ECLI:NL:GHARL:2026:897

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
17 februari 2026
Publicatiedatum
17 februari 2026
Zaaknummer
200.348.492
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 347 RvArt. 1:87 BWArt. 1:96 lid 4 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep over vergoedingsrecht bij schenking en verdeling ontbonden huwelijk

In deze civiele zaak in hoger beroep bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden staat de vraag centraal of de man een vergoedingsrecht toekomt voor een bedrag dat in 2010 en 2014 is geschonken ter financiering van de echtelijke woning.

De man stelde dat naast een schenking van €26.000 in 2010 ook een bedrag van €50.000, geschonken bij schuldigerkenning, was aangewend voor de woning. Hij overhandigde diverse aangiftes inkomstenbelasting en liet getuigen horen, waaronder een notaris, een belastingadviseur en zijn vader. Het hof oordeelde echter dat de man niet is geslaagd in zijn bewijs, mede omdat de schuldigerkenning in latere jaren steeds werd opgevoerd en de nota van afrekening slechts een bijbetaling van €25.000 door de ouders vermeldt.

De man wijzigde zijn verzoek en stelde dat de schenking van €50.000 in 2014 met een uitsluitingsclausule was gedaan en dat op grond van de beleggingsleer een vergoedingsrecht van €107.470,66 zou bestaan. Het hof wees dit verzoek af wegens schending van de twee-conclusieregel en omdat de wijziging niet binnen de uitzonderingen viel. Tevens kon het vergoedingsrecht niet worden vastgesteld vanwege onbekende waarde van de woning ten tijde van de schenking.

Uiteindelijk bepaalde het hof dat de man recht heeft op teruggave van €26.000 uit de ontbonden huwelijksgemeenschap, zonder waardestijging, en verklaarde het gewijzigde verzoek niet-ontvankelijk. De proceskosten in hoger beroep werden gecompenseerd.

Uitkomst: De man heeft recht op teruggave van €26.000 uit de ontbonden huwelijksgemeenschap; zijn gewijzigde verzoek wordt niet-ontvankelijk verklaard.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.348.492
(zaaknummers rechtbank 422534 en 435383)
beschikking van 17 februari 2026
inzake
[verzoekster],
wonende te [woonplaats] ,
die hoger beroep heeft ingesteld,
verder te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. R.F. Vonk te Ede ,
en
[verweerder],
wonende te [woonplaats] ,
die ook hoger beroep heeft ingesteld,
verder te noemen: de man,
advocaat: mr. B. Anik te Arnhem.

1.Het verloop van het geding in hoger beroep

1.1
Voor het verloop van het geding tot 27 mei 2025 verwijst het hof naar zijn (tussen)beschikking van die datum. In die beschikking is in zaaknummer 200.348.491 (hoofdverblijfplaats en kinderalimentatie) een eindbeschikking gegeven, behoudens ten aanzien van de proceskosten en is in zaaknummer 200.348.492 (verdeling) deels een eindbeschikking en deels een tussenbeschikking gegeven.
1.2
Ingevolge voormelde tussenbeschikking hebben op 17 september 2025 getuigenverhoren plaatsgevonden. De hiervan opgemaakte processen-verbaal bevinden zich in afschrift bij de stukken. Voorafgaand aan die getuigenverhoren heeft mr. Anik bij journaalbericht van 20 augustus 2025 een aantal aangiftes inkomstenbelasting aan het hof toegezonden.
1.3
Het verdere verloop blijkt uit:
- een journaalbericht van mr. Anik van 25 november 2025 met een akte na enquête tevens
wijziging van eis en met producties 11 tot en met 13;
- een journaalbericht van mr. Vonk van 12 december 2025 met een antwoordakte na enquête
tevens houdende verweerschrift op wijziging van eis.

