft gesteld dat de vrees is gerechtvaardigd dat [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] zaken, meer in het bijzonder onroerende zaken, onder meer in het kader van een boedelscheiding, aan het vermogen en daarmee voor verhaal zullen onttrekken en zonder dat daaruit de vordering van DB zal worden voldaan. Daarnaast acht het hof de verzochte beslagen, mede gelet op de omvang van de vordering van DB, niet dermate omvangrijk dat een afweging van de betrokken belangen zou moeten leiden tot afwijzing van het gevraagde verlof dan wel een beperking in het aantal beslagobjecten. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat eerst na het verkrijgen van een executoriale titel door DB blijkt wat de beslagen werkelijk waard zijn geweest. [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] hebben ten slotte ook geen bijzondere belangen aan hun kant naar voren gebracht die zwaarder dienen te wegen dan het belang van DB om zekerheid te verkrijgen tot voldoening van haar vordering.