ECLI:NL:GHARL:2026:925

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
17 februari 2026
Publicatiedatum
17 februari 2026
Zaaknummer
200.351.058
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep geldleningen en bestuurdersaansprakelijkheid tussen familieleden

In deze civiele zaak staat de terugbetaling van geldleningen centraal die familieleden aan elkaar hebben verstrekt. [Geïntimeerde1] leende €50.000 aan Jobema Holding B.V., bestuurd door [appellant], terwijl [geïntimeerde2] en [geïntimeerde3] meerdere leningen aan [appellant] zelf hadden verstrekt. De rechtbank had de vorderingen toegewezen nadat [appellant] en Jobema niet hadden gereageerd.

Het hoger beroep richt zich op de afwijzing van de vorderingen en de vraag of [appellant] als bestuurder persoonlijk aansprakelijk is. Het hof oordeelt dat [geïntimeerde1] zelf contractspartij is bij de leningsovereenkomst met Jobema en dat de vervroegde opeisbaarheid van de lening terecht is. [Appellant] heeft als bestuurder onrechtmatig gehandeld door activa van Jobema aan zichzelf over te dragen, waardoor hij persoonlijk aansprakelijk is voor de schade.

Verder wordt geoordeeld dat de rente over de vordering van [geïntimeerde1] pas vanaf 1 mei 2025 verschuldigd is en dat de rentevorderingen van [geïntimeerde2] en [geïntimeerde3] voor 2019 zijn verjaard. Het beroep op rechtsverwerking en redelijkheid en billijkheid wordt verworpen. Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank, met aanpassingen in de rente en vorderingsbedragen, en bepaalt dat partijen hun eigen kosten dragen.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank met aanpassingen in de rente en vorderingsbedragen en stelt appellant persoonlijk aansprakelijk als bestuurder.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.351.058
zaaknummer rechtbank Gelderland 436723
arrest van 17 februari 2026
in de zaak van

1.Jobema Holding B.V.

die is gevestigd in Duiven
2. [appellant]
die woont in [woonplaats1] , gemeente [gemeentenaam1]
die hoger beroep hebben ingesteld
en bij de rechtbank optraden als gedaagden
hierna: Jobema en [appellant]
advocaat: mr. K.J.G. Hilderink (die zich heeft onttrokken)
en

1.[geïntimeerde1]

die woont in [woonplaats2] , [gemeentenaam2]

2. [geïntimeerde2]

die woont in [woonplaats2] , [gemeentenaam2]

3. [geïntimeerde3]

die woont in [woonplaats2] , [gemeentenaam2]
die bij de rechtbank optraden als eisers
hierna: [geïntimeerde1] , [geïntimeerde2] en [geïntimeerde3]
advocaat: mr. E.A.J.M. van de Wijngaard

1.Het verloop van de procedure in hoger beroep

1.1.
Jobema en [appellant] hebben hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen het vonnis dat de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, (hierna: de rechtbank) op 30 oktober 2024 tussen partijen heeft uitgesproken. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
  • de dagvaarding in hoger beroep
  • de memorie van grieven
  • de memorie van antwoord tevens houdende wijziging van eis
  • de onttrekking advocaat aan de zijde van [appellant]
  • het verslag (proces-verbaal) van de mondelinge behandeling die op 19 januari 2026 is gehouden.
1.2.
Hierna hebben partijen het hof gevraagd opnieuw arrest te wijzen.

2.De kern van de zaak

2.1.
Partijen zijn familie van elkaar. [geïntimeerde3] en [geïntimeerde2] hebben geld geleend aan [appellant] . Verder stelt [geïntimeerde1] dat zij geld heeft geleend aan de door [appellant] bestuurde vennootschap Jobema. [geïntimeerde1] , [geïntimeerde3] en [geïntimeerde2] hebben bij de rechtbank gevorderd dat [appellant] en Jobema worden veroordeeld tot terugbetaling van de geldleningen. De rechtbank heeft deze vorderingen toegewezen nadat aan [appellant] en Jobema akte niet dienen (van conclusie van antwoord) was verleend. De bedoeling van het hoger beroep is dat de vorderingen alsnog worden afgewezen.
2.2.
Het hoger beroep slaagt alleen wat betreft de ingangsdatum van de wettelijke rente over de vordering van [geïntimeerde1] en de verjaring van de rente van voor 2019 wat betreft de vorderingen van [geïntimeerde2] en [geïntimeerde3] . Voor het overige faalt het hoger beroep. Het hof zal het vonnis daarom bekrachtigen behoudens de beslissingen op de genoemde punten.