2.De motivering van de beslissing

2.1
Het hof blijft bij hetgeen is overwogen en beslist in de (tussen)beschikking van 27 mei 2025, voor zover hierna niet anders wordt overwogen of beslist.
2.2
In die beschikking heeft het hof de man toegelaten te bewijzen dat naast het in 2010 geschonken bedrag van € 26.000 ook de (bij wege van schuldigerkenning) geschonken € 50.000 of een gedeelte daarvan is aangewend ter financiering van de woning [adres] . In het kader daarvan heeft de man op 25 november 2025 aan het hof diverse aangiftes inkomstenbelasting van zijn ouders en van hemzelf toegezonden. Als getuigen zijn gehoord:
- [naam1] , notaris
- [naam2] , belastingadviseur
- [naam3] , de vader van de man
is de man geslaagd in zijn bewijs?
2.3
Het hof is van oordeel dat de man niet is geslaagd in zijn bewijs en legt dat hierna uit.
2.4
Uit de nota van afrekening van de notaris betreffende de aankoop van de woning volgt dat partijen ter gelegenheid van de overdracht nog € 25.000 moesten bijbetalen. Dat bedrag is voldaan door de ouders van de man. De notaris heeft dit in zijn dossieradministratie kunnen terugvinden en dit is daarmee in rechte komen vast te staan. Dat dit bedrag een gedeelte betreft van de € 50.000 die is geschonken bij wege van schuldigerkenning uit vrijgevigheid is echter niet komen vast te staan. Dat blijkt niet uit de nota van afrekening en in de overgelegde aangiftes inkomstenbelasting van de ouders van de man en de man zelf wordt de schuldigerkenning van € 50.000 in de jaren na 2010 telkens opgevoerd. In de akte na enquête van de zijde van de man concludeert de man zelf dat de schuldigerkenning er nog steeds is. Daarmee geeft de man feitelijk al zelf aan niet te zijn geslaagd in het hem opgedragen bewijs.
de wijziging van het verzoek van de man
2.5
De man stelt in zijn akte na enquête vervolgens dat tijdens het getuigenverhoor van de belastingadviseur nieuwe informatie naar voren is gekomen. Dat betreft de schenking van € 50.000 in 2014, die in de beschikking van het hof van 27 mei 2025 (overwegingen 5.17 en 5.18) al is genoemd. De man stelde toen nog dat die schenking zonder uitsluitingsclausule is gedaan, maar nu blijkt dat op die schenking wel een uitsluitingsclausule van toepassing is. Dit betrof volgens de man een kwijtschelding/afboeking op de openstaande hypothecaire geldlening bij de ouders van de man. Als productie 11 heeft de man de betreffende akte van schenking/kwijtschelding overgelegd. Nu deze schenking na 2012 is gedaan is daarop volgens de man de zogenoemde beleggingsleer van toepassing en dient de omvang van het vergoedingsrecht te worden vastgesteld aan de hand van artikel 1:87 Burgerlijk Pro Wetboek (BW). Aldus komt de man volgens hem nog een vergoedingsrecht toe van € 107.470,66.
2.6
De vrouw concludeert in haar akte na enquête tot afwijzing van dit gewijzigde verzoek, zowel op formele als op materiële grond. Volgens de vrouw overtreedt de man met zijn gewijzigde verzoek de twee-conclusieregel en dient de man niet-ontvankelijk te worden verklaard in zijn gewijzigde verzoek. Als de man toch wordt ontvangen in zijn gewijzigde verzoek, dient dit te worden afgewezen. Voor de vrouw is niet te volgen hoe de man voor de omvang van zijn vergoedingsvordering op € 107.470,66 is gekomen. Bovendien heeft de afboeking op de hypothecaire lening al plaatsgevonden vóór de schenkingsakte van 19 februari 2024.
2.7
Het hof overweegt als volgt. Op grond van de in artikel 347 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering besloten twee-conclusieregel dienen grieven en wijziging of vermeerdering van een verzoek te worden aangevoerd in het hoger beroepschrift dan wel het verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep. De rechter mag in principe geen acht slaan op grieven, stellingen, feiten en wijzigingen die na de uitwisseling van die stukken worden aangevoerd. Daarop gelden enkele uitzonderingen. Namelijk indien de wederpartij ondubbelzinnig heeft toegestemd in het in de rechtsstrijd in hoger beroep betrekken van de grief of verandering/vermeerdering van het verzoek, of indien de aard van het geschil meebrengt dat in een later stadium nog een grief kan worden aangevoerd of verandering/vermeerdering van het verzoek kan plaatsvinden, of indien sprake is van nieuwe of onjuist gebleken juridische of feitelijke gegevens, of indien een nieuwe procedure zou moeten worden aangespannen om het geschil alsnog aan de hand van juiste en volledige gegevens te kunnen beslissen [1] . De twee-conclusieregel staat verder niet in de weg aan het nader uitwerken van reeds eerder aangevoerde grieven, stellingen of verweren en het reageren op producties van de andere partij waarop niet eerder kon worden gereageerd [2] . Verder kan een uitzondering worden gemaakt als het geschilpunt ligt in het verlengde van reeds aangevoerde grieven (mits de wederpartij zich voldoende heeft kunnen uitlaten) [3] .
2.8
Het hof is van oordeel dat geen van de hiervoor vermelde uitzonderingen van toepassing is. De vrouw heeft niet ingestemd met toelating van deze eiswijziging en ook de aard van de procedure maakt niet dat een uitzondering dient te worden gemaakt. Het gaat ook niet om een nieuw feit of een nieuw processtuk dat niet eerder naar voren had kunnen worden gebracht. Het betreft immers een schenking uit 2014 en de betreffende schenkingsakte stamt ook uit dat jaar. Niet valt in te zien waarom dat niet eerder ingebracht had kunnen worden. Van strijd met de eisen van een goede procesorde is dus ook geen sprake. Ook de meest recente uitzondering is hier niet van toepassing. Er is door de man niet iets aangevoerd in het verlengde van een eerdere grief. Het hof verwijst in dit kader ook naar de rechtsoverwegingen 5.17 en 5.18 van de beschikking van het hof van 27 mei 2025. Er was geen eerdere grief over deze schenking en dus kan de wijziging van het verzoek ook niet in het verlengde van een zodanige grief liggen. Feitelijk komt de man met een nieuwe grief. Het hof zal de man niet-ontvankelijk verklaren in zijn gewijzigde verzoek.
2.9
Ten overvloede overweegt het hof dat ook al zou de man worden ontvangen in zijn gewijzigde verzoek, het hof dat verzoek zou hebben afgewezen. Er kan pas sprake zijn van een vergoedingsrecht als sprake is van een vermogensverschuiving. In dit geval zou dat kunnen worden aangenomen, nu een gezamenlijke (hypotheek)schuld van partijen kennelijk (deels) is afgelost met eigen vermogen van de man (schenking met uitsluitingsclausule). De omvang van dat vergoedingsrecht wordt gelet op het tijdstip van de schenking/afboeking via titel 7 Boek 1 BW (artikel 1:96 lid 4 BW Pro) berekend volgens de methodiek van artikel 1:87 BW Pro. Een van de variabelen daarbij is de waarde van de woning ten tijde van de schenking/afboeking (artikel 1:87 lid 2 letter Pro b BW). Die is in dit geval niet bekend, zodat de omvang van het vergoedingsrecht niet kan worden vastgesteld. Het door de man genoemde bedrag van € 107.470,66 is afkomstig uit zijn ‘verweerschrift in hoger beroep tevens incidenteel appèl’. Daar ging de man echter nog uit van een vergoedingsvordering op grond van de schuldigerkenning uit vrijgevigheid van € 50.000 in 2010. Na wijziging van zijn verzoek gaat het nu om een afboeking op een hypotheekschuld in 2014 en kan die eerdere berekening niet ook nu gelden.
Verder constateert het hof dat de overgelegde akte van schenking uit 2014 niet congruent is met de stellingen van de man. In de betreffende akte van schenking staat vermeld dat de begiftigde (de man) eigenaar is van een woning en dat de schenker (de vader van de man) ter financiering hiervan aan de begiftigde een geldlening heeft verstrekt van € 50.000. Die geldlening kan het hof in het procesdossier niet terugvinden. De man heeft gesteld dat de schenking in 2014 is gedaan door kwijtschelding/afboeking op de hypothecaire geldlening bij de ouders van de man. De schuld uit die geldlening was rond die tijd van de afboeking volgens de man € 132.018 (zie randnummer 12 van de akte na enquête tevens wijziging eis). Dat (naast de hypothecaire geldlening van € 133.200) sprake zou zijn van een geldlening van € 50.000 ten behoeve van de aankoop van de woning is niet eerder ter sprake gekomen en kan het hof niet plaatsen binnen het overige door de man gestelde en de door hem genoemde bedragen en door hem overgelegde stukken.

