Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
1.Alternatieve Bouw en Ontwikkelingscombinatie Wateringse Veld B.V.,
1.[geintimeerde sub 1],
“U bent makelaar en geen marktpartij. Voor zelfrealisatie moet een marktpartij over voldoende kennis en financiële middelen beschikken om een project te kunnen realiseren. Wij hebben het recht om te weten welke marktpartij dat is en hun financiële gegoedheid.”
“… uit alle feiten en omstandigheden gedurende de onderhandelingen is steeds duidelijker geworden dat [appellant sub 2] niet (alleen) de onderhandelingen namens [geïntimeerde] voerde, maar (vergaand) betrokken is bij De Alternatieve. [geïntimeerde] is de overtuiging toegedaan dat [appellant sub 2] in feite niet alleen betrokken is bij De Alternatieve, maar daarvan (enige) aandeelhouder is en feitelijke beleidsbepaler”.
“Ik ben directeur van de B.V. Generale Trust Compagnie (een trustkantoor), die de directie voert over meerdere vennootschappen. (…) Ik beschikte daar over het briefpapier van de Alternatieve. Ten aanzien van de brief van 11 april 1997 in het bijzonder, maar ook in het algemeen, pleegden de brieven en andere teksten van de Alternatieve met enige substantiële inhoud gedicteerd te worden door [appellant sub 2]. (…) Het komt er op neer dat [appellant sub 2] bepaalde welke opdrachten de Alternatieve gaf. Als ik meeging naar een zitting in het kader van een juridische procedure, werd ik van tevoren goed geïnstrueerd door [appellant sub 2] en de adviseurs van de Alternatieve, die door en of op aanwijzing van [appellant sub 2] waren ingeschakeld. (…) Ik was voordat ik voor de Alternatieve onderhandelingen voerde steeds geïnstrueerd door [appellant sub 2] (…). De feitelijke beleidsbepaling geschiedde door [appellant sub 2]. (…) Op uw vraag of er afspraken waren/samenwerking was tussen de Alternatieve en marktpartijen, antwoord ik dat mij zulke afspraken niet bekend zijn. De Alternatieve kwam aan haar geld door stortingen van [appellant sub 2] rechtstreeks of via vennootschappen waar hij belangen in had. Ik heb nooit anders begrepen – bijvoorbeeld toen ik geïnstrueerd werd voor zittingen of onderhandelingen – dan dat het de bedoeling was dat [geïntimeerde] niet moesten weten hoe de vork in de steel zat. Toen mr. Gompen mij in februari/maart 2002 vroeg of [appellant sub 2] aandeelhouder was in de Alternatieve heb ik “neen” geantwoord; ik heb in de daarop volgende discussie desgevraagd geantwoord dat ik mij zou kunnen voorstellen dat [appellant sub 2] op een andere wijze gebaat was bij een goede afloop van de transactie. (…)”
grief 1komen de Alternatieve c.s. op tegen het oordeel van de rechtbank dat tussen de Alternatieve enerzijds en [appellant sub 2] anderzijds een vereenzelvigingsrelatie bestaat die meebrengt dat [appellant sub 2] gebonden is aan het arrest van het hof Amsterdam dat is gewezen tussen [geïntimeerde] c.s. en de Alternatieve. In
grief 2voeren de Alternatieve c.s. aan dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het onrechtmatig handelen van de Alternatieve c.s. niet alleen het verzwijgen voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst omvat, maar ook het vervolgens op nakoming van die overeenkomst aandringen, het in rechte eisen van nakoming en het leggen van beslag. Voorts heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat de Alternatieve c.s. hebben verhinderd dat [geïntimeerde] c.s. vrijelijk en op voor hen aanvaardbare voorwaarden over hun percelen konden beschikken.
Grief 3is gericht tegen het oordeel van de rechtbank over de verjaring van de vordering op [appellant sub 2] en
grief 4tegen het oordeel over het beroep van [appellant sub 2] op artikel 6:89 BW Pro. Met
grief 5komen de Alternatieve c.s. op tegen het oordeel van de rechtbank dat tussen de onrechtmatige gedraging van de Alternatieve c.s. enerzijds en de gevorderde schade anderzijds causaal verband bestaat en dat de Alternatieve c.s. gehouden zijn om deze schade te vergoeden.
Grief 6richt zich tegen het oordeel dat de Alternatieve c.s. geen beroep toekomt op het gezag van gewijsde van een of meer kostenveroordelingen terwijl
grief 7opkomt tegen de overweging van de rechtbank dat de Alternatieve c.s. niet de door hen gewenste bescherming kunnen ontlenen aan het arrest van de Hoge Raad van 6 april 2012 en de door de rechtbank getrokken conclusie dat het door de Alternatieve c.s. instellen van een vordering tot nakoming van de koopovereenkomst achterwege had behoren te blijven.
