ECLI:NL:GHARL:2026:4062

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
16 juni 2026
Publicatiedatum
19 juni 2026
Zaaknummer
24/1249
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10 lid 1 Wet BPMArt. 10 lid 2 Wet BPMArt. 10 lid 8 Wet BPMArt. 110 VWEU
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen naheffingsaanslag BPM wegens waardevermindering gebruikte auto

Belanghebbende is geconfronteerd met een naheffingsaanslag BPM van €4.137 voor een gebruikte Audi RS6 Avant. De aanslag is gebaseerd op een waardebepaling door de Inspecteur, die geen waardevermindering toekent voor schade, ontbrekend RDW-oordeel over kilometerstand en huurverleden.

Belanghebbende betwist dit en voert aan dat het taxatierapport waardeverminderingen bevat die in aanmerking moeten worden genomen. Het Hof oordeelt dat belanghebbende onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van meer dan normale gebruiksschade, een waardevermindering door het ontbreken van een RDW-oordeel, of een waardevermindering vanwege huurverleden.

Daarnaast beroept belanghebbende zich op het discriminatieverbod van artikel 110 VWEU Pro, maar slaagt er niet in de vereiste deskundige bewijsvoering te leveren. Het Hof bevestigt daarom de naheffingsaanslag en wijst het verzoek om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn af, omdat de termijn niet is overschreden.

Uitkomst: Het Gerechtshof bevestigt de naheffingsaanslag BPM en wijst het hoger beroep van belanghebbende af wegens onvoldoende bewijs voor waardevermindering.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
nummer BK-ARN 24/1249
uitspraakdatum: 16 juni 2026
Uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[belanghebbende]te
[woonplaats](hierna: belanghebbende)
tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank) van 17 mei 2024, nummer ARN 23/1636, in het geding tussen belanghebbende en
de
inspecteurvan de
Belastingdienst/Centrale Administratieve Processen(hierna: de Inspecteur)

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (BPM) opgelegd van € 4.137.
1.2.
Belanghebbende heeft daartegen bezwaar gemaakt. De Inspecteur heeft in zijn uitspraak op bezwaar het bezwaar ongegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende heeft daartegen beroep ingesteld. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. Vanwege overschrijding van de redelijke termijn heeft de Rechtbank de Inspecteur veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 1.000 en in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 218,75. Tot slot heeft de Rechtbank de Inspecteur opgedragen om het griffierecht van € 365 aan belanghebbende te vergoeden.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft een nader stuk en een pleitnota ingediend.
1.5.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 juni 2026. Namens belanghebbende is verschenen R.M.T.C. van Maassen-Bolsenbroek , bijgestaan door [taxateur] . Namens de Inspecteur zijn [naam1] en [naam2] verschenen.