3.De toelichting op de beslissing van het hof

3.1.
Het hof zal eerst de vorderingen van [geïntimeerde1] bespreken en daarna de vorderingen van [geïntimeerde2] en [geïntimeerde3] .
de feiten over de rechtsverhouding tussen [geïntimeerde1] , [appellant] en Jobema
3.2.
[geïntimeerde1] is de dochter van [appellant] .
3.3.
Op 2 april 2020 heeft [geïntimeerde1] aan [appellant] gemaild:
Ik ben bereid mijn ASR polis af te kopen en € 50 k aan JoBeMa te lenen.
3.4.
Begin 2020 hebben [geïntimeerde1] en Jobema een schriftelijke geldleningsovereenkomst ondertekend. In de overeenkomst staat dat [geïntimeerde1] € 50.000 aan Jobema leent tegen een jaarlijkse rente van 4,1%. De lening heeft een looptijd van vijf jaar en aflossing dient uiterlijk 1 mei 2025 te gebeuren.
3.5.
In 2022 is het bedrijfspand van Jobema verkocht. Dit bedrijfspand werd door Jobema verhuurd. Jobema had verder geen bedrijfsactiviteiten.
3.6.
Op 7 mei 2023 heeft [appellant] een e-mail aan [geïntimeerde1] gestuurd waarin staat:
(…) Nog vóór het verstrijken van de einddatum van de lening ad € 50.000 (1 mei 2025) zal ik mijn achterstallig salaris (meerdere jaren) vorderen en betalen aan privé. Er blijft niets over.
3.7.
Op 1 februari 2024 heeft [geïntimeerde1] de lening vervroegd opgeëist wegens het staken van de bedrijfsvoering en omdat zij uit uitlatingen van [appellant] heeft afgeleid dat Jobema zal tekortschieten in de terugbetalingsverplichting.
3.8.
Op 26 februari 2024 is € 35.000 overgeschreven van de bankrekening van Jobema naar [appellant] met de omschrijving:
Voorschot afwikkeling achterstallige salarisbetaling
3.9.
Op 27 februari 2024 heeft [appellant] € 0,01 overgemaakt naar [geïntimeerde1] met de omschrijving:
Ter dekking van de betaling van achterstallig salaris werd gisteren de gehele activa van JBMA overgedragen naar prive.
3.10.
Bij de stukken zit een overeenkomst die op 27 februari 2024 is ondertekend door [appellant] , namens zichzelf en namens Jobema. Hierin staat, voor zover relevant:
(…) JoBeMa Holding BV draagt haar volledige activa in eigendom over aan de heer T.R. Jonker, die de overdracht accepteert.
De reden van de overdracht is de achterstallige salarisbetaling over meerdere jaren die JoBeMa schuldig is aan de heer Jonker. (…)
3.11.
Op 29 februari 2024 heeft [geïntimeerde1] [appellant] als bestuurder van Jobema aansprakelijk gesteld op grond van onrechtmatig handelen. Daarbij heeft [geïntimeerde1] [appellant] en Jobema gesommeerd de lening af te lossen.
de beoordeling van de vordering van [geïntimeerde1] op Jobema en [appellant]
Jobema en [geïntimeerde1] zijn contractspartijen bij de leningsovereenkomst van € 50.000
3.12.
Jobema erkent € 50.000 geleend te hebben, maar voert aan dat [geïntimeerde2] en [geïntimeerde3] de feitelijk leninggevers zijn. Het geld is afkomstig uit een ASR polis en het saldo van die polis is geld dat [appellant] en zijn vrouw voor [geïntimeerde2] en [geïntimeerde3] hebben gespaard. [geïntimeerde1] heeft de leningsovereenkomst gesloten als wettelijk vertegenwoordiger van [geïntimeerde2] en [geïntimeerde3] , aldus [appellant] . [geïntimeerde1] betwist dit. Zij stelt dat zij de contractspartij is van Jobema. Het geld is afkomstig van de op haar naam staande ASR polis. Deze polis had zij voor de geboorte van [geïntimeerde2] en [geïntimeerde3] al afgesloten. Zij stortte daar eigen geld op voor haar pensioen. [appellant] en zijn vrouw spaarden voor [geïntimeerde2] en [geïntimeerde3] op een SNS rekening, waarvan zij de tegenrekening hadden, aldus [geïntimeerde1] .