Grief 8richt zich tegen rechtsoverweging 4.25 van het vonnis waarin is opgenomen dat het hof Den Haag niet heeft geoordeeld dat geen sprake was van bedrog, maar geen causaal verband aanwezig heeft geacht tussen het veronderstelde bedrog en het sluiten van de overeenkomst. Met de
grieven 9 en 10klagen de Alternatieve c.s. over de hoogte van de toegewezen bedragen en
met grief 11over de toewijzing van de proceskosten als schade. Met
grief 12komen de Alternatieve c.s. op tegen het oordeel van de rechtbank dat er geen plaats is voor voordeelstoerekening.
Grief 13richt zich tegen de proceskostenveroordeling en
grief 14tegen het oordeel in reconventie dat de vordering van de Alternatieve op [geïntimeerde] c.s. is verjaard en de in reconventie uitgesproken proceskostenveroordeling.
“Hiermede geconfronteerd, hebben [geïntimeerde] vervolgens verklaard dat zij eigenlijk niet weten met wie die overeenkomst destijds is aangegaan, wellicht met de makelaar en tussenpersoon M. [appellant sub 2].”Anders dan [appellant sub 2] betoogt, kan hieruit niet worden afgeleid dat [geïntimeerde] c.s. op dat moment bekend waren met de betrokkenheid van [appellant sub 2] bij de Alternatieve. Ook als juist is dat [geïntimeerde] c.s. destijds meenden aan [appellant sub 2] te hebben verkocht, kan uit die verklaring immers niet worden afgeleid dat zij ervan op de hoogte waren dat [appellant sub 2] bij de Alternatieve was betrokken.
Grief 3faalt dan ook. Het bewijsaanbod dat in dit verband is gedaan zal worden gepasseerd nu de feiten waarop het betrekking heeft tegenover het gemotiveerde verweer, niet van een voldoende onderbouwing zijn voorzien. Het hof gaat voorbij aan de nieuwe stellingen die door de Alternatieve c.s. ter zitting in dit verband naar voren zijn gebracht en die (deels) zijn gebaseerd op de eerst ten behoeve van het pleidooi overgelegde producties, omdat die in strijd met de tweeconclusieregel niet in de memorie van grieven zijn opgenomen.
Grief 4faalt daarom. De tijdens het pleidooi ingenomen stelling dat [geïntimeerde] c.s. een op hen rustende onderzoeksplicht hebben verzaakt is een nieuwe grief die, wat daar verder ook van zij, onbesproken zal blijven.
ten tijde van het sluiten van de overeenkomstop een andere manier op de hoogte waren (geraakt).
makelaar en geen marktpartij” aanschrijven. [appellant sub 2] heeft betwist dat [geïntimeerde] c.s. niet op de hoogte waren van zijn betrokkenheid bij de Alternatieve. [appellant sub 2] heeft in dit verband aan zijn betwisting dezelfde feiten ten grondslag gelegd als de feiten die in het kader van de verjaring zijn besproken. Voor zover die al betrekking hebben op het tijdstip van het sluiten van de overeenkomst, kunnen die feiten ook in het kader van de vraag of [appellant sub 2] onrechtmatig heeft gehandeld niet als een voldoende betwisting van het ontbreken van bedoelde wetenschap gelden. [appellant sub 2] heeft verder aangevoerd dat hij grote advertenties heeft geplaatst waarin hij tuinders in het Westland attendeerde op de mogelijkheid om met de Alternatieve in zee te gaan. Nog los van het feit dat hij niet voldoende gemotiveerd heeft gesteld dat [geïntimeerde] c.s. die advertenties hebben gelezen, is uit die advertenties de betrokkenheid van [appellant sub 2] bij de Alternatieve niet af te leiden. De wetenschap van [geïntimeerde] c.s. kan ook niet worden ontleend aan de stelling dat Keulers, financieel adviseur van [geïntimeerde] c.s., “elke stap heeft beoordeeld en gewogen” (pagina 5 pleitnota hoger beroep), omdat daarin de wetenschap van de betrokkenheid van [appellant sub 2] bij de Alternatieve bij [geïntimeerde] c.s. niet ligt besloten. Datzelfde geldt voor de als productie 35 overgelegde e-mail van J.W. van Zundert van 11 oktober 2015, die betrekking heeft op een zitting bij de rechtbank in 1998, maar niet op enige wetenschap van [geïntimeerde] c.s.. Dat betekent dat [appellant sub 2] zijn betwisting onvoldoende heeft gemotiveerd. Het bewijsaanbod zal daarom worden gepasseerd. Dat brengt mee dat ervan moet worden uitgegaan dat [geïntimeerde] c.s. ten tijde van het sluiten van de overeenkomst niet ervan op de hoogte waren dat [appellant sub 2] betrokken was bij de Alternatieve.
