ECLI:NL:GHARL:2026:4273

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
30 juni 2026
Publicatiedatum
30 juni 2026
Zaaknummer
200.357.164/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 38 lid 2 Wetboek van Strafrecht (oud)Art. 38g Wetboek van Strafrecht (oud)Art. 6:106 sub b BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep afwijzing schadevergoeding wegens onvoldoende hulp Reclassering na beëindiging TBS

De zaak betreft een hoger beroep van appellant tegen het vonnis van de kantonrechter dat zijn vorderingen tegen Reclassering Nederland afwees. Appellant stelde dat Reclassering Nederland onvoldoende hulp en steun heeft geboden na de voorwaardelijke beëindiging van zijn TBS met dwangverpleging, wat leidde tot beëindiging van zijn verblijf bij een instelling en hervatting van de TBS.

De feiten zijn dat appellant in 2002 veroordeeld werd tot gevangenisstraf en TBS vanwege seksueel misbruik van minderjarige jongens. Na voorwaardelijke beëindiging in 2015 woonde hij begeleid in een instelling, maar in 2016 werd de zorg abrupt beëindigd vanwege veiligheidsrisico’s en vermoedens van zoeken naar kinderporno. Reclassering Nederland adviseerde de rechtbank de TBS te hervatten. Appellant betwistte dit en vorderde een verklaring voor recht en schadevergoeding wegens onrechtmatig handelen.

Het hof oordeelt dat Reclassering Nederland geen zeggenschap had over de beëindiging van het verblijf door de instelling en voldoende inspanningen heeft verricht om alternatieven te vinden. Appellant heeft zich niet aan voorwaarden gehouden door openlijk te spreken over zijn pedoseksuele voorkeur en te zoeken naar kinderporno, wat het risico en de noodzaak van hervatting van TBS vergrootte. Er is geen onrechtmatig handelen van Reclassering Nederland vastgesteld.

De gevorderde schadevergoeding wordt afgewezen omdat appellant onvoldoende causaal verband heeft aangetoond tussen het handelen van Reclassering Nederland en zijn huidige situatie. Het hof bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter en veroordeelt appellant tot betaling van proceskosten.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis dat Reclassering Nederland niet onrechtmatig heeft gehandeld en wijst de schadevergoeding af.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.357.164
zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 11419496
arrest van 30 juni 2026
in de zaak van
[appellant]
die woont in [woonplaats]
hierna: [appellant]
advocaat: mr. E.Tj. van Dalen
en
Stichting Reclassering Nederland
die is gevestigd in Utrecht
hierna: Reclassering Nederland
advocaat: mr. J. Stikkelbroeck

1.Het verloop van de procedure in hoger beroep

[appellant] heeft bij dit hof hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat op 18 juni 2025 tussen partijen is uitgesproken door de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht. [1] Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
• de dagvaarding in hoger beroep
• de memorie van grieven
• de memorie van antwoord
• het proces-verbaal (verslag) van de mondelinge behandeling die op 2 juni 2026 is gehouden
Hierna hebben partijen het hof gevraagd arrest te wijzen.