3.13.
Het antwoord op de vraag of iemand jegens een ander bij het sluiten van een overeenkomst in eigen naam - dat wil zeggen als wederpartij van die ander - is opgetreden, hangt af van hetgeen hij en die ander daaromtrent jegens elkander hebben verklaard en over en weer uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben afgeleid en mochten afleiden [1] . In dit geval heeft [geïntimeerde1] voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst aan [appellant] gemaild dat zij bereid is haar ASR polis af te kopen en het vrijkomende geld uit te lenen aan Jobema, zie hiervoor onder 3.3. In deze e-mailwisseling wordt niet geschreven dat het geld aan [geïntimeerde2] en [geïntimeerde3] toekomt. Vervolgens is [geïntimeerde1] als leninggever opgenomen in de geldleningsovereenkomst zonder dat daarbij staat dat zij dit doet in hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van [geïntimeerde2] en [geïntimeerde3] . Het ligt op de weg van Jobema feiten en omstandigheden aan te voeren op grond waarvan zij niettemin mocht aannemen dat [geïntimeerde1] handelde als wettelijk vertegenwoordiger van [geïntimeerde2] en [geïntimeerde3] .
3.14.
Jobema heeft ter onderbouwing van haar standpunt een betalingsbewijs in het geding gebracht. Hieruit blijkt dat [geïntimeerde1] op 14 april 2017 € 1.272,34 heeft overgemaakt naar ASR. Dit betalingsbewijs heeft ze vervolgens naar Jobema gemaild. Dit betalingsbewijs spreekt echter juist tegen dat het saldo op de ASR polis door [appellant] en zijn vrouw is gespaard. Of er sprake was van een fictief dienstverband tussen Jobema en [geïntimeerde1] om op die wijze fiscaal gunstig te kunnen schenken, zoals Jobema ter onderbouwing van haar standpunt nog heeft aangevoerd, is niet relevant voor het antwoord op de vraag wie als contractspartij bij de geldlening dient te worden aangemerkt. Jobema heeft niet betwist dat de ASR polis op naam van [geïntimeerde1] stond en [geïntimeerde1] eerste begunstigde was. De tenaamstelling van de polis maakt dat [geïntimeerde1] feitelijk over dit geld kan en mag beschikken. Jobema heeft geen andere verklaring of gedragingen gesteld waaruit zij zou hebben mogen afleiden dat [geïntimeerde1] namens [geïntimeerde2] en [geïntimeerde3] de lening verstrekte. De conclusie is daarom dat [geïntimeerde1] zelf contractspartij is bij de leningsovereenkomst.
de vervroegde opeisbaarheid
3.15.
Jobema meent dat [geïntimeerde1] de lening niet vervroegd mocht opeisen omdat de uitlatingen dat Jobema niet aan haar betalingsverplichtingen zou gaan voldoen, enkel betrekking hadden op [geïntimeerde1] en dat altijd de bereidheid heeft bestaan om aan het einde van de looptijd aan [geïntimeerde2] en [geïntimeerde3] terug te betalen.
3.16.
Aangezien [geïntimeerde1] de leninggever is, snijdt dit verweer geen hout. Het verweer gaat ook niet meer op omdat de looptijd van de lening op 1 mei 2025 is verstreken. Daarmee is de lening opeisbaar geworden.
[appellant] is, als bestuurder van Jobema, persoonlijk aansprakelijk jegens [geïntimeerde1]
3.17.
stelt dat door de handelswijze van [appellant] als bestuurder van de vennootschap Jobema haar verplichtingen niet kon nakomen en ook geen verhaal bood voor de als gevolg daarvan optredende schade. Volgens [geïntimeerde1] is [appellant] daarom als bestuurder van Jobema persoonlijk aansprakelijk jegens [geïntimeerde1] . [appellant] betwist dit.
3.18.
