Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
1.[appellant] ,
1.[geïntimeerde 1] ,
grief I. Datzelfde geldt voor
grief II, die inhoudt dat er geen belang bestaat bij een uitsluitend tegen [appellant] gerichte vordering.
preciesin beeld moet worden gebracht hoe groot het verschil tussen de oude en de huidige situatie is. Niet alleen is niet duidelijk hoe dat verschil precies in beeld zou moeten worden gebracht, maar ook miskent die stelling dat hinder ook aan de hand van een feitelijke indruk ter plaatse moet worden bepaald. Het hof heeft kunnen vaststellen dat de tuin van [geïntimeerde 1] c.s. aan de zijde van de bedrijfswoning thans wordt begrensd door een hogere muur dan voorheen en dat daardoor alleszins aannemelijk is dat dit ook en met name op zonnige dagen (tijdens de plaatsopneming was het bewolkt) van grote negatieve invloed is op de lichtinval in de tuin en de woning van [geïntimeerde 1] c.s. Die conclusie vindt overigens steun in het door [geïntimeerde 1] c.s. bij memorie van antwoord overgelegde rapport van ZNEB Expertise en taxaties van 5 juni 2012, dat door [appellant] c.s. niet inhoudelijk is weersproken.
grief IIIfaalt. Of en in hoeverre de door de rechtbank bevolen (gedeeltelijke) afbraak naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn, zal hierna worden besproken.
onevenredig veel zwaarderworden benadeeld dan [geïntimeerde 1] c.s. zolang [appellant] c.s. niet ook een oplossing (al dan niet in financiële zin) voor het onderhoud van het kattenverblijf voorstellen. [appellant] c.s. stellen in hun opmerkingen over artikel 5:54 BW Pro overigens ook niet dat zij bereid zijn een passende schadeloosstelling te betalen. In deze procedure en in deze stand van het geding kunnen hun opmerkingen dus niet meer tot een andere uitkomst leiden.
Grief Vfaalt.
Grief IVis gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat [appellant] dient te worden veroordeeld tot het vaststaand en ondoorzichtig uitvoeren van de vensters in de gevel van de bedrijfswoning aan de zijde van [geïntimeerde 1] c.s. [appellant] c.s. voeren aan dat deze veroordeling niet nodig was, omdat zij altijd bereid zijn geweest om het venster vaststaand en gematteerd uit te voeren. Aangezien het hof hierboven heeft overwogen dat in ieder geval het deel van de nieuwe bedrijfswoning waarin zich het venster bevindt, moet worden afgebroken, bestaat bij deze grief geen afzonderlijk belang meer.
Grief VIkomt op tegen het feit dat de rechtbank de veroordeling heeft versterkt met dwangsommen. Aan die grief ligt ten grondslag dat [de opgeroepen partij] haar medewerking aan afbraak zal weigeren, zodat [appellant] niet in staat zal zijn aan de veroordeling te voldoen. De grief faalt omdat [de opgeroepen partij] inmiddels partij is in dit geding en zelfstandig zal worden veroordeeld.
Grief VIIkomt op tegen de proceskostenveroordeling in eerste aanleg. De grief faalt omdat [appellant] als overwegend in het ongelijk gestelde partij in eerste aanleg heeft te gelden en daarom in de kosten van het geding moest worden veroordeeld.
Grief VIIIvoeren [appellant] c.s. aan dat dit arrest niet uitvoerbaar bij voorraad moet worden verklaard vanwege de kosten die gemoeid zijn met afbraak en eventuele wederopbouw van de bedrijfswoning. Bij beoordeling van dit betoog heeft te gelden dat de belangen van partijen tegen elkaar moeten worden afgewogen in het licht van de omstandigheden van het geval. Het hof dient daarbij te beoordelen of het belang van degene die de veroordeling verkrijgt zwaarder weegt dan het belang van de wederpartij bij het behoud van de bestaande toestand tot op het rechtsmiddel is beslist. Aangezien de bedrijfswoning nu reeds enkele jaren dagelijkse hinder veroorzaakt, en, zoals in rechtsoverwegingen 15 en 29 is uiteengezet, de belangen van [appellant] c.s. daartegenover minder zwaar wegen, valt die belangenafweging in het voordeel van [geïntimeerde 1] c.s. uit. Het hof ziet geen aanleiding om aan de uitvoerbaarheid bij voorraad de voorwaarde te verbinden dat [geïntimeerde 1] c.s. zekerheid zullen stellen voor het bedrag dat gemoeid is met sloop en herbouw van de bedrijfswoning.
- vernietigt het tussen [geïntimeerde 1] c.s. en [appellant] gewezen vonnis van de rechtbank Den Haag van 6 juli 2011,
- bekrachtigt het tussen [geïntimeerde 1] c.s. en [appellant] gewezen vonnis van de rechtbank Den Haag van 6 juli 2011 voor het overige;
- gebiedt [de opgeroepen partij] om binnen 60 dagen na betekening van dit arrest wegens onrechtmatige hinder jegens de achterburen [geïntimeerde 1] c.s. het huidige deels al gerealiseerde nieuwe bijgebouw aan de [adres 2] te [plaats] waar nodig af te breken tot een maximale bouwhoogte van 3,5 meter vanaf het maaiveld, en haar bouwplannen en bouwactiviteiten zodanig aan te passen dat het nieuwe bijgebouw van [appellant] c.s. nog slechts een maximale hoogte zal hebben van 3,5 meter vanaf het maaiveld;
- gebiedt [de opgeroepen partij] om binnen 60 dagen na betekening van dit arrest de eventuele vensters van het nieuwe bijgebouw aan de zijde van de erfgrens met [geïntimeerde 1] c.s. vaststaand te maken en te voorzien van ondoorzichtig glas en deze vensters vaststaand en ondoorzichtig te houden;
- gebiedt [de opgeroepen partij] om binnen 60 dagen na betekening van dit arrest de in rov. 20 van het vonnis van 6 juli 2011 vastgestelde overbouw van 25 centimeter breed op de grond van [geïntimeerde 1] en Verheul te verwijderen en verwijderd te houden;
- bepaalt dat door [appellant] en [de opgeroepen partij] 60 dagen na betekening van dit arrest een gezamenlijke totale dwangsom wordt verbeurd van
- verklaart bovenstaande veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
- veroordeelt [appellant] c.s.in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van [geïntimeerde 1] c.s. tot op heden begroot op € 284,- aan verschotten en € 4.470,- aan salaris advocaat;
- wijst af het meer of anders gevorderde.