2.Feiten

2.1.
Belanghebbende heeft voor een Audi RS6 Avant (hierna: de auto) op aangifte een bedrag van € 20.571 aan BPM voldaan.
2.2.
Bij de aangifte is een taxatierapport [1] gevoegd waarin onder meer de volgende waardeverminderingen in aanmerking zijn genomen:
  • meer dan normale gebruiksschade van € 7.538, zijnde schade van € 7.838 verminderd met € 300 conform matrix Autotelex (96,17%);
  • € 3.800 vanwege het ontbreken van een oordeel van de RDW over de kilometerstand van de auto;
  • € 7.899 vanwege huurverleden.
Op pagina 32 van dit taxatierapport is als “bewijs voormalige huurauto” een kopie opgenomen van “Zulassingsbescheinigung Teil I” waarop in een afwijkend lettertype is vermeld “SelbstF-VermietFzg”.
2.3.
De Inspecteur heeft een ‘onderzoek waardebepaling’ laten doen door de dienst Domeinen Roerende Zaken (hierna: DRZ). Belanghebbende heeft de auto desgevraagd niet getoond bij DRZ. Van het onderzoek heeft DRZ een rapport opgemaakt. Naar aanleiding van de bevindingen in dit rapport heeft de Inspecteur aan belanghebbende een naheffingsaanslag BPM opgelegd van € 4.137. Deze naheffingsaanslag is als volgt berekend:
Consumentenprijs (= historische nieuwprijs)
€ 240.100
Handelsinkoopwaarde (onbeschadigd)
(koerslijst Eurotax XchangeNet)
€ 108.772
Schade
-/- € 0
Geen oordeel kilometerstand
-/- € 0
Huurverleden
-/- € 0
= Handelsinkoopwaarde (beschadigd)
€ 108.772
Afschrijving = (1 – 108.772 / 240.100) x 100%
54,70%
Historische BPM (CO2-uitstoot 289 gr/km WLTP)
€ 55.786
Afschrijving (54,70%)
-/- € 30.514
= Verschuldigde BPM
€ 25.272
Extra leeftijdskorting [2]
-/- € 564
Door belanghebbende is betaald op aangifte
-/- € 20.571
Naheffingsaanslag
€ 4.137
2.4.
De Rechtbank heeft evenals de Inspecteur geen aanleiding gezien een waardevermindering in aanmerking te nemen vanwege schade, het ontbreken van een oordeel van de RDW over de kilometerstand van de auto of een huurverleden van de auto.

3.Geschil

3.1.
In geschil is of de naheffingsaanslag terecht en op het juiste bedrag is vastgesteld. Belanghebbende beantwoordt die vraag ontkennend, de Inspecteur bevestigend.
3.2.
De gemachtigde van belanghebbende heeft in hoger beroep aangevoerd dat voor het berekenen van de afschrijving ingevolge artikel 10, lid 2, Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (hierna: Wet BPM) de handelsinkoopwaarde moet worden verminderd met de waardeverminderende posten uit het taxatierapport:
(i) meer dan normale gebruiksschade van € 7.538, zijnde schade van € 7.838 verminderd met € 300 conform matrix Autotelex;
(ii) € 3.800 vanwege de omstandigheid dat de RDW geen oordeel heeft gegeven over de juistheid van de kilometerstand van de auto;
(iii) € 7.899 vanwege het huurverleden van de auto.
Voor het geval het Hof de waardeverminderende posten uit het taxatierapport niet (volledig) in aanmerking neemt, heeft belanghebbende zich rechtstreeks beroepen op het discriminatieverbod van artikel 110 VWEU Pro.
3.3.
Verder heeft belanghebbende verzocht om een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep.
3.4.
Ter zitting van het Hof heeft belanghebbende haar standpunt dat de Rechtbank een CO2-correctie had moeten toepassen op de historische nieuwprijs van € 240.100, die de Inspecteur bij het vaststellen van de naheffingsaanslag heeft gehanteerd en waarmee belanghebbende had ingestemd, onvoorwaardelijk en ondubbelzinnig ingetrokken.
3.5.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank voor zover het betreft het oordeel over de naheffingsaanslag, tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar en tot vernietiging van de naheffingsaanslag. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4.Beoordeling van het geschil