Vast staat dat Jobema, nadat [geïntimeerde1] de geldlening had opgeëist, € 35.000 aan [appellant] heeft overgemaakt én een overeenkomst heeft gesloten met [appellant] waarin staat dat Jobema “haar volledige” activa overdraagt aan [appellant] . Ook staat vast dat Jobema nadien geen actief meer heeft gegenereerd, haar enige resterende bedrijfsactiviteit - de verhuur van een bedrijfspand - was al in 2020 gestaakt.
3.19.
Uitgangspunt is dat het een bestuurder in beginsel vrijstaat op grond van een eigen afweging te bepalen welke schuldeisers van de vennootschap in de gegeven omstandigheden zullen worden voldaan. Het staat een bestuurder van een vennootschap waarvan de activiteiten zijn beëindigd echter in beginsel niet vrij om schuldeisers die aan de vennootschap zijn gelieerd met voorrang boven andere schuldeisers te betalen, tenzij die betaling door bijzondere omstandigheden wordt gerechtvaardigd [2] . Die bijzondere omstandigheden zijn niet gesteld of gebleken. Het stond [appellant] dus niet vrij te bewerkstelligen dat Jobema zijn eigen gepretendeerde vordering voldeed, maar niet die van [geïntimeerde1] . Daar komt bij dat de vermeende vordering van [appellant] op Jobema door [geïntimeerde1] is betwist en op geen enkele wijze is onderbouwd. Naar het oordeel van het hof kan [appellant] persoonlijk een ernstig verwijt worden gemaakt. Hij wist dat de door hem bewerkstelligde handelwijze van de vennootschap tot gevolg zou hebben dat zij haar verplichtingen jegens [geïntimeerde1] niet zou nakomen en ook geen verhaal zou bieden voor de als gevolg daarvan optredende schade [3] .
Dat [appellant] dit wist, blijkt genoegzaam uit de hiervoor onder 3.6 geciteerde e-mail van hem aan [geïntimeerde1] . Hij is dus aansprakelijk voor de als gevolg hiervan door [geïntimeerde1] geleden schade.
de omvang van de schade
3.20.
Om de hoogte van de schade te bepalen moet een vergelijking worden gemaakt tussen de werkelijke situatie en de hypothetische situatie zonder onrechtmatige daad van de bestuurder. Het schadeveroorzakende feit is dat [appellant] , als bestuurder van Jobema, alle activa van Jobema aan zichzelf heeft overgedragen ter voldoening van zijn eigen vermeende, maar betwiste, vordering. Om welke activa het gaat en wat die waard waren is door [appellant] in het geheel niet onderbouwd. Dat die waarde beperkt was tot € 35.000, zoals [appellant] suggereert, blijkt uit niets en is door [geïntimeerde1] op de mondelinge behandeling tegengesproken door erop te wijzen dat het bedrijfspand voor meerdere tonnen is verkocht en hierop maar een kleine hypotheek rustte en dat ook de inventaris is verkocht. [appellant] is op die mondelinge behandeling niet verschenen en heeft dus hierover geen nadere toelichting kunnen geven. Het hof houdt het door [geïntimeerde1] gestelde daarom voor juist. Dat de waarde van de activa sowieso onvoldoende was om zowel de vordering van [geïntimeerde1] als die van [appellant] volledig te kunnen voldoen, zoals [appellant] aanvoert, blijkt evenmin ergens uit. [appellant] heeft nagelaten om elk inzicht te verschaffen in de financiële gegevens van Jobema, terwijl die zich wel in zijn domein bevinden. Het hof stelt de schade als gevolg van het handelen van Jobema en [appellant] daarom gelijk aan de hoogte van de vordering van [geïntimeerde1] [4] .
ingangsdatum wettelijke rente
3.21.
Partijen zijn het erover eens dat de rechtbank ten onrechte Jobema en [appellant] heeft veroordeeld tot betaling van de wettelijke rente over de vordering van [geïntimeerde1] vanaf 29 mei 2024, nu over de periode tot 1 mei 2025 contractuele rente is berekend. Volgens hen is de wettelijke rente daarom pas verschuldigd vanaf 1 mei 2025 en [geïntimeerde1] heeft haar eis daarom verminderd. Gelet op de eisvermindering zal het hof de wettelijke rente toewijzen vanaf
