Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
1.De procedure in eerste aanleg
2.De procedure in hoger beroep
3.De feiten
- de vrouw de voormalige echtelijke woning uiterlijk op 17 oktober 2025 zal verlaten en de man de voormalige echtelijke woning tot dat moment niet zal betreden, behoudens voor zover het gaat om de uitvoering van de zorgregeling met de kinderen;
- de vrouw haar medewerking zal verlenen aan de (notariële) levering van de voormalige echtelijke woning aan de man tegen een waarde van € 265.000,-, zoals door de rechtbank in de bestreden beschikking van 21 maart 2025 is bepaald, onder de verplichting dat de vrouw uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldlening ter zake deze woning wordt ontslagen en de helft van de overwaarde op basis van de waarde van € 265.000,- aan haar wordt vergoed;
- de vrouw handhaaft haar grief in de hoofdzaak die betrekking heeft op de waarde waartegen de voormalige echtelijke woning tussen partijen dient te worden verrekend;
- bij gelegenheid van de levering van de woning zal rekening worden gehouden met de investering van € 15.907,57 die de vrouw in de woning heeft gedaan en ter zake waarvan haar een vergoedingsrecht toekomt, zoals in de bestreden beschikking is overwogen;
- de man zal ervoor zorgdragen dat de voormalige echtelijke woning goed wordt onderhouden tot het moment dat deze eventueel op grond van de uitkomst in de
4.De omvang van het geschil
De vrouw heeft haar in eerste aanleg gedane verzoek met betrekking tot de letselschadevergoeding in hoger beroep aangevuld met een meer subsidiair verzoek en verzoekt, voor zover op dit moment nog aan de orde, het hof de bestreden beschikking te vernietigen op de punten waarop het hoger beroep ziet en in zoverre opnieuw beschikkende:
A. de echtelijke woning aan de man toe te delen, onder de verplichting de vrouw te laten
doen ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van de hypothecaire geldlening en te
bepalen dat aan de vrouw toekomt een vergoeding ten bedrage van de helft van de nog te
taxeren waarde van de woning minus de openstaande hypothecaire geldlening;
bedrag van € 96.844,- als mantelzorgvergoeding, subsidiair dat aan de vrouw toekomt de
helft van de nog door de man te bepalen letselschadevergoeding, meer subsidiair voor
recht te verklaren dat aan de vrouw toekomt de helft van de nog te ontvangen toekomstige
letselschadevergoeding van de man;
bedrag van € 1.000,- per maand zal bijdragen, dan wel een zodanige bijdrage als het hof
juist acht;