Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Beschikking van 5 juni 2018
1. [appellant 1] ,
2. [appellant 2] ,
3. [appellant 3] ,
Gemeente Leiden,
De procedure
Beoordeling van het verzoek
(“ Ik heb toen gezegd dat als die overeenkomst niet getekend zou worden, ik mij als bestuurder niet langer wilde inspannen om extra service te bieden en dat alles via de normale vergunningprocedure zou lopen”en
“Ik heb gezegd dat als de vaststellingsovereenkomst niet getekend zou worden, dat betekende dat ik mij niet langer als bestuurder richting mijn collega’s zou inspannen om die dossiers op een onorthodoxe manier verder te brengen”), dat de houding van de Gemeente ten opzichte van [appellant 1] c.s. na juli 2016 is gewijzigd. Of die gewijzigde houding als tegenwerking van [appellant 1] c.s. moet worden aangemerkt, staat thans niet ter beoordeling. Van [appellant 1] c.s. kan in het kader van het verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor niet gevergd worden dat zij haar stellingen nader onderbouwt of concretiseert, te minder nu, als sprake zou zijn van een “bewuste strategie van tegenwerking” door de Gemeente, deze zich grotendeels aan de waarneming van buitenstaanders zal onttrekken. Weliswaar zijn er de bestuursrechtelijke mogelijkheden om te toetsen of de gedane BIBOB-verzoeken terecht zijn geweest, besluiten al dan niet tijdig zijn genomen en aanvragen voor omgevingsvergunningen terecht buiten behandeling zijn gesteld, maar hiermee kan nog niet worden vastgesteld of deze onderdeel uitmaken van een bewuste tegen [appellant 1] c.s. gerichte strategie van de Gemeente. [appellant 1] c.s. heeft dus wel degelijk belang bij het verzoek. De grieven slagen derhalve.