ECLI:NL:GHDHA:2013:BZ6451
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging belastingheffing stakingswinst bij inbreng onderneming in BV ondanks emigratie
Belanghebbende bracht zijn melkveebedrijf in 2001 in een BV in, met toepassing van de geruisloze inbrengregeling. De Inspecteur legde echter een navorderingsaanslag op omdat de inbreng onderdeel zou zijn van een samenstel van rechtshandelingen gericht op liquidatie van de onderneming. De rechtbank verklaarde het beroep van belanghebbende ongegrond en het Gerechtshof bevestigde dit oordeel.
Het Hof stelde vast dat belanghebbende reeds in 2000 was begonnen met de beëindiging van zijn onderneming, onder meer door verkoop van vee en grond, en het voornemen tot emigratie naar Denemarken. Dit maakte dat de inbreng in de BV niet als voortzetting, maar als liquidatie van de onderneming moest worden beschouwd. De stakingswinst was derhalve terecht in 2000 belast.
Belanghebbende voerde aan dat het niet toekennen van de faciliteit van geruisloze inbreng in strijd was met het recht van vrije vestiging (artikel 49 VWEU Pro), maar het Hof verwierp dit omdat de weigering gebaseerd was op liquidatie van de onderneming en niet op de vestiging in Denemarken.
Ook het betoog dat de navorderingsaanslag wegens rechtszekerheids- en zorgvuldigheidsbeginsel vernietigd moest worden, werd verworpen. Het Hof oordeelde dat de Inspecteur voldoende onderzoek had gedaan en dat de aanslag rechtmatig was opgelegd.
De conclusie was dat het hoger beroep ongegrond is en de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd.
Uitkomst: Het Gerechtshof bevestigt dat de navorderingsaanslag terecht is opgelegd en verklaart het hoger beroep ongegrond.