ECLI:NL:GHARN:2012:BX0484
Gerechtshof Arnhem
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep over borgtocht en toestemming echtgenoot bij borgstelling voor Duits bedrijf
In deze zaak staat centraal of de borgtochtovereenkomst die [A] op 13 juli 2009 sloot voor de schulden van het Duitse bedrijf TST GmbH vernietigd kan worden wegens het ontbreken van toestemming van zijn echtgenote [B]. De bank vordert betaling van € 100.000,- plus rente, terwijl [A] zich beroept op vernietiging van de borgtocht door zijn echtgenote op grond van artikel 1:89 BW Pro in verbinding met artikel 1:88 lid 1 sub c BW Pro.
De rechtbank Zutphen wees de vordering van de bank toe en verwierp het verweer van [A]. Het hof bevestigt dat [A] ten tijde van het sluiten van de borgtocht gehuwd was en dat de borgtocht niet in de normale uitoefening van zijn beroep is aangegaan, waardoor artikel 1:88 lid 1 sub c BW Pro van toepassing is. De rechtbank vond echter dat de uitzonderingsbepaling van lid 5 van artikel 1:88 BW Pro van toepassing is, waardoor toestemming van de echtgenoot niet vereist is.
[A] betwist de toepasselijkheid van lid 5 omdat de borgtocht is aangegaan voor een Duitse GmbH en niet voor een Nederlandse NV of BV, en omdat hij niet als ondernemer met zeggenschap en financieel belang kan worden aangemerkt. Het hof onderzoekt ook het toepasselijke recht op het toestemmingsvereiste en stelt vast dat het recht van de gewone verblijfplaats van de echtgenoot (Nederlands recht) geldt. De bank wordt beschermd tegen onbekendheid met het toestemmingsvereiste, omdat de overeenkomst in Duitsland werd gesloten en het Duitse recht geen toestemming vereist.
Het hof oordeelt dat de bank niet bekend hoefde te zijn met het Nederlandse toestemmingsvereiste, ook niet vanwege haar ligging nabij de Nederlandse grens of haar vermeende verbondenheid met Nederland. Ook de kennis van een andere bank binnen hetzelfde coöperatieve verband kan niet aan haar worden toegerekend. Het hof geeft partijen gelegenheid zich uit te laten over dit voorlopige oordeel en houdt verdere beslissing aan.
Uitkomst: Het hof houdt de zaak aan voor nadere aktewisseling over de vraag of de bank nalatig was in het niet kennen van het toestemmingsvereiste van de echtgenoot.