ECLI:NL:GHDHA:2018:2365
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Toepassing hardheidsclausule in schuldsaneringsregeling bij schuldenlast en beschermingsbewind
Appellante heeft bij de rechtbank Rotterdam verzocht om toegelaten te worden tot de schuldsaneringsregeling vanwege een totale schuldenlast van €79.104,64. De rechtbank wees dit verzoek af omdat onvoldoende aannemelijk was dat zij te goeder trouw was geweest bij het ontstaan en onbetaald laten van haar schulden in de vijf jaar voorafgaand aan het verzoek. De schulden betroffen onder meer bedragen aan het CJIB, de gemeente Rotterdam en de Belastingdienst, waarvan het hof oordeelde dat appellante onvoldoende zorg had gedragen voor juiste en volledige informatieverstrekking.
In hoger beroep heeft appellante een beroep gedaan op de hardheidsclausule van artikel 288 lid 3 Fw Pro, stellende dat zij sinds 26 oktober 2015 onder beschermingsbewind staat en sindsdien haar financiële en persoonlijke situatie onder controle heeft. Het hof acht dit voldoende aannemelijk en concludeert dat appellante zich zal inspannen om aan haar verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling te voldoen.
Het hof vernietigt het vonnis van de rechtbank en verklaart de schuldsaneringsregeling van toepassing op appellante. De zaak wordt verwezen naar de rechtbank voor uitvoering van de regeling. Een nadere beoordeling van overige aangevoerde argumenten is achterwege gelaten omdat het beroep op de hardheidsclausule slaagt.
Uitkomst: Het hof vernietigt het vonnis van de rechtbank en verklaart de schuldsaneringsregeling van toepassing op appellante.