Grief 1kan dus niet tot een andere conclusie leiden dan de rechtbank heeft getrokken.
Grief 2faalt daarom. Hetzelfde geldt voor
grief 7die dezelfde vraag aan de orde stelt en
grief 8die is gericht tegen de overweging van de rechtbank dat het feit dat de vordering van de Alternatieve door dit hof is toegewezen niet aan de conclusie in de weg staat dat sprake is van onrechtmatig handelen. Dat oordeel van de rechtbank is gelet op hetgeen hierboven is overwogen, juist.
Grief 5faalt daarom. Het hof passeert het bewijsaanbod dat in paragraaf 4.3 van de pleitnota in hoger beroep is neergelegd omdat het kennelijk slechts betrekking heeft op het niet eerder ingenomen, maar ook in het pleidooi niet onderbouwde standpunt, dat er geen sprake is van redelijke toerekening. Onduidelijk is, wat er overigens van de toelaatbaarheid van dit betoog in dit stadium van het geding zij, welke feiten in dit verband te bewijzen worden aangeboden.
Grief 6faalt.
grief 9faalt.
Grief 10heeft betrekking op de declaraties van Keulers. Voor zover grief 10 een herhaling bevat van het gestelde in grief 9, faalt de grief. Voor het overige slaagt zij omdat het hof van oordeel is dat niet voldoende aannemelijk is geworden dat de werkzaamheden van Keulers daadwerkelijk het gevolg zijn van het onrechtmatig handelen van de Alternatieve c.s. In het bijzonder is niet goed in te zien dat de werkzaamheden van Keulers niet ook hadden moeten worden verricht indien het onrechtmatig handelen van de Alternatieve c.s. achterwege was gebleven. [geïntimeerde] c.s. hebben dat ook niet voldoende onderbouwd, ook niet in paragraaf 8.6 van de conclusie van repliek waarnaar zij in hun memorie van antwoord verwijzen. Het vonnis van de rechtbank zal op dit onderdeel worden vernietigd.
Grief 11faalt. De proceskostenveroordelingen in de procedure die is uitgemond in het arrest van het hof Amsterdam hebben betrekking op kosten die [geïntimeerde] c.s. hebben moeten maken als gevolg van het onrechtmatig handelen van de Alternatieve c.s. Ook [appellant sub 2] is daarom gehouden die schade te dragen. Dat is niet anders waar het de vordering tot terugbetaling betreft van de proceskosten die [geïntimeerde] c.s. aan de Alternatieve hebben voldaan. Dat [geïntimeerde] c.s. die proceskosten hebben voldaan is immers het gevolg van het onrechtmatig handelen van de Alternatieve c.s.
Grief 12komt op tegen het oordeel van de rechtbank dat er geen plaats is voor voordeelstoerekening. Uit het bepaalde in artikel 6:100 BW Pro volgt dat, wanneer een zelfde gebeurtenis naast schade voor de benadeelde tevens voordeel heeft opgeleverd, dit voordeel bij de vaststelling van de te vergoeden schade in rekening wordt gebracht voor zover dit redelijk is. De Alternatieve c.s. betogen in dit verband dat zonder de met de Alternatieve gesloten overeenkomst de latere “waardesprong” van de percelen van [geïntimeerde] c.s. niet zou zijn gerealiseerd zodat verrekening van het voordeel van [geïntimeerde] c.s. met de door hen geleden schade op zijn plaats is. Het hof verwerpt dat betoog. Uit artikel 6:100 BW Pro volgt dat het genoten voordeel en de geleden schade een zodanig verband moeten hebben met de feiten waarop de aansprakelijkheid berust, dat het gerechtvaardigd is dat het genoten voordeel bij het begroten van de schade wordt verdisconteerd. Het voordeel van [geïntimeerde] c.s. is ontstaan door de verkoop van de percelen aan Westgronden B.V. Hun schade is het gevolg van het feit dat de Alternatieve c.s. zonder openheid van zaken te geven een overeenkomst tot stand hebben gebracht die niet tot stand had mogen komen, en hebben getracht nakoming van die overeenkomst in rechte af te dwingen. Die gebeurtenissen staan niet in een zodanig verband met elkaar dat het gerechtvaardigd is het voordeel met de schade te verrekenen.
Grief 12faalt daarom.
Grief 13stuit daarop af.
Grief 14faalt.
in zoverre opnieuw rechtdoende:
- veroordeelt de Alternatieve en [appellant sub 2] hoofdelijk tot betaling aan [geïntimeerde] c.s. van € 382.398,36 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 april 2012 tot aan de dag der algehele voldoening;
- bekrachtigt het vonnis voor het overige;
- verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;
- wijst af het meer of anders gevorderde.