Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Arrest d.d. 5 januari 2016
DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Veiligheid en Justitie),
[naam],
Het geding
Beoordeling van het hoger beroep
Grief Ivan de Staat is gericht tegen het oordeel van de voorzieningenrechter dat de onverkorte uitvoering van het beleid door het CJIB in dit geval onrechtmatig is. Met
grief IIkomt de Staat op tegen de overweging dat de tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis geen rechtens te respecteren doel dient, integendeel, dat deze de behandeling van [geïntimeerde] doorkruist, de betalingsverplichting niet doet vervallen en alleen de prikkel tot betaling wegneemt als de vervangende hechtenis is ondergaan.
Grief IIIis gericht tegen de overweging dat de overgang van de inningsfase naar de incassofase in het geval van [geïntimeerde] een louter punitief karakter krijgt, terwijl hij zijn opgelegde straf reeds heeft ondergaan, en dat de tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis als een extra gevangenisstraf moet worden aangemerkt. Volgens de Staat kent de voorzieningenrechter daarbij ten onrechte gewicht toe aan de omstandigheid dat uit het strafvonnis niet valt op te maken dat de strafrechter heeft stilgestaan bij de duur van de vervangende hechtenis, omdat deze op geen enkele wijze is gemotiveerd.
Grief IVis gericht tegen het dictum.
niet in staatis om de schuld (veel) sneller af te betalen, maakt niet dat de executie van de vervangende hechtenis (die overigens nu nog niet aan de orde is), onrechtmatig zou zijn. Zoals door de Hoge Raad is overwogen kan uit de wetsgeschiedenis (met name Kamerstukken II 1991/92, 21 345, nr. 9, p. 5) niet anders worden afgeleid dan dat onder ogen is gezien en is aanvaard dat uiteindelijk de vervangende hechtenis ten uitvoer kan worden gelegd ook indien, nadat uitstel van betaling is verleend of betaling in termijnen is toegestaan, betaling of verhaal uitblijft (vgl. HR 20 juni 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA6246 en HR 23 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BF5053). Daaraan doet niet af dat executie van de vervangende hechtenis in de situaties waarin geen sprake is van betalingsonwil, maar wel van betalingsonmacht (waaronder begrepen het onvermogen om het verschuldigde totaalbedrag binnen een redelijke termijn af te lossen), door de betrokkene zelf veelal ervaren zal worden als extra leedtoevoeging. Wat er dus ook zij van de door [geïntimeerde] geuite – en zeker niet onbegrijpelijke – kritiek, aan dit wettelijke systeem ligt een uitdrukkelijke keuze van de wetgever ten grondslag. Het onder 8 geschetste beleid ten aanzien van de tenuitvoerlegging ligt in het verlengde daarvan.