1 mei 2025.
de feiten over de rechtsverhouding tussen [geïntimeerde2] , [geïntimeerde3] en [appellant]
3.22.
[geïntimeerde2] en [geïntimeerde3] zijn de zoons van [geïntimeerde1] en de kleinzoons van [appellant] .
3.23.
[geïntimeerde2] en [geïntimeerde3] hebben gedurende 2010 en 2011, afzonderlijk van elkaar, drie geldleningsovereenkomsten gesloten met [appellant] . De inhoud van de afzonderlijke geldleningsovereenkomsten is nagenoeg gelijk en ze kennen alle als einddatum 31 december 2020. Tussen partijen staan deze leningen bekend als leningen 1 tot en met 3.
3.24.
Op 12 december 2021 heeft [appellant] nagenoeg gelijkluidende brieven geschreven aan [geïntimeerde2] en [geïntimeerde3] . In de bijlage bij die brieven worden vijf leningen naast elkaar gezet met vermelding van rentepercentages en wordt de rente over elk van de leningen berekend tot en met 2021. Ook de leningen 1 tot en met 3 staan hierop vermeld. Hierover wordt een rente ad 5,2% per jaar berekend.
3.25.
Op 20 april 2023 heeft de advocaat van [geïntimeerde2] en [geïntimeerde3] [appellant] aangemaand tot aflossing van geldleningen. Dit betreft lening 4 uit het overzicht. In de brief staat, voor zover relevant:
Tot mij wendden zich cliënten, [geïntimeerde3] en [geïntimeerde2] . Cliënten verzochten mij om de hierna gespecificeerde vordering voor hen te incasseren.
Op dit moment bent u verschuldigd met betrekking tot een tweetal niet terug betaalde leningen (2 x € 3.300,00) een bedrag ad € 6.600,00. De einddatum van deze leningen
was 31 december 2020.
3.26.
[appellant] heeft aan deze sommatie voldaan en deze leningen terugbetaald. [appellant] heeft in eerste instantie ook de aangezegde buitengerechtelijke incassokosten voldaan. Die heeft hij vervolgens teruggevorderd en teruggestort gekregen. Hierover heeft de advocaat van [geïntimeerde2] en [geïntimeerde3] op 2 mei 2023 aan [appellant] geschreven:
Op grond van het bovenstaande heeft u € 3.528,88 te veel betaald. Ik heb mijn boekhouder opdracht gegeven dit bedrag per omgaande aan u te retourneren op het rekeningnummer waarvan u de betalingen heeft verricht.
Daarmee is deze kwestie gesloten en zal ik tot sluiting van beide dossiers overgaan.
3.27.
Op 18 april 2024 heeft de advocaat van [geïntimeerde2] en [geïntimeerde3] [appellant] gesommeerd tot terugbetaling van geldleningen 1 tot en met 3. In de brieven staat, voor zover relevant:
Tot mij wendde zich cliënte, (…).
U heeft met cliënte een drietal overeenkomsten van geldlening gesloten voor in totaal een bedrag ad € 16.700,00:
Bedrag
Ingangsdatum
Einddatum
Leningnummer 1
€4.600,00
31-12-2010
31-12-2020
Leningnummer 2
€4.600,00
30-01-2011
31-12-2020
Leningnummer 3
€ 7.500,00
30-01-2011
31-12-2020
Bijgaand treft u de overeenkomsten van geldlening aan. In alle overeenkomsten is een rentepercentage overeengekomen van 5,2%.
Ondanks het feit dat uitdrukkelijk is overeengekomen dat de leningen uiterlijk op 31 december 2020 dienden te zijn terugbetaald aan cliënte, heeft u zulks nagelaten.
De beoordeling van de vorderingen van [geïntimeerde2] en [geïntimeerde3] op [appellant]
er is geen sprake van rechtsverwerking
3.28.
