Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
arrest van 27 september 2016
Het verloop van het geding
Beoordeling van het hoger beroep
“Ik hoorde van [broer drie] zelf dat eiseres zwanger was, hij was als op een roze wolk.”. Ook gedaagde sub 1 ( [de zus] ) was bekend met de zwangerschap van eiseres, want erflater zou op enig moment tegen haar hebben gezegd dat het kind niet van hem was. Voorts neemt de rechtbank in overweging dat uit de stukken en het verhandelde ter zitting naar voren is gekomen dat eiseres zich jegens gedaagden steeds op het standpunt heeft gesteld dat erflater de biologische vader is van de minderjarige. Bovendien heeft eiseres onweersproken gesteld dat zij zich diverse keren tot gedaagden heeft gewend met het verzoek de minderjarige te erkennen als biologisch en juridisch dochter van erflater. Daarnaast neemt de rechtbank in overweging dat [broer twee] bij aangetekende brief van 3 juni 2005 van de voormalige advocaat van eiseres is geïnformeerd over de geboorte van de minderjarige en de rechtsgevolgen van de gerechtelijke vaststelling van het vaderschap van erflater van de minderjarige, onder andere dat de minderjarige van erflater zal erven.”
- geen geschreven of ongeschreven rechtsregel verplicht appellanten om rekening en verantwoording af te leggen;
- appellanten menen dat zij, in hun hoedanigheid van verondersteld erfgenaam van [broer drie] , niet in de positie waren die vergelijkbaar is met enige rechtsverhouding waaraan de wet een plicht tot rekening en verantwoording verbindt. De wet verbindt aan het zijn van erfgenaam geen verantwoordingsplicht en evenmin aan het loutere deelgenootschap in een gemeenschapsgoed;
- de verhouding tussen partijen heeft geen verwantschap met zaakwaarneming. De erfgenaam houdt voor zichzelf en mag naar goeddunken beschikken over de boedel;
- er is evident geen sprake van verwantschap met een opdrachtovereenkomst;
- er is dus geen sprake van een daadwerkelijk bewind over een goed dat anderen dan hen zelf aanging;
- de wet kent voor administratieplichtigen bewaartermijnen van 5, 7 en slechts in enkele gevallen 10 jaar;
- er kan geen dwangsom worden opgelegd. Een dwangsom kan slechts worden opgelegd om het mogelijke te verrichten.
- op 3 juni 2005 zijn appellanten bij aangetekende brief formeel op de hoogte gesteld van het bestaan van [het kind van broer drie] en de erfrechtelijke consequenties die dat met zich mee zou brengen voor hun positie als erfgenaam;
- appellanten waren er van het begin af aan van op de hoogte dat [het kind van broer drie] de biologische dochter van erflater was;
- appellanten waren weliswaar aanvankelijk (potentieel) erfgenaam, maar later zijn zij verdrongen door [het kind van broer drie] ; dit laatste maakt appellanten nog niet een derde in de zin van artikel 1:207 lid 5 BW Pro;
- zoals door de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2014:1089) wordt gesteld kan een verplichting tot het doen van rekening en verantwoording worden aangenomen indien tussen partijen een rechtsverhouding bestaat of heeft bestaan krachtens welke de een jegens de ander verplicht is om zich omtrent de behoorlijkheid van enig vermogensrechtelijk beleid te verantwoorden;
- daarnaast wordt ten onrechte door appellanten aangegeven dat de verhouding tussen partijen geen verwantschap heeft met zaakwaarneming. Van meet af aan waren zij ervan op de hoogte dat geïntimeerde zwanger was van erflater. Zij hebben er tot slot voor gezorgd dat geïntimeerde, zwanger, het appartement waar zij samen met erflater woonde is uitgezet;
- het vernietigen van documenten met de kennis van een opkomende procedure dient voor rekening en risico van appellanten te komen.
- appellanten menen dat zij zich na het overlijden van [broer drie] redelijkerwijs als erfgenaam mochten beschouwen;
- geïntimeerde heeft het verzoek tot vaststelling vaderschap pas in 2012 gedaan;
- het feit dat [broer twee] bij schrijven van 3 juni 2005 op de hoogte is gebracht van de gestelde biologische afstamming en dat appellanten informeel op de hoogte zijn gebracht van de zwangerschap maakt dat niet anders;
- appellanten konden tot aan 19 februari 2010 (ECLI:NL:HR:2010:BK6150) in redelijkheid menen rechthebbende tot de nalatenschap te zijn.
Beslissing
- € 311,- griffierecht;
- € 894,- salaris advocaat.