2.De kern van de zaak

[appellant] woonde, in verband met de voorwaardelijke beëindiging van zijn TBS met dwangverpleging, op het terrein van [de instelling1] in [plaats1] (hierna: [de instelling1] ). Op 13 april 2016 heeft [de instelling1] de zorg per direct beëindigd, waarna [appellant] uiteindelijk op de longstay-afdeling in [de instelling2] in [plaats2] is geplaatst. [appellant] is van mening dat dit komt doordat Reclassering Nederland hem destijds – kort gezegd – onvoldoende hulp en steun heeft geboden en wil daarom dat Reclassering Nederland hem een schadevergoeding betaalt. De kantonrechter heeft de vorderingen van [appellant] afgewezen. Het hof komt tot dezelfde slotsom en bekrachtigt het vonnis. Hoe het hof tot deze beslissing is gekomen, zal hieronder worden toegelicht.
3.
De toelichting op de beslissing van het hof
Feiten en achtergrond van de zaak
3.1
Het hof gaat uit van dezelfde feiten als de kantonrechter heeft vastgesteld in r.o. 3.1 tot en met 3.6 van het vonnis, waar geen grieven tegen zijn gericht. Deze feiten komen op het volgende neer.
3.2
In 2002 is [appellant] veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaar en TBS met dwangverpleging vanwege het seksueel misbruiken van minderjarige jongens. In januari 2015 heeft de rechtbank de TBS met dwangverpleging voorwaardelijk beëindigd. De voorwaarden hielden onder andere in dat [appellant] zou worden opgenomen in een instelling voor begeleid wonen (en zich daar aan de huisregels zou houden) en dat [appellant] , mede voor zijn eigen veiligheid, niet zijn pedoseksuele voorkeur met andere derden dan zijn begeleiders zou bespreken. Reclassering Nederland werd belast met het toezicht op de naleving van de voorwaarden door [appellant] .
3.3
[appellant] werd vervolgens opgenomen in [de instelling1] waar hij dagelijks werd begeleid. [appellant] woonde hier in een zelfstandige woning, werkte bij een agrariër in de buurt en bezocht de lokale kerk. [appellant] had begin 2016 de verwachting dat Reclassering Nederland de rechtbank op korte termijn zou adviseren tot zijn onvoorwaardelijk ontslag uit de TBS.
3.4
In maart 2016 heeft een persoonlijk begeleider van [appellant] aan Reclassering Nederland laten weten dat hij op de computer van [appellant] heeft gezien dat bepaalde websites zijn bezocht, die erop duiden dat [appellant] heeft gezocht naar kinderporno. De politie heeft de computer meegenomen, heeft geconstateerd dat deze is ‘geschoond’ en heeft op basis van de gevonden zoektermen geconstateerd dat [appellant] inderdaad heeft gezocht naar kinderporno.
3.5
Begin april 2016 vond een gesprek plaats tussen de afdeling Openbare Orde en Veiligheid van de gemeente [gemeentenaam] , de politie, [de instelling1] en de contactfunctionaris van Reclassering Nederland. Tijdens dit gesprek vertelde de wijkagent dat hem ter ore was gekomen dat [appellant] (destijds nog bekend onder een andere naam, een geruchtmakende zaak met veel media-aandacht indertijd) in [de instelling1] verbleef. Hij benoemde daarbij het risico dat bepaalde inwoners van [plaats3] in staat zouden zijn tot een afrekening als het verhaal van [appellant] bij hen bekend zou worden. Niet veel later zou een medewerker van [de instelling1] op een verjaardagsfeestje gevraagd zijn of [appellant] bij [de instelling1] woonde. Vanwege het door de wijkagent geschetste scenario en het daarbij behorende risico voor zowel [appellant] als de andere bewoners en de medewerkers van [de instelling1] , heeft [de instelling1] besloten de zorg aan [appellant] op 13 april 2016 te beëindigen.
3.6
Reclassering Nederland heeft daarna onderzoek gedaan naar eventuele doorplaatsingsmogelijkheden, maar heeft geen vergelijkbare setting gevonden die de mate van controle en veiligheid biedt zoals [de instelling1] . Reclassering Nederland heeft daarom, in combinatie met het feit dat [appellant] heeft gezocht naar kinderporno, de rechtbank geadviseerd de TBS met dwangverpleging te hervatten. Op 15 juni 2016 heeft de rechtbank hervatting gelast van de TBS met dwangverpleging. Deze uitspraak is op 6 april 2017 door het hof vernietigd, omdat er nog een alternatief werd gezien en daarmee mogelijk een longstay-traject kon worden afgewend. [appellant] heeft daardoor nog een periode TBS met (gewijzigde) voorwaarden gehad.
