Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
1.DSW Zorgverzekeraar U.A.,
1.Stichting (Huid)Kliniek Zuid,
2. [naam 1] ,
3. [naam 2] ,
B. Metronidazol crem 2dd
15-02-2011 vaatlasert, gaat goed veel verbetering”
Grief I, waarmee DSW c.s. klaagt dat de rechtbank ten onrechte niet heeft geconcludeerd dat sprake is geweest van fraude, slaagt derhalve.
3. Ontbreekt bij fraude slechts recht op vergoeding voor de declaraties waarvan het frauduleuze karakter vaststaat?
grief II.a.
iederrecht op vergoeding uit hoofde van de overeenkomst overeen te komen, ongeacht de aard en de omvang van de fraude, dan zou het naar het oordeel van het hof in de rede hebben gelegen dat met zoveel woorden tot uitdrukking te brengen.
Grief II.afaalt derhalve.
grief II.bvan DSW c.s. betrekking.
Grief II.bslaagt in zoverre derhalve.
4. Dient de vordering tot vergoeding van de onderzoekskosten alsnog te worden toegewezen?
Grief IVvan DSW c.s. houdt in dat de rechtbank ten onrechte de vordering tot betaling van onderzoekskosten heeft afgewezen omdat daarvoor geen zelfstandige grond is gesteld. Bij memorie van grieven wijst DSW c.s. erop dat HKZ in geval van fraude op grond van het bepaalde in de overeenkomsten tussen HKZ en DSW verplicht is om de onderzoekskosten (in verband met het vaststellen van de fraude en de omvang daarvan) te vergoeden (artikel 11 overeenkomst Pro 2007, artikel 9 overeenkomst Pro 2008, art. 11 overeenkomst Pro 2009 en voor de jaren 2010-2012 artikel 13 van Pro de algemene voorwaarden). HKZ c.s. heeft dit een en ander niet gemotiveerd betwist, ook niet de omvang van de gevorderde onderzoekskosten. Nu tussen partijen vaststaat dat HKZ zich heeft schuldig gemaakt aan grootschalige fraude, komen de gevorderde onderzoekskosten dan ook voor toewijzing, althans jegens HKZ, in aanmerking.
Grief IVslaagt derhalve. Het hof merkt nog op – als van belang in verband met eventuele hoofdelijkheid van de veroordeling; vergelijk hierna,
onder 57– dat DSW c.s. bij inleidende dagvaarding, onder 75, als grondslag voor dit onderdeel van de vordering ook heeft gewezen op art. 6:96 lid Pro 2, aanhef en onder b BW. Ook op die (in de toelichting op
grief IVoverigens niet uitdrukkelijk herhaalde) grondslag komt de vordering voor toewijzing in aanmerking, nu HKZ door het plegen van opzettelijke fraude onrechtmatig jegens DSW c.s. heeft gehandeld en de onderzoekskosten zijn aan te merken als redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid.
5. Is het recht op terugvordering van in 2007 gedeclareerde bedragen verjaard?
Grief IIIhoudt in dat de rechtbank in r.o. 4.40 van het tussenvonnis ten onrechte heeft overwogen dat de vorderingen van DSW c.s. die zien op declaraties en DBC’s over 2007 zijn verjaard.
Grief IIIslaagt. DSW c.s. voert terecht aan dat het bij de vraag wanneer de verjaring van een rechtsvordering uit onverschuldigde betaling gaat lopen aankomt op het moment dat de schuldeiser daadwerkelijk met het bestaan van de vordering bekend is geworden en dat ‘bekend is geworden’ derhalve subjectief moet worden opgevat (HR 28 november 2003, ECLI:NL:HR:2003:AK3696, NJ 2004/268). Gelet op de omstandigheid dat de vordering uit onverschuldigde betaling zijn grond vindt in door HKZ c.s. gepleegde grootschalige fraude en gesteld noch gebleken is dat DSW c.s. eerder dan de dossiercontrole van 14 december 2012 met voldoende zekerheid op de hoogte was van de vordering, heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat de vorderingen van DSW c.s. met betrekking tot declaraties en DBC’s over 2007 zijn verjaard.