4.1.
De verschuldigde BPM met betrekking tot gebruikte personenauto’s, zoals de auto, wordt berekend met inachtneming van een vermindering. [3] Ingevolge artikel 10, lid 2, Wet BPM is deze vermindering de afschrijving, uitgedrukt in procenten van de som van de catalogusprijs en de BPM op het tijdstip waarop de auto voor het eerst in gebruik is genomen. Tussen partijen is niet in geschil dat voor de auto voor het berekenen van deze afschrijving, gelet op artikel 10, lid 8, Wet BPM, een taxatierapport mag worden gebruikt. Het Hof ziet geen reden om partijen hierin niet te volgen.
4.2.
De Inspecteur heeft zich evenwel op het standpunt gesteld dat het door belanghebbende ingebrachte taxatierapport vanwege diverse formele en materiële gebreken, zoals het ontbreken van een gedegen fysieke opname van de auto, niet kan dienen ter onderbouwing van de door belanghebbende voorgestane handelsinkoopwaarde in beschadigde staat. Naar het oordeel van het Hof kunnen, voor zover in het taxatierapport gebreken zitten, die gebreken gevolgen hebben voor de bewijskracht die aan het taxatierapport toekomt, maar heeft de stelling van de Inspecteur niet tot gevolg dat in dit geval aan dat rapport geen waarde kan worden gehecht.
4.3.
Hieronder bespreekt het Hof de door belanghebbende aangevoerde geschilpunten.
Handelsinkoopwaarde; waardevermindering in verband met meer dan normale gebruiksschade
4.4.
Het Hof overweegt dat het aan belanghebbende, die zich beroept op vermindering van de BPM, is om feiten te stellen en, bij betwisting daarvan door de Inspecteur, aannemelijk te maken, die kunnen leiden tot een vermindering van de verschuldigde belasting. Daarbij heeft te gelden dat normale gebruiksschade niet in mindering gebracht kan worden op de handelsinkoopwaarde van de auto. Onder normale gebruiksschade dient te worden verstaan slijtage en kleine beschadigingen die ontstaan door gebruik van een voertuig en die passen bij de leeftijd en kilometrage van het voertuig.
4.5.
De Inspecteur heeft de waardeverminderingen gemotiveerd betwist. Belanghebbende is er daartegenover niet in geslaagd aannemelijk te maken dat er sprake is van meer dan normale gebruiksschade. In de (uitvergrote) foto’s in het taxatierapport heeft het Hof niet de door belanghebbende gestelde - meer dan normale - lakschade, overmatige steenslag en krasvorming of andere bovenmatige schade kunnen constateren. Meer dan bij de leeftijd en kilometerstand van de auto passende normale gebruiksschade is ook anderszins niet door belanghebbende aannemelijk gemaakt. Het Hof wijst er in dat verband op dat de inkoopfactuur en de verkoopfactuur geen melding van schade maken en dat belanghebbende ook geen facturen of ander bewijs heeft overgelegd van reparaties die zij heeft uitgevoerd of heeft laten uitvoeren. De stelling dat bij een voertuig uit het luxe segment, een leeftijd van ongeveer een jaar en een kilometerstand van 23.166 geen gebruikssporen behoren, is niet onderbouwd, zodat het Hof daaraan voorbij gaat.
4.6.
Aangezien belanghebbende meer dan normale gebruiksschade niet aannemelijk heeft gemaakt, komt het Hof niet toe aan de beoordeling van de vraag welk deel van die schade tot waardevermindering leidt.
Handelsinkoopwaarde; waardevermindering in verband met ‘geen oordeel kilometerstand’
4.7.
Naar het oordeel van het Hof kan het ontbreken van een oordeel door de RDW over de kilometerstand een waardedrukkende factor zijn, te meer omdat dit in bepaalde situaties zou kunnen duiden op tellerfraude en dit oordeel een omstandigheid is die, ook bij latere overdrachten, aan de auto blijft kleven. De bewijslast dat ook in het onderhavige geval sprake is van een dergelijk waardedrukkend effect ten gevolge van het ontbreken van het oordeel van de RDW, rust op belanghebbende. [4]
4.8.
Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van een waardevermindering door het ontbreken van een oordeel door de RDW over de kilometerstand die niet reeds in de koerslijst is verdisconteerd. Belanghebbende heeft volstaan met algemene stellingen en zich daarbij niet toegespitst op de concrete situatie van de onderhavige auto. In het taxatierapport wordt door de taxateur wel verwezen naar de schade die het gevolg is van tellerfraude. Hij heeft, blijkens zijn toelichting, de waardevermindering die het gevolg zou zijn van het ontbreken van een oordeel van de RDW over de kilometerstand verbonden aan de schade die het gevolg is van tellerfraude. Dit terwijl tussen partijen niet in geschil is dat er geen omstandigheden zijn die duiden op tellerfraude. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, maakt belanghebbendes taxateur daarmee niet aannemelijk of, en zo ja in hoeverre, aan het ontbreken van dat oordeel van de RDW zelf een waardevermindering moet worden toegekend Gelet daarop is belanghebbende met het taxatierapport en hetgeen zij overigens heeft aangevoerd niet erin geslaagd een waardevermindering in verband met ‘geen oordeel kilometerstand’ aannemelijk te maken.
Handelsinkoopwaarde; waardevermindering in verband met huurverleden
4.9.
Het huurverleden van een auto kan een waardedrukkende factor zijn. De bewijslast dat ook in het onderhavige geval sprake is van een dergelijk waardedrukkend effect, rust op belanghebbende.
4.10.
In het taxatierapport heeft de taxateur een correctie van € 7.899, zijnde 7,5% van de door hem gehanteerde handelsinkoopwaarde onbeschadigd, in aanmerking genomen enkel vanwege het stigma dat op een gebruikte huurauto rust. Ter onderbouwing dat sprake is van een gebruikte huurauto heeft de taxateur gewezen op de Zulassungsbescheinigung Teil I, waarop de voormalige eigenaar van de auto vermeld staat en “SelbstF-VermietFzg”.
4.11.
De Inspecteur heeft gemotiveerd betwist dat sprake zou zijn van een gebruikte huurauto en van de gestelde waardevermindering. Volgens de Inspecteur vormt de enkele verwijzing naar het kentekenbewijs geen bewijs dat sprake is van een voormalige huurauto. De vermelding “SelbstF-VermietFzg” wil niet meer zeggen dan dat de auto op deze wijze in het Duitse kentekenregister is geregistreerd, maar niet dat de auto voor kortdurende verhuur met telkens wisselende bestuurders is gebruikt. De auto zou ook als lease- of demoauto kunnen zijn gebruikt. Die vermelding levert dan ook geen stigma op. Daarnaast blijkt uit de inkoopfactuur niet dat het zou gaan om een voormalige huurauto, eerder om lease. De taxateur heeft niet vastgesteld of sprake is geweest van wisselend gebruik van de auto. Belanghebbende heeft ook geen verkoopfactuur overgelegd die haar stelling onderbouwt, aldus nog steeds de Inspecteur.
4.12.
Het Hof is van oordeel dat belanghebbende, tegenover de gemotiveerde betwisting door de Inspecteur, niet aannemelijk heeft gemaakt dat de auto een ex-rental is. Hierbij heeft het Hof in aanmerking genomen dat de vermelding op het Duitse kentekenbewijs niets zegt over het daadwerkelijk verhuurd zijn van de auto, dat op de inkoopfactuur niet staat vermeld dat de auto een huurverleden heeft en dat belanghebbende tegenover de gemotiveerde betwisting door de Inspecteur niet heeft gesteld of aannemelijk heeft gemaakt dat zij bij verkoop van de auto melding heeft gemaakt van een huurverleden van de auto. Daarnaast heeft belanghebbende tegenover de gemotiveerde betwisting door de Inspecteur een stigma vanwege de vermelding op het Duitse kentekenbewijs niet aannemelijk gemaakt. Gelet op het voorgaande is belanghebbende met het taxatierapport niet erin geslaagd een waardevermindering in verband met een huurverleden van de auto aannemelijk te maken.
Artikel 110 VWEU Pro
4.13.
Uit het voorgaande volgt dat belanghebbende met het taxatierapport geen waardevermindering aannemelijk heeft gemaakt. Het Hof komt daarom toe aan de beoordeling van het beroep van belanghebbende op het discriminatieverbod van artikel 110 VWEU Pro.