3.7
Op 6 februari 2019 heeft de rechtbank Midden-Nederland alsnog hervatting van de TBS met dwangverpleging gelast. Deze beslissing is in hoger beroep op 19 september 2019 bekrachtigd. [appellant] is vervolgens (uiteindelijk) op de longstay-afdeling in [de instelling2] in [plaats2] geplaatst.
3.8
[appellant] heeft tussen 2021 en 2023 – tevergeefs – rechtszaken gevoerd tegen [de instelling1] en tegen de Staat over de door hem gestelde onrechtmatige gebeurtenissen in 2016. [2]
Geen onrechtmatige daad Reclassering Nederland
3.9
Met zijn grieven (bezwaren) legt [appellant] het geschil opnieuw integraal voor in hoger beroep. [appellant] vordert om te beginnen een verklaring voor recht dat Reclassering Nederland onrechtmatig tegenover hem heeft gehandeld. Net als de kantonrechter wijst het hof deze vordering af. Dat legt het hof hierna uit.
3.1
[appellant] stelt dat Reclassering Nederland in strijd heeft gehandeld met een wettelijke plicht, doordat zij [appellant] niet de hulp en steun heeft geboden die van haar mocht worden verwacht in het kader van de voorwaardelijk beëindigde dwangverpleging (art. 38 lid 2 en Pro 38g Wetboek van Strafrecht (oud)). Reclassering Nederland heeft volgens [appellant] niets ondernomen tegen zijn onmiddellijke verwijdering op 13 april 2016 van het terrein van [de instelling1] en heeft zich daarna onvoldoende ingespannen om hem teruggeplaatst te krijgen bij [de instelling1] , althans hem ergens anders in Nederland bij een soortgelijke zorgverlener onder te brengen. De overplaatsing was volgens [appellant] bovendien onterecht omdat hij zich aan alle voorwaarden heeft gehouden, wat extra reden had moeten zijn voor Reclassering Nederland om hem (meer) hulp en steun te bieden. Ook heeft Reclassering Nederland de rechtbank onterecht geadviseerd de TBS met dwangverpleging te hervatten. De reden dat [de instelling1] heeft besloten tot het beëindigen van de zorg was volgens [appellant] namelijk niet het feit dat [appellant] verdacht werd van het zoeken naar kinderporno, maar dat [de instelling1] vreesde voor imagoschade als mensen wisten dat [appellant] bij haar verbleef. [appellant] verwijst hierbij naar een e-mail van Reclassering Nederland waarin staat dat zij de rechtbank mogelijk niet negatief geadviseerd zou hebben als het alleen zou gaan om de kinderporno. Het beëindigen van de zorg door [de instelling1] is dus beslissend geweest voor het advies, terwijl die beëindiging plaatsvond op grond van dreigende imagoschade van [de instelling1] , die niet aan [appellant] kan worden toegerekend, aldus [appellant] .
3.11
Net als de kantonrechter volgt het hof [appellant] niet. Reclassering Nederland heeft de verwijten van [appellant] gemotiveerd betwist, met verwijzing naar haar verslagen van 9 mei 2016 (voortgangsverslag) en 4 november 2016 (adviesrapport), en heeft toegelicht wat zij heeft ondernomen en welke maatregelen binnen haar mogelijkheden liggen (en destijds lagen). Reclassering Nederland heeft terecht aangevoerd dat zij geen zeggenschap heeft over de beslissing van [de instelling1] om het verblijf van [appellant] te beëindigen. Daar kon zij binnen haar taak om hulp en steun aan [appellant] te bieden dus niets aan doen. Daar komt bij dat [appellant] indertijd met verschillende personen in de lokale gemeenschap openlijk sprak over zijn pedoseksuele voorkeur. Dat was buiten de kring van zijn begeleiders, en daarmee handelde [appellant] niet volgens de toen geldende voorwaarden. [appellant] is door [de instelling1] voor de risico’s van openheid aan derden gewaarschuwd, maar was daarin niet te corrigeren. Hij wist, of heeft althans kunnen begrijpen, dat hij daardoor zijn verblijf in gevaar bracht. Het ging [de instelling1] ook niet alleen om imagoschade; het bekend worden van het verblijf van [appellant] en de daarmee verbonden maatschappelijke onrust werd tevens als een veiligheidsrisico gezien voor de