[appellant] erkent de geldleningen waarvan terugbetaling is gevorderd. Hij stelt echter dat [geïntimeerde2] en [geïntimeerde3] hun recht verwerkt hebben om nakoming te verlangen doordat hun advocaat op 2 mei 2023, zie hiervoor onder 3.26 geciteerd, heeft geschreven dat tot sluiting van de dossiers werd overgegaan. Volgens [appellant] mocht hij op grond daarvan, er vanuit gaan dat zijn kleinzoons niet meer tot incasso van de andere leningen zouden overgaan, zeker nu er ook een terugbetaling werd gedaan in plaats van dat dit kennelijk teveel betaalde werd verrekend met de nog openstaande leningen 1 tot en met 3.
3.29.
Voor een geslaagd beroep op rechtsverwerking is enkel tijdsverloop onvoldoende. Er zullen bijkomende omstandigheden moeten blijken als gevolg waarvan hetzij bij [appellant] het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat [geïntimeerde2] en [geïntimeerde3] hun aanspraken op terugbetaling niet meer geldend zouden maken, hetzij [appellant] onredelijk zou worden benadeeld indien [geïntimeerde2] en [geïntimeerde3] aanspraak maken op terugbetaling. Aan deze voorwaarden wordt niet voldaan.
Het hof is van oordeel dat [appellant] op basis van de brieven van de advocaat van [geïntimeerde2] en [geïntimeerde3] er niet gerechtvaardigd op heeft mogen vertrouwen dat [geïntimeerde2] en [geïntimeerde3] hun aanspraak op terugbetaling van geldleningen 1 tot en met 3 niet geldend zouden maken. De advocaat rept niet over geldleningen 1 tot en met 3, het gevorderde bedrag komt niet overeen met geldleningen 1 tot en met 3 en de laatste brief spreekt over sluiting van
beidedossiers en duidelijk niet van sluiting van
alledossiers. Gesteld noch gebleken is hoe [appellant] onredelijk is benadeeld door de terugvordering. Om die redenen slaagt het beroep op rechtsverwerking niet.
de leningen zijn nog niet afgelost
3.30.
[appellant] stelt dat hij de leningen heeft afgelost door een contante betaling aan [geïntimeerde1] op 1 januari 2018. [geïntimeerde2] en [geïntimeerde3] betwisten de contante betaling. Zoals hiervoor onder 3.24 is geschreven, heeft [appellant] op 12 december 2021 aan [geïntimeerde2] en [geïntimeerde3] een overzicht gestuurd van de verstrekte leningen. Dit overzicht dateert van na de door hem gestelde aflossing. De leningen 1, 2 en 3 komen qua bedragen, data en rentepercentages precies overeen met de geldleningsovereenkomsten waarvan thans nakoming wordt gevorderd. [appellant] erkent ook dat dit de leningen zijn die thans in geschil zijn. [appellant] heeft niet kunnen verklaren waarom hij, bijna drie jaar na de gestelde aflossing, toch nog deze leningen opneemt in een overzicht en daarover rente berekent. Hij noemt het een verschrijving, maar dat is niet geloofwaardig. [appellant] stelt dat hij tot en met 2017 jaarlijks de verschuldigde rente aan [geïntimeerde2] en [geïntimeerde3] heeft voldaan en daarna niet meer. Echter, uit het overzicht blijkt dat hij wel rente heeft berekend vanaf 2018. [geïntimeerde2] en [geïntimeerde3] hebben de stelling van [appellant] telkens gemotiveerd betwist en [geïntimeerde1] heeft ter zitting ook verklaard geen contante betaling in ontvangst te hebben genomen van [appellant] . Dat zou ertoe kunnen leiden dat [appellant] tot bewijslevering zou kunnen worden toegelaten, maar het hof zal dat niet doen. Het in hoger beroep gedane bewijsaanbod - bewijs van al hun stellingen, onder meer over de totstandkoming van de leningovereenkomsten, de opbouw van het vermogen en de ontstane situatie - is algemeen en niet specifiek. Voor het hof is dat een reden om het bewijsaanbod te passeren.
de vordering tot betaling van contractuele rente is deels verjaard
3.31.