6. Bestaat ook aanspraak op vergoeding van het gedeelte van de reconventionele vordering dat is toegewezen?
grief V. Deze grief, waartegen HKZ slechts in algemene termen verweer voert, slaagt in die zin dat ook voor de vordering tot voldoening van nog onbetaalde declaraties moet worden geoordeeld dat 80% van het per saldo door de rechtbank toegewezen bedrag als niet verschuldigd moet worden beschouwd, dat op HKZ de bewijslast rust dat een kleiner percentage niet verschuldigd is, maar dat aan bewijslevering niet wordt toegekomen nu HKZ geen daartoe strekkend voldoende specifiek bewijsaanbod heeft gedaan, terwijl DSW c.s. nog tegenbewijs zou mogen leveren tegen het percentage, maar te kennen heeft gegeven niet tot het leveren van nader bewijs in staat te zijn.
7. In hoeverre zijn [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 3] naast HKZ (hoofdelijk) aansprakelijk?
ad a. HKZ c.s. betwist dat HKZ declaraties heeft ingediend die niet voor vergoeding in aanmerking komen. Hieraan gaat het hof evenwel voorbij, nu in deze procedure vaststaat dat HKZ in de genoemde periode grootschalige fraude heeft gepleegd met declaraties.
ad b. De omstandigheid dat [geïntimeerde 2] , naar HKZ c.s. niet heeft weersproken, als bestuurder financiën en het organisatorisch management in haar portefeuille had, brengt mee dat zij als bestuurder bijzondere verantwoordelijkheid droeg voor een correcte wijze van declareren. Uit de door [geïntimeerde 2] als getuige afgelegde verklaring blijkt dat zij nauw betrokken was bij het declareren van de DBC’s en dat zij het niet denkbaar acht dat DBC’s ‘omgekat’ zouden kunnen worden zonder dat zij dat wist.
ad c. HKZ c.s. betwist dat haar administratie niet aan de eisen voldeed en klaagt dat het verwijt van DSW c.s. op dit punt te vaag is om zich te kunnen verweren. Het hof stelt vast dat in deze procedure is komen vast te staan dat de door HKZ aangehouden patiëntendossiers in vele gevallen onvolledig waren. Daarmee werd derhalve niet voldaan aan de in artikel 36 lid 1 Wet Pro marktordening gezondheidszorg gestelde eis dat HKZ als zorgaanbieder een administratie voert waaruit de overeengekomen en geleverde prestaties blijken, alsmede wanneer en aan welke patiënt die prestaties zijn geleverd.
ad d. HKZ was op grond van art. 9 lid 1 onder Pro b Wtzi in verbinding met art. 6.1 Uitvoeringsbesluit Wtzi verplicht tot het instellen van een onafhankelijk toezichthoudend orgaan. HKZ c.s. betwist dat aan deze verplichting door HKZ niet was voldaan. Deze betwisting is evenwel onvoldoende gemotiveerd in het licht van de omstandigheid dat in het jaardocument 2010 van HKZ is vermeld dat HKZ zichzelf voor 2011 onder meer ten doel heeft gesteld een Raad van Toezicht in te stellen, terwijl in het jaardocument 2011 is vermeld dat er in 2011 geen Raad van Toezicht was en dat eind 2011 bewust niet verder werd gezocht naar een invulling van de Raad van Toezicht. Hoewel dit, zoals HKZ c.s. opmerkt, op zichzelf geen onrechtmatige daad oplevert, vormt het naar het oordeel van het hof wel een omstandigheid die erop wijst dat het bestuur onvoldoende heeft gedaan om fraude te voorkomen.
ad e. HKZ c.s. heeft betwist dat [geïntimeerde 2] heeft erkend dat de bedoelde declaraties niet hadden mogen worden ingediend. Dit staat tussen partijen dan ook niet vast.