bewoners en medewerkers van [de instelling1] . Dit alles betekent dat als Reclassering Nederland al iets had kunnen ‘vinden’ van de beslissing van [de instelling1] om het verblijf van [appellant] te beëindigen, [appellant] het er zelf toe heeft geleid dat deze ruimte werd beperkt. Reclassering Nederland was in dat kader ook niet in een positie om bewijs te verlangen van [de instelling1] van een concrete dreiging van ‘pedojagers’ uit de buurt. Dat [appellant] zelf geen bewijs zegt te hebben gevonden voor zo’n dreiging, betekent niet dat die er niet was. Gezien de gebeurtenissen begin april 2016 (zie 3.5 hierboven) is hoe dan ook gebleken dat er ‘iets’ aan de hand was.
3.12
Volgens [appellant] blijft staan dat Reclassering Nederland op 12 of 13 april 2016 een alternatief voor verwijdering had moeten voorstellen, zoals een time-out of tijdelijke opvang bij [naam1] (waar [appellant] destijds een dag per week werkte). Het hof gaat hier niet in mee. Uit het verslag van Reclassering Nederland van 9 mei 2016 blijkt dat de situatie van [appellant] vroeg om professionele begeleiding en opschaling in het niveau van toezicht en controle. [naam1] kon dat niet bieden. Daar komt bij dat [appellant] was betrapt op het zoeken naar kinderporno. [appellant] heeft ook erkend dat hij de op zijn computer gevonden zoektermen heeft ingevoerd. Die erkenning was ter gelegenheid van de zitting bij de rechtbank die op 15 juni 2016 de TBS met dwangverpleging heeft hervat. Het hof hecht daarom geen waarde aan de ontkenning van [appellant] in de huidige procedure dat hij naar kinderporno heeft gezocht. Het zoeken door [appellant] naar kinderporno beperkte de (verzorgings-)alternatieven voor [appellant] . Ondanks deze omstandigheid heeft Reclassering Nederland niet stilgezeten, maar heeft voor [appellant] een tijdelijke plek geregeld bij [de instelling3] in [plaats4] , geprobeerd om met [de instelling1] een tussenoplossing te vinden, en vervolgens breed onderzoek gedaan naar eventuele doorplaatsingsmogelijkheden; de vraag hiernaar is – zo vermeldt het verslag van 9 mei 2016 – “
uitgezet bij leden van het TBS-casusoverleg, de contactfunctionarissen TBS in het land, [naam2] , plaatsingsloket van [naam3] (dat als geen ander op de hoogte is van zorginstellingen in het land), [naam4] . Het resultaat is dat er geen vergelijkbare setting is gevonden die de mate van controle en veiligheid biedt als [de instelling1] .” Reclassering Nederland heeft later nogmaals contact gehad met [de instelling1] , over de mogelijkheid tot een verzoeningsgesprek en eventuele terugkeer, maar [de instelling1] stond daar niet voor open. [appellant] trekt in twijfel dat Reclassering Nederland zich werkelijk voor hem heeft ingezet, maar het hof heeft geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de verslagen. [de instelling3] is weliswaar een gesloten tbs-kliniek, maar er was blijkbaar geen instelling voor begeleid wonen te vinden die [appellant] wilde opnemen. Er is ook nog gesproken over mogelijke verscherpte voorwaarden (met medicatie), maar [appellant] heeft dat geweigerd. Reclassering Nederland heeft in het verslag van 9 mei 2016 geconcludeerd dat [appellant] niet kan terugkeren in [de instelling1] en dat er geen voorzieningen zijn die een vergelijkbare waarborg bieden ter voorkoming van recidive. In de e-mail waar [appellant] naar verwijst zegt Reclassering Nederland inderdaad dat zij de rechtbank mogelijk niet negatief geadviseerd zou hebben “
als er alleen sprake was geweest van het zoeken naar kinderporno”. Maar het ging dus om méér dan dat; [appellant] kon ook niet voldoen aan de voorwaarde van het verblijven in een instelling voor begeleid wonen en wilde niet aan verscherpte (extra) voorwaarden meewerken, terwijl uit bedoelde e-mail blijkt dat Reclassering Nederland dat voor een eventuele doorstart wel noodzakelijk achtte. Het hof betrekt hier nog bij – zoals blijkt uit de beslissing van de rechtbank van 15 juni 2016 – dat voor het negatieve advies ook heeft meegewogen dat de psychiater die [appellant] heeft onderzocht heeft geconcludeerd dat hij “
