ECLI:NL:GHARL:2026:4114

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
12 juni 2026
Publicatiedatum
22 juni 2026
Zaaknummer
21-002125-23
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 59a Vreemdelingenwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontvankelijkheid Openbaar Ministerie ondanks uitzetting verdachte naar Spanje

De verdachte werd tijdens een lopende strafprocedure zonder medeweten van het Openbaar Ministerie uitgezet naar Spanje. De raadsvrouw van verdachte verzocht om aanhouding van de zaak vanwege schending van het aanwezigheidsrecht, verwijzend naar eerdere jurisprudentie waarin het OM niet-ontvankelijk werd verklaard.

Het hof stelde een nader onderzoek in en concludeerde dat de uitzetting plaatsvond onder een andere naam dan die waaronder de verdachte bekend was bij het OM, waardoor het OM niet tijdig geïnformeerd was. Ook was niet gebleken dat het OM toestemming gaf voor de uitzetting, maar de verdachte was volgens vreemdelingenrechtelijk kader verwijderbaar.

Het hof oordeelde dat de uitzetting niet automatisch betekende dat het aanwezigheidsrecht van verdachte was geschonden, omdat verdachte niet had aangetoond dat hij afstand van zijn aanwezigheidsrecht had gedaan of dat hij niet naar Nederland kon terugkeren. Verdachte had onvoldoende maatregelen getroffen om zijn aanwezigheid bij de zitting te waarborgen.

Daarom was er geen sprake van een onherstelbare schending van het recht op een eerlijk proces zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro. Het Openbaar Ministerie werd ontvankelijk verklaard in de vervolging, terwijl verdachte zelf niet-ontvankelijk werd verklaard in het hoger beroep wegens gebrek aan inhoudelijke gronden.

Uitkomst: Het hof verklaart het Openbaar Ministerie ontvankelijk en de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep wegens onvoldoende naleving van het aanwezigheidsrecht.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-002125-23
Uitspraakdatum: 12 juni 2026
VERSTEK
Arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Utrecht, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, van 17 april 2023 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken, parketnummers 16-311473-22 en 16-300759-22, 16-306998-22, tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1978 in [geboorteplaats] ,
zonder bekende woon- of verblijfplaats.

Hoger beroep

Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 2 september 2024 en 29 mei 2026 en het onderzoek op de terechtzitting bij de politierechter van 17 april 2023.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.

Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie

Procesverloop
De politierechter in de rechtbank Midden-Nederland heeft de verdachte op 17 april 2023 op tegenspraak veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie weken, met aftrek van het voorarrest. Verdachte heeft tegen dit vonnis op 1 mei 2023 hoger beroep laten instellen door zijn gemachtigd raadsvrouw.
Op de zitting van het hof van 2 september 2024 heeft de (niet gemachtigde) raadsvrouw van verdachte een verzoek om aanhouding gedaan. Zij heeft daartoe aangevoerd dat zij de verdachte al geruime tijd niet heeft kunnen spreken (“ergens vorig jaar voor het laatst”), omdat hij ondanks de aanhangige strafprocedure in Nederland is uitgezet naar Spanje. Dit heeft ertoe geleid dat de verdachte niet kon worden opgeroepen voor de zitting van 2 september 2024 en dat hem (daarom ook) niet gevraagd kon worden of hij afstand van zijn aanwezigheidsrecht doet. De raadsvrouw heeft daarom verzocht de behandeling van de zaak aan te houden om duidelijkheid omtrent de uitzettingsprocedure te krijgen en om te achterhalen of de verdachte afstand van zijn aanwezigheidsrecht doet. Daarbij heeft zij gewezen op twee uitspraken (ECLI:NL:GHAMS:2019:4339 en ECLI:NL:RBGEL:2019:6394), waarbij het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk werd verklaard in de vervolging wegens schending van het aanwezigheidsrecht door de verdachte uit te zetten.
Het hof heeft op de zitting van 2 september 2024, na het standpunt van de advocaat-generaal gehoord te hebben, beslist dat de zaak voor onbepaalde tijd werd aangehouden. Bij tussenarrest van 16 september 2024 heeft het hof het Openbaar Ministerie bevolen nader onderzoek te verrichten naar de omstandigheden waaronder de uitzetting van de verdachte heeft plaatsgevonden en welke naam daarbij door de verdachte is gebruikt. Daarnaast is aan het Openbaar Ministerie de opdracht gegeven om (te proberen) de verdachte te traceren, zodat hem de vertaalde oproeping voor de volgende zitting bij het hof in persoon kon worden uitgereikt met daarbij een uitleg over hoe hij zijn aanwezigheidsrecht kan realiseren.
Naar aanleiding van voornoemd tussenarrest is door de politie op 4 januari 2025 een aanvullend proces-verbaal van bevindingen opgemaakt.
Hierin staat dat de verdachte op 2 augustus 2023, onder de [naam] , is uitgezet en aan [plaats] is overgedragen in het kader van een zogenaamde [naam] .
Op 2 juli 2024 is de verdachte opnieuw op grond van een [naam] uitgezet naar [plaats] , dit keer onder de naam [naam] . De bezwaren tegen het overdrachtsbesluit zijn op 18 juni 2024 door de rechtbank ongegrond verklaard. Het beroep tegen de bewaringsmaatregel als bedoeld in artikel 59a van de Vreemdelingenwet is op 1 juli 2024 ook ongegrond verklaard. Verdachte is op 2 juli 2024 met vlucht [vluchtnummer] naar [plaats] vertrokken.
Op de (door het hof bij tussenarrest geformuleerde) vragen of de onderhavige strafzaak met de verdachte is besproken, of hij afstand van zijn aanwezigheidsrecht heeft gedaan en of hij is gewezen op de mogelijkheden om zijn strafzaak alsnog bij te wonen, heeft de regievoerder van Dienst Terugkeer en Vertrek (DT&V), [naam] , ontkennend geantwoord. Deze onderwerpen zijn niet besproken, omdat niet bekend was dat er nog een strafzaak van hem liep. De strafzaak was namelijk niet zichtbaar op de registratiekaart van de verdachte.
Op de vraag of door het Openbaar Ministerie toestemming is gegeven voor uitzetting heeft de regievoerder geantwoord dat de verdachte in een vreemdelingentraject zat en hij volgens titel en identiteit “verwijderbaar” was.
Uit vergelijkend onderzoek van vingerafdrukken door de Spaanse autoriteiten volgt dat de naam ( [verdachte] ), de geboortedatum ( [geboortedatum] 1982) en de geboorteplaats ( [geboorteplaats] ) zoals door de verdachte waren opgegeven tijdens het politieverhoor (en waaronder de verdachte ook tijdens de procedure bij de rechtbank en het gerechtshof bekend was) onjuist blijken te zijn. Op 17 oktober 2023 kwam, nadat vingerafdrukken van de verdachte waren afgenomen, vanuit [land] de informatie dat de verdachte daar met een verblijfsvergunning geregistreerd staat onder de naam [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1978 in [geboorteplaats] ).