3.De slotsom

3.1
Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof bepalen dat de man een vergoedingsrecht jegens de ontbonden huwelijksgemeenschap heeft van € 26.000 of, indien de gemeenschap is verdeeld, jegens de vrouw van de helft daarvan ofwel € 13.000. Voor zover de man heeft gesteld dat zijn vergoedingsvordering jegens de ontbonden huwelijksgemeenschap meer is dan € 26.000 wijst het hof dat af. Het hof zal de man
niet-ontvankelijk verklaren in zijn wijziging van eis (verzoek).
3.2
Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, nu partijen gewezen echtgenoten zijn en de procedure vermogensrechtelijke afwikkeling van hun ontbonden huwelijk betreft.

4.De beslissing

Het hof, beschikkende in het principaal en in het incidenteel hoger beroep:
4.1
bepaalt dat de man gerechtigd is tot teruggave van € 26.000,00 (vanuit de gemeenschap van partijen), zonder vermeerdering met dezelfde waardestijging die de echtelijke woning heeft doorgemaakt;
4.2
verklaart deze beschikking (tot zover) uitvoerbaar bij voorraad;
4.3
verklaart de man niet-ontvankelijk in zijn gewijzigde verzoek;
4.4
compenseert de kosten van het geding in hoger beroep (in de zaaknummers 200.348.492 en 200.348.492) in die zin, dat iedere partij de eigen kosten draagt;
4.5
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. M.L. van der Bel, J.H. Lieber en A.T. Bol, bijgestaan door mr. H.P.J. Meijerink als griffier, en is op 17 februari 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.

Voetnoten

1.HR 19-06-2009, ECLI:NL:HR:2009:BI8771
2.HR 29-09-2023, ECLI:NL:HR:2023:1334
3.HR 11-04-2025, ECLI:NL:HR:2025:561