4.14.
De omstandigheid dat belanghebbende niet via de taxatiemethode haar aanspraak op een waardevermindering kan verzilveren, laat onverlet dat zij in dit concrete geval met succes een beroep zou kunnen doen op het discriminatieverbod van artikel 110 VWEU Pro. In dat geval moet belanghebbende ter weerlegging van de onderhavige naheffingsaanslag aannemelijk maken dat het geheven bedrag aan BPM hoger is dan het restbedrag aan BPM dat is vervat in de handelswaarde van een of meer gelijksoortige, gebruikte personenauto’s die al in het binnenland zijn geregistreerd. Daartoe moet belanghebbende de werkelijke handelswaarde van de auto aantonen. Om dat te staven moet belanghebbende op basis van deskundigenonderzoek aantonen dat er ten tijde van de registratie een gelijksoortige, gebruikte personenauto met een vergelijkbare RDW-registratie (‘geen oordeel kilometerstand’), vergelijkbare vermelding op het Duitse kentekenbewijs en vergelijkbare schade in Nederland was geregistreerd en wat daarvan de waardeverminderende invloed op de handelsinkoopwaarde werkelijk is geweest ten opzichte van gelijksoortige, gebruikte personenauto’s die toentertijd in Nederland waren geregistreerd en niet een dergelijke RDW-registratie, vermelding op het Duitse kentekenbewijs en schade kenden. Een verwijzing naar een algemeen bekend feit en/of een schatting in goede justitie is niet voldoende. [5]
4.15.
Belanghebbende heeft naar het oordeel van het Hof niet aan deze bewijslast voldaan, aangezien zij in deze procedure geen bewijs heeft bijgebracht dat voldoet aan deze door de Hoge Raad geformuleerde maatstaf. De enkele vermelding van een referentievoertuig in het nader stuk van 21 mei 2026 – waarop belanghebbende zich beroept – kan niet als een dergelijk deskundigenonderzoek worden aangemerkt. Dit betekent dat belanghebbende ook via het Unierecht geen recht heeft op de door hem in hoger beroep bepleite verminderingen.
4.16.
Het voorgaande betekent dat de naheffingsaanslag in stand blijft. Het Hof komt daarom niet toe aan het verzoek van de Inspecteur om interne compensatie toe te passen.
Schadevergoeding overschrijding redelijke termijn hoger beroep
4.17.
Belanghebbende heeft verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep.
4.18.
Belanghebbende heeft op 17 juni 2024 (pro forma) hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de Rechtbank. Het Hof doet op 16 juni 2026 uitspraak. Dat betekent dat de redelijke termijn van twee jaar in hoger beroep niet is overschreden. Het Hof ziet daarom geen aanleiding tot het toekennen van een schadevergoeding.
SlotsomOp grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond.

5.Griffierecht en proceskosten

Omdat het hoger beroep ongegrond is, ziet het Hof geen aanleiding voor een vergoeding van het griffierecht of de proceskosten.

6.Beslissing

Het Hof:
– bevestigt de uitspraak van de Rechtbank,
– wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Breij, voorzitter, mr. A.J.H. van Suilen en mr. G.B.A. Brummer, in tegenwoordigheid van mr. G.J. van de Lagemaat als griffier.
De beslissing is op 16 juni 2026 in het openbaar uitgesproken.
De griffier, De voorzitter,
(G.J. van de Lagemaat) (M.M. Breij)
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

1.Het taxatierapport is op 15 april 2021 ondertekend door R.A. Nagy, N.F.V. van de Pol en [taxateur] van Bolsenbroek & Partners BV.
2.€ 25.272 / (1-0,3522) x (0,3666 -/- 0,3522) = € 564
3.Artikel 10, lid 1, Wet BPM.
4.Vgl. Hof Arnhem-Leeuwarden 21 maart 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:2453, r.o. 4.22 en Hof Arnhem-Leeuwarden 23 juli 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:4876, r.o. 4.14.
5.Vgl. HR 2 februari 2024, ECLI:NL:HR:2024:147, r.o. 3.6.2.