Ten slotte staat in het aanvullend proces-verbaal van bevindingen dat het huidige adres van de verdachte zowel door de Koninklijke Marechaussee als DT&V niet achterhaald kon worden. De vertaalde oproeping voor de zitting van het hof op 29 mei 2026 is daarom enkel (rechtsgeldig) aan het Openbaar Ministerie betekend. Tijdens die zitting was de (nog steeds) niet gemachtigde raadsvrouw van de verdachte, mr. J.P.W. Temminck Tuinstra, aanwezig.
Juridisch kader en beoordeling
De vraag die in deze zaak aan het hof voorligt, is of het Openbaar Ministerie gelet op de hierboven beschreven feitelijke gang van zaken rondom de uitzetting van de verdachte ontvankelijk is in de vervolging.
Het hof stelt voorop dat niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging slechts kan volgen indien een zodanig ernstige inbreuk op het recht van de verdachte op een eerlijke behandeling van zijn zaak is gemaakt dat geen sprake meer kan zijn van een eerlijk proces in de zin van artikel 6 van Pro het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Het moet dan gaan om een onherstelbare inbreuk op het recht op een eerlijk proces die niet op een aan de eisen van een behoorlijke en effectieve verdediging beantwoordende wijze is of kan worden gecompenseerd. Daarbij moet die inbreuk het verstrekkende oordeel kunnen dragen dat – in de bewoordingen van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens – “
the proceedings as a whole were not fair”. In gevallen waarin zich een of meerdere vormverzuimen hebben voorgedaan die aanvankelijk het recht van de verdachte op een eerlijke behandeling van de zaak in het gedrang hebben gebracht, maar die in voldoende mate zijn hersteld om het proces als geheel eerlijk te laten verlopen, biedt de hiervoor besproken maatstaf in beginsel geen ruimte voor niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging (vgl. Hoge Raad 1 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1889).
Het hof stelt in de onderhavige zaak vast dat de verdachte is uitgezet zonder dat het Openbaar Ministerie daarvan in kennis is gesteld en/of daartegen bezwaar kon maken. Dat betekent dat is gehandeld in strijd met de destijds geldende regeling van paragraaf A3/6.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000.
Deze bepaling houdt in dat ondanks een vertrekplicht
geenuitzetting plaatsvindt in geval de vreemdeling als verdachte van een misdrijf is aangehouden en het strafonderzoek niet door het Openbaar Ministerie is beëindigd (
sub c onder 1), de vreemdeling een strafvervolging wegens een misdrijf heeft lopen en op de strafvervolging niet onherroepelijk is beslist (
sub c onder 2), de vreemdeling tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf is veroordeeld en de opgelegde straf of strafrechtelijke maatregel niet is ondergaan (
sub c onder 3) of als aan de vreemdeling een vrijheidsontnemende maatregel is opgelegd en die maatregel niet is ondergaan (
sub c onder 4).
In deze gevallen mag echter
weltot uitzetting worden overgegaan als het Openbaar Ministerie of het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB) daartegen binnen drie werkdagen geen bezwaar maakt.
Dat de uitzetting van de verdachte ondanks het bepaalde in paragraaf A3/6.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000 heeft plaatsgevonden, is naar het oordeel van het hof niet aan nalaten of onoplettendheid van het Openbaar Ministerie te wijten.
Het hof weegt daarbij mee dat de verdachte tijdens de onderhavige strafprocedure in Nederland bekend stond onder de – door hem zelf opgegeven – naam [verdachte] . Niet kan worden uitgesloten dat dit ertoe heeft geleid dat de strafzaak tegen de verdachte niet zichtbaar was op de registratiekaart van [verdachte] , de naam waaronder de verdachte op 2 juli 2024 is uitgezet, en het Openbaar Ministerie daarom niet in het voornemen tot uitzetting van de verdachte is gekend.
Daar komt bij dat ook als het Openbaar Ministerie
weltijdig geïnformeerd zou zijn over het voornemen tot uitzetting, deze uitzetting niet zonder meer zou zijn opgeschort tot het moment waarop in zijn aanwezigheid op de lopende strafzaak (onherroepelijk) zou zijn beslist. De regeling strekt er immers primair toe dat het Openbaar Ministerie het belang van de Staat bij berechting kan stellen tegenover het algemene belang dat met uitzetting van de vreemdeling is gemoeid. Gelet op de context van voornoemde bepaling kan niet worden gesteld dat deze is bedoeld om het aanwezigheidsrecht van verdachten zonder verblijfsstatus in Nederland te garanderen (zie in dat kader ook de conclusie van advocaat-generaal Harteveld van 14 mei 2013, ECLI:NL:PHR:2013:69, overweging 6.5).
