Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP
- de man, bijgestaan door zijn advocaat;
- de vrouw;
- [kind I];
- [kind II].
PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN
- uit het op 17 maart 2008 ontbonden huwelijk van de man en de vrouw zijn geboren:
- voornoemde [kind I], geboren op [geboortedatum] 1991 te [geboorteplaats],
- voornoemde [kind II], geboren op [geboortedatum] 1993 te [geboorteplaats], en
- [kind III], geboren op [geboortedatum] 1997 te [geboorteplaats] (hierna te noemen: [kind III]);
- bij beschikking van 22 december 2008 van de rechtbank Rotterdam zijn opgenomen de tussen partijen getroffen regelingen als neergelegd in het convenant dat partijen hebben ondertekend op 16 oktober 2008 en is bepaald dat de man met ingang van 5 november 2007 en zolang de minderjarige kinderen bij de vrouw wonen, als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen zal uitkeren € 225,- per kind per maand. Voorts is bepaald dat de man een uitkering tot levensonderhoud aan de vrouw zal voldoen van € 225,- per maand.
BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP
- de door de man te betalen uitkering tot levensonderhoud voor de vrouw, hierna ook partneralimentatie, de behoefte van de vrouw en de draagkracht van de man;
- de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige [kind III], hierna ook kinderalimentatie;
- de door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind I], welke bijdrage met ingang van [datum in] 2009 is te beschouwen als bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie;
- de door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind II], welke bijdrage met ingang van [datum in] 2011 is te beschouwen als bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie.
- de partneralimentatie wordt bepaald op nihil vanaf 2008, althans op een zodanige bijdrage en met ingang van een zodanige datum als het hof in goede justitie meent te moeten bepalen;
- de bijdrage voor [kind I] met ingang van [datum in] 2009 wordt vastgesteld op nihil;
- de bijdrage voor [kind II] met ingang van april 2010 wordt vastgesteld op nihil; en
- dat de bijdrage voor [kind III] met ingang van 2010 wordt vastgesteld op nihil dan wel met ingang van een door het hof vast te stellen datum en op een door het hof in goede justitie te bepalen bedrag.
- i) De rechter die beslist op een verzoek tot wijziging van een eerder vastgestelde bijdrage in het levensonderhoud, zal in het algemeen behoedzaam gebruik moeten maken van zijn bevoegdheid de wijziging te laten ingaan op een vóór zijn uitspraak gelegen datum, met name indien dit ingrijpende gevolgen kan hebben voor de onderhoudsgerechtigde in verband met een daardoor in het leven geroepen verplichting tot terugbetaling van hetgeen in de daaraan voorafgaande periode in feite is betaald of verhaald.
- ii) Deze behoedzaamheid geldt ook voor de rechter in hoger beroep die met ingang van een vóór zijn uitspraak gelegen datum een zodanige wijziging brengt in de door de rechter in eerste aanleg vastgestelde of gewijzigde bijdrage dat zij kan leiden tot de hiervoor bedoelde ingrijpende gevolgen.
- iii) Deze behoedzaamheid brengt mee dat de rechter naar aanleiding van hetgeen partijen hebben aangevoerd, zal moeten beoordelen of, en in hoeverre, in redelijkheid van de onderhoudsgerechtigde terugbetaling kan worden verlangd van hetgeen in overeenstemming met diens behoefte aan levensonderhoud reeds is uitgegeven, en dat de rechter, indien dit naar zijn oordeel het geval is, van zijn beoordeling rekenschap zal moeten geven in de motivering.