Belanghebbende kocht een woning op 26 december 2013 voor € 276.000, kort voor de waardepeildatum 1 januari 2014. De heffingsambtenaar stelde de WOZ-waarde op deze datum vast op € 276.000, maar belanghebbende betwistte dit wegens verborgen gebreken en stelde een lagere waarde van € 233.000 voor. De rechtbank oordeelde dat de koopprijs te hoog was vanwege ernstige scheuren in muren die bij aankoop niet bekend waren en stelde de waarde vast op € 255.000.
In hoger beroep stelde de heffingsambtenaar dat de koopprijs leidend is voor de WOZ-waarde tenzij aannemelijk wordt gemaakt dat deze niet representatief is. Het Hof oordeelde dat belanghebbende onvoldoende bewijs leverde dat de koopprijs hoger was dan de WOZ-waarde, onder meer omdat de getoonde scheuren niet ongebruikelijk zijn bij oudere woningen en er geen deskundige begroting van herstelkosten was overgelegd.
Daarnaast faalde het beroep van belanghebbende op het gelijkheidsbeginsel omdat de vergelijkingswoningen niet identiek waren (verschil tussen hoek- en tussenwoningen) en er onvoldoende bewijs was dat de kwaliteit en onderhoudsstaat vergelijkbaar waren. Het Hof vernietigde de uitspraak van de rechtbank, verklaarde het hoger beroep van de heffingsambtenaar gegrond en het incidenteel hoger beroep van belanghebbende ongegrond, en bevestigde de WOZ-waarde van € 276.000.