Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
arrest van 16 mei 2017
[appellant],
Eneco Warmte- en Koude Leveringsbedrijf B.V.,
Het geding
Beoordeling van het hoger beroep
grief 1voert [appellant] aan dat de kantonrechter de schijn van partijdigheid en/of vooringenomenheid heeft gewekt. Die grief zal verder onbesproken blijven omdat het hof hierna de in hoger beroep geformuleerde vorderingen moet beoordelen en de gestelde schijn, wat daar verder ook van zij, daarop niet van invloed is. Met
grief 2Avoert [appellant] aan – samengevat en naar de kern genomen - dat hij eigenaar is van de warmteset.
Grief 2Bis op verschillende gronden gericht tegen het oordeel van de kantonrechter dat Eneco aan [appellant] vanaf 1 januari 2014 huur voor de warmteset in rekening mag brengen. Met
grief 3komt [appellant] op tegen het oordeel van de kantonrechter dat het vastrecht over de periode 2002 tot en met 2013 niet aan [appellant] behoeft te worden gerestitueerd.
Grief 4is gericht tegen het oordeel van de kantonrechter over de gestelde onveiligheid van de installatie. De
grieven 5 en 6hebben betrekking op respectievelijk de buitengerechtelijke kosten en de kosten van de procedure.
van Enecoin eigendom heeft verkregen. Uit het bepaalde in artikel 3:84 lid 1 BW Pro volgt dat voor een dergelijke eigendomsoverdracht een levering krachtens een geldige titel is vereist. [appellant] heeft met betrekking tot die titel slechts verwezen naar de offerte van 16 juni 2000. Uit de offerte kan echter niet worden afgeleid dat deze is gericht op de (ver)koop van een warmteset en in de stellingen van Eneco ligt besloten dat zij ook geen koopovereenkomst heeft willen sluiten. Mede gelet op hetgeen hierboven met betrekking tot de hoogte van het aansluittarief is overwogen, kan ook uit het uiteindelijk in rekening gebrachte bedrag niet worden afgeleid dat er een koopovereenkomst met een daarop volgende levering tot stand is gekomen.
NJ1966/136 (
Kelderluik) en HR 28 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:47,
NJ2013/366).
Beslissing
- bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Rotterdam van 29 januari 2016;
- wijst af het in hoger beroep meer of anders gevorderde;
- veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van Eneco tot op heden begroot op € 718,- aan verschotten en € 2.682,- aan salaris advocaat en op € 131,- aan nasalaris voor de advocaat, nog te verhogen met € 68,- indien niet binnen veertien dagen na aanschrijving in der minne aan dit arrest is voldaan en vervolgens betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden, en bepaalt dat deze bedragen binnen 14 dagen na de dag van de uitspraak dan wel, wat betreft het bedrag van € 68,--, na de datum van betekening, moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan deze bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro vanaf het einde van genoemde termijn van 14 dagen.
- verklaart dit arrest ten aanzien van de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.