Partijen zijn het erover eens dat de rente van vóór 2019 is verjaard. In zoverre slaagt de grief van [appellant] waarin hij dit aankaart. De contractuele rente over 2019 vervalt op 1 januari 2020. Tussen die datum en de datum van sommatie, 18 april 2024, zijn geen vijf jaren verstreken zodat deze, en latere, rente niet is verjaard. [geïntimeerde2] en [geïntimeerde3] hebben in het licht hiervan hun vorderingen opnieuw berekend en hun eis verminderd tot elk € 23.421,32. Aan het feit dat [appellant] niet op de zitting is verschenen en het hof hem hierover niet heeft kunnen bevragen, verbindt het hof de gevolgtrekking dat deze berekening voor juist wordt gehouden en dit bedrag zal worden toegewezen, vermeerderd met de buitengerechtelijke kosten zoals toegewezen in eerste aanleg.
het beroep op redelijkheid en billijkheid gaat niet op
3.32.
Jobema en [appellant] hebben tot slot een beroep gedaan op - naar het hof begrijpt de beperkende werking van - de redelijkheid en billijkheid. Het hof vat dit (tevens) op als een beroep op matiging. Van de bevoegdheid tot matiging dient terughoudend gebruik te worden gemaakt [5] . Hetgeen Jobema en [appellant] op dit punt hebben aangevoerd is onvoldoende voor het oordeel dat het vorderen van nakoming in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn of dat de vordering gematigd zou moeten worden. [appellant] heeft volgens zijn eigen stellingen geld geschonken aan [geïntimeerde1] , [geïntimeerde2] en [geïntimeerde3] en dit vervolgens terug geleend voor een langere periode omdat dit (fiscaal) gunstig zou zijn.
Dat hij mogelijk door executie van dit arrest in financiële problemen komt, is echter onvoldoende voor de conclusie dat dit onaanvaardbaar zou zijn en onvoldoende voor matiging.
conclusie
3.33.
Het hoger beroep slaagt alleen wat betreft de ingangsdatum van de wettelijke rente over de vordering van [geïntimeerde1] en de verjaring van de rente van voor 2019 wat betreft de vorderingen van [geïntimeerde2] en [geïntimeerde3] . De wettelijke rente over de vordering van [geïntimeerde1] zal overeenkomstig de eisvermindering vanaf een latere datum, 1 mei 2025, worden toegewezen. De vorderingen van [geïntimeerde2] en [geïntimeerde3] zijn verlaagd door een wijziging van eis; het hof zal de lagere bedragen toewijzen.
3.34.
Het hof bepaalt dat iedere partij zijn eigen kosten moet dragen (compensatie van proceskosten) vanwege de aard van de zaak (familieverhoudingen).

4.De beslissing

Het hof:
4.1.
bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van
30 oktober 2024, behalve voor zover onder 3.1 de wettelijke rente is toegewezen vanaf
29 mei 2024 en onder 3.2 en 3.3 hoofdsommen zijn toegewezen van € 33.740,93, vernietigt het vonnis alleen in zoverre, en bepaalt dat de veroordeling tot betaling van wettelijke rente als bedoeld onder 3.1 ingaat op 1 mei 2025 en de bedragen als bedoeld in 3.2 en 3.3 worden bepaald op € 24.561,14 in plaats van € 33.740,93;
4.2.
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt van de procedures bij het hof;
4.3.
wijst af wat verder is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. G.J. Meijer, L. Janse en Chr. H. van Dijk, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op
17 februari 2026.

Voetnoten

1.HR 11 maart 1977, ECLI:NL:PHR:1977:AC1877 (
2.vergl. HR 12 juni 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2669 (
3.HR 8 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ0758 (
4.Vgl. Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 7 januari 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:105.
5.HR 14 januari 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR0220.