Daarnaast overweegt het hof dat de uitzetting van de verdachte er niet aan in de weg staat dat hij bij de behandeling van zijn zaak in hoger beroep in persoon aanwezig had kunnen zijn. In de eerste plaats merkt het hof op dat uit het dossier niet blijkt dat de verdachte in Nederland tot ongewenst vreemdeling is verklaard, zodat niet is gebleken dat hij op die grond hoefde te vrezen om strafrechtelijk vervolgd te worden als hij Nederland opnieuw zou binnenkomen. Verder is ook niet gebleken van andere, soortgelijke, beletselen om naar Nederland te komen met het oog op de uitoefening van zijn aanwezigheidsrecht. Mocht dat al anders zijn, dan had de verdachte, al dan niet door tussenkomst van zijn raadsvrouw, het Openbaar Ministerie om een
laissez-passerkunnen vragen.
Ten slotte neemt het hof in dit verband in aanmerking dat namens de verdachte hoger beroep is ingesteld. In dat geval mag naar het oordeel van het hof van de verdachte verwacht worden dat hij de in het maatschappelijk verkeer gebruikelijke maatregelen neemt om te voorkomen dat de appeldagvaarding hem niet bereikt of de inhoud daarvan hem niet bekend wordt. Daarbij geldt dat in ieder geval van de verdachte mag worden verwacht dat hij zich bereikbaar houdt voor zijn raadsvrouw, zodat hij (ook) via haar van het tijdstip van de behandeling van zijn zaak op de hoogte kan worden gesteld.
De raadsvrouw heeft echter meegedeeld dat zij al geruime tijd geen contact meer heeft met de verdachte. Dat het opnemen van contact met zijn raadsvrouw voor de verdachte onmogelijk zou zijn omdat hij ongeletterd is, zoals door de raadsvrouw is gesteld, is onvoldoende aannemelijk geworden. Daarbij weegt het hof mee dat de raadsvrouw de verdachte ook in eerste aanleg heeft bijgestaan en zij na de uitspraak van de politierechter door de verdachte gemachtigd is om hoger beroep namens hem in te stellen. Hieruit leidt het hof af dat de verdachte – ondanks zijn gestelde onvermogen om te lezen en te schrijven – eerder wel contact met haar kon onderhouden.
Onder deze omstandigheden dient het er naar het oordeel van het hof voor gehouden te worden dat de verdachte zelf onvoldoende maatregelen heeft getroffen om zijn aanwezigheidsrecht ter terechtzitting te realiseren, nog daargelaten dat de verdachte – anders dan in de door de raadsvrouw genoemde uitspraken het geval was – op geen enkele wijze kenbaar heeft gemaakt gebruik te willen maken van zijn aanwezigheidsrecht. Verdachte heeft het Openbaar Ministerie dan ook geen enkel handvat aangereikt om te kunnen en moeten bijdragen aan de effectuering van zijn aanwezigheidsrecht. Zijn afwezigheid op de zitting bij het hof van 29 mei 2026 kan het Openbaar Ministerie dan ook niet worden tegengeworpen.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het hof, ook na door het hof bevolen onderzoek naar de omstandigheden rondom de uitzettingsprocedure, niet is gebleken dat met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren ernstig inbreuk hebben gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde, waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan.
Nu ook geen andere feiten of omstandigheden zijn aangevoerd of anderszins aannemelijk zijn geworden die zouden moeten leiden tot niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie, is het Openbaar Ministerie ontvankelijk in de vervolging.

Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep

Verdachte heeft geen bezwaren opgegeven tegen het vonnis. Het hof ziet zelf geen redenen die een inhoudelijke behandeling van de zaak in hoger beroep noodzakelijk maken. Het hof verklaart de verdachte daarom niet-ontvankelijk in het door hem ingestelde hoger beroep.

BESLISSING

Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep.
Aldus gewezen door
mr. H.A. Stalenhoef, voorzitter,
mr. A.J. Smit en mr. L.G.J.M. van Ekert, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. C.D. Maris, griffier,
en op 12 juni 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.