zonder het huidig kader en strikte controle en toezicht (...) het risico hoog [acht] dat [appellant] zijn pedoseksuele gevoelens omzet in handelingen”.
3.13
Gelet op de gemotiveerde betwisting van Reclassering Nederland heeft [appellant] zijn stellingen – ook in hoger beroep – onvoldoende onderbouwd. Niet kan worden vastgesteld dat er sprake is van onrechtmatig handelen of nalaten van Reclassering Nederland. Het hof is dan ook van oordeel dat de gevorderde verklaring voor recht terecht is afgewezen door de kantonrechter.
Geen grond voor schadevergoeding
3.14
[appellant] vordert € 20.000,- aan schadevergoeding, met als grondslag onrechtmatig handelen van Reclassering Nederland. Nu Reclassering Nederland niet onrechtmatig heeft gehandeld, is de gevorderde schadevergoeding eveneens terecht afgewezen.
3.15
Daar komt bij dat niet is gebleken dat [appellant] schade heeft geleden door enig handelen of nalaten van Reclassering Nederland. [appellant] stelt, onder verwijzing naar artikel 6:106 sub b BW Pro, dat hij in zijn persoon is aangetast en vergelijkt hierbij de situatie in februari 2016 waarin hij (volgens hem) bijna onvoorwaardelijk uit de TBS zou komen met de uitzichtloze situatie waarin hij nu zit: TBS met dwangverpleging op een longstay-afdeling. Die vergelijking rust echter op een keten van aannames, in plaats van een voor de hand liggend hypothetisch scenario. Zelfs als Reclassering Nederland [de instelling1] in 2016 ertoe had kunnen bewegen om het verblijf als tussenoplossing voort te zetten, is immers niet gezegd dat [appellant] daar had kunnen blijven, gegeven de schending van de voorwaarden, laat staan dat de TBS dan definitief zou zijn beëindigd. Daar sluit op aan dat de beslissing om de TBS met dwangverpleging te hervatten, op 15 juni 2016 genomen door de rechtbank, is terug te voeren op de eigen gedragingen van [appellant] . De rechtbank overwoog immers: “
wat er zij van de handelwijze van [de instelling1] , vast staat dat veroordeelde ondanks aanwijzing én waarschuwing van de reclassering op internet gezocht heeft naar kinderporno. Hiermee heeft hij zich niet gehouden aan de bijzondere voorwaarden én zich weer in het delict scenario begeven. Dit maakt het naar het oordeel van de rechtbank noodzakelijk dat de verpleging van overheidswege wordt hervat.” Weliswaar is dit vonnis vernietigd in hoger beroep, waarna nog even de TBS onder voorwaarden is voorgezet, maar uiteindelijk is op 6 februari 2019 de TBS met dwangverpleging hervat. Daarna is deze nog meermaals verlengd. Door [appellant] is onvoldoende onderbouwd dat deze herhaalde voortzetting van zijn TBS met dwangverpleging niet zou hebben plaatsgevonden als Reclassering Nederland in 2016 anders zou hebben gehandeld. Al met al ontbreekt dus een (voldoende direct) causaal verband tussen het gestelde handelen/nalaten van Reclassering Nederland en de situatie waarin [appellant] zich nu bevindt. Ook dat is een reden voor afwijzing van de gevorderde schadevergoeding.
De conclusie
3.16
Het hoger beroep slaagt niet. Aan bewijslevering wordt niet toegekomen omdat [appellant] zijn stellingen onvoldoende heeft onderbouwd. Het hof zal het bestreden vonnis bekrachtigen. Omdat [appellant] in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof hem tot betaling van de proceskosten in hoger beroep veroordelen. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak. [3]
4.
De beslissing
Het hof:
4.1
bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht van 18 juni 2025;
4.2
veroordeelt [appellant] tot betaling van de volgende proceskosten van Reclassering Nederland:
€ 2.255,- aan griffierecht
€ 2.580,- aan salaris van de advocaat van Reclassering Nederland (2 procespunten x tarief II)
4.3
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mrs. G.R. den Dekker, J.P.H. van Driel van Wageningen en L. Spronck, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 30 juni 2026.

Voetnoten

2.Hof Arnhem-Leeuwarden 4 april 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:2911; Hof Den Haag 20 juni 2023, ECLI:NL:GHDHA:2023:1226.
3.HR 10 juni 2022, ECLI: NL:HR:2022:853.