ad f. De verstrekking van een certificaat aan [geïntimeerde 3] acht het hof niet een omstandigheid die kan bijdragen aan het oordeel dat [geïntimeerde 2] als bestuurder de fraude heeft bewerkstelligd of toegelaten. Overigens heeft [geïntimeerde 3] als getuige verklaard dat hij nooit zelf van het certificaat gebruik heeft gemaakt maar dat de boekhouder dat deed, om te declareren. Deze verklaring staat op het laatste punt op gespannen voet met de verklaring van [geïntimeerde 2] , die (als getuige) verklaard heeft dat zij degene was die, als het tijd was om te declareren, op de knop drukte om de afgesloten DBC’s te declareren.
ad g. Het hof heeft in het tussenarrest al overwogen, kort gezegd, dat HKZ onvoldoende heeft meegewerkt aan de door DSW verlangde uitbreiding van het dossieronderzoek. Als bestuurder van HKZ had [geïntimeerde 2] hierin, zoals ook naar voren komt uit de correspondentie tussen partijen over de uitbreiding van het onderzoek, een belangrijk aandeel.
ad h. De betrokkenheid van [geïntimeerde 2] bij een andere zorginstelling levert als zodanig geen relevante omstandigheid op voor de beoordeling van haar optreden als bestuurder van HKZ, ook niet als – zoals HKZ c.s. overigens niet heeft betwist – aan die andere zorginstelling door de minister een aanwijzing is gegeven in verband met het handelen in strijd met de Kwaliteitswet zorginstellingen.
ad i. Tussen partijen staat niet vast dat [geïntimeerde 3] zich heeft voorgedaan als dermatoloog. HKZ c.s. heeft onweersproken aangevoerd dat [geïntimeerde 3] in Turkije als dermatoloog is opgeleid en zich in Turkije derhalve als dermatoloog mag presenteren. Uit de door DSW c.s. bij akte producties als productie 53 overgelegde pagina’s van de website van HKZ blijkt dat HKZ Rotterdam is opgericht in november 2005 door “dermatoloog (Tr) [geïntimeerde 3] ” en [getuige 2] . Ervan uitgaande dat deze aanduiding “Tr” verwijst naar de Turkse opleiding van [geïntimeerde 3] , is het hof er niet zonder meer van overtuigd dat deze wijze van presenteren ongeoorloofd is.
grief II.b). Daarnaast is [geïntimeerde 2] verplicht om aan DSW de kosten van het fraudeonderzoek te vergoeden, nu deze kosten eveneens zijn te beschouwen als door haar onrechtmatig handelen veroorzaakte schade.
onder 34). Voor de verplichting tot vergoeding van de onverschuldigd betaalde – en gelet op de opzettelijkheid van de fraude, naar moet worden aangenomen, eveneens te kwader trouw (en derhalve onrechtmatig) in ontvangst genomen – bedragen van de declaraties dient hetzelfde te worden aangenomen. Weliswaar heeft DSW c.s. haar vordering tot vergoeding primair gebaseerd op onverschuldigde betaling, maar de hieruit op grond van art. 6:203 lid 2 BW Pro voortvloeiende verplichting tot ‘teruggave van een gelijk bedrag’ is in dit geval, althans voor de toepassing van de regels omtrent hoofdelijkheid, gelijk te stellen met een verplichting tot vergoeding van door de opzettelijke fraude onrechtmatig veroorzaakte schade. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat DSW c.s. haar vorderingen tegen HKZ subsidiair heeft gebaseerd op toerekenbare tekortkoming en meer subsidiair op onrechtmatige daad en dat de vorderingen, in dezelfde omvang, in elk geval ook op die subsidiaire grond toewijsbaar zijn, zodat de hoofdelijkheid ook uit art. 6:102 BW Pro voortvloeit.
grief II.b). Daarnaast is [geïntimeerde 3] verplicht om aan DSW de kosten van het fraudeonderzoek te vergoeden, nu deze kosten eveneens zijn te beschouwen als door zijn onrechtmatig handelen veroorzaakte schade.
onder 57vermeld, hoofdelijk veroordelen.
grief VIvan DSW c.s., dat DSW c.s. in eerste aanleg ten onrechte zijn veroordeeld in de proceskosten.