Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:406

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
20 januari 2026
Publicatiedatum
23 januari 2026
Zaaknummer
24/993
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 225 GemeentewetArt. 231 GemeentewetArt. 25 AWRArt. 7:2 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen naheffingsaanslag parkeerbelasting en schending hoor- en inzagerecht

Belanghebbende kreeg een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd omdat zijn auto zonder geldige vergunning stond geparkeerd op een plek met betaald parkeren. De rechtbank verklaarde het beroep van belanghebbende ongegrond. In hoger beroep betwistte belanghebbende de rechtmatigheid van de aanslag en stelde dat het hoor- en inzagerecht was geschonden omdat hij niet voor een fysieke hoorzitting was uitgenodigd.

Het hof stelde vast dat de auto daadwerkelijk geparkeerd stond en dat de heffingsambtenaar bevoegd was de naheffingsaanslag en uitspraak op bezwaar te doen, mede op grond van mandaatbesluiten. De heffingsambtenaar had belanghebbende meerdere malen uitgenodigd voor een telefonische hoorzitting, waarop geen reactie kwam. Het hof oordeelde dat hiermee voldoende gelegenheid was geboden om gehoord te worden en dat het afzien van een fysieke hoorzitting gerechtvaardigd was.

Ook het inzagerecht was niet geschonden omdat het hoorrecht niet werd beperkt. Het hof concludeerde dat de naheffingsaanslag terecht was opgelegd en verklaarde het hoger beroep ongegrond. Er werd geen vergoeding van griffierecht of proceskosten toegewezen.

Uitkomst: Het hof bevestigt de naheffingsaanslag parkeerbelasting en oordeelt dat het hoorrecht niet is geschonden ondanks het ontbreken van een fysieke hoorzitting.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

locatie Arnhem
nummer BK-ARN 24/993
uitspraakdatum: 20 januari 2026
Uitspraak van de achttiende enkelvoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[belanghebbende]te
[woonplaats](hierna: belanghebbende)
tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank) van 11 maart 2024, nummer AWB23/1668, in het geding tussen belanghebbende
en
de
heffingsambtenaarvan de
gemeente Arnhem(hierna: de heffingsambtenaar)

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
De heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag in parkeerbelasting opgelegd ten bedrage van € 2,90 en daarbij tevens een bedrag van € 61,00 aan kosten in rekening gebracht.
1.2.
De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 november 2025. Daarbij zijn verschenen [naam1] , namens de heffingsambtenaar, bijgestaan door [naam2] . De gemachtigde van belanghebbende heeft zich afgemeld voor de zitting. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat bij deze uitspraak is gevoegd.
1.6.
De heffingsambtenaar heeft ter zitting nadere stukken overgelegd. Het Hof heeft daarin aanleiding gezien het vooronderzoek te heropenen om belanghebbende in de gelegenheid te kunnen stellen op de nadere stukken te reageren. Het Hof heeft op 3 december 2025 een reactie van belanghebbende ontvangen. Het Hof heeft partijen vervolgens geïnformeerd dat het zich voldoende geïnformeerd acht en een nadere zitting achterwege zal worden gelaten, tenzij een van de partijen binnen de daartoe gestelde termijn kenbaar maakt dat zij op een zitting wil worden gehoord. Zowel belanghebbende als de heffingsambtenaar hebben vervolgens niet binnen de daartoe door het Hof gestelde termijn te kennen gegeven dat zij op een nadere zitting wensen te worden gehoord. Het Hof heeft daarop het onderzoek (wederom) gesloten.

2.Vaststaande feiten

2.1.
Op 30 juni 2022 rond 14:26 uur is tijdens een controle vastgesteld dat de auto van belanghebbende met het kenteken [kenteken1] (hierna: de auto) in de Damstraat te Arnhem stond. Op deze locatie en op dat tijdstip was sprake van betaald parkeren. Geconstateerd is dat de auto geen geldig parkeervergunning had en er voor de auto geen parkeerbelasting was voldaan voor dat tijdstip.
2.2.
De heffingsambtenaar heeft met dagtekening 5 juli 2022 de naheffingsaanslag opgelegd.
2.3.
De gemachtigde van belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de naheffingsaanslag. In zijn bezwaarschrift heeft de gemachtigde, voor zover hier van belang, het volgende geschreven:
“Na ontvangst van de op de zaak betrekking hebbende stukken zal het bezwaar nader worden gemotiveerd mits daartoe redenen zijn. Ik verzoek om vergoeding van de kosten die betrokkene i.v.m. de behandeling van dit bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken / maken (bestaande uit door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Tevens wordt verzocht om het bezwaar ontvankelijk en gegrond te verklaren en om te worden gehoord. Nu wordt het standpunt ingenomen dat er geen sprake was van parkeren.”.
2.4.
Bij e-mail van 6 oktober 2022 heeft de heffingsambtenaar aan de gemachtigde van belanghebbende een brief gestuurd met als bijlagen de tijdens de controle gemaakte foto’s van de auto.
2.5.
Bij e-mail van eveneens 6 oktober 2022 heeft de heffingsambtenaar de gemachtigde van belanghebbende een brief gestuurd waarin hij de gemachtigde uitnodigt voor een telefonisch hoorgesprek. In deze brief staat – voor zover hier van belang – het volgende geschreven:

In uw bezwaarschrift verzoekt u om bij de behandeling van uw bezwaarschrift gehoord te worden. Ik merk op dat een hoorzitting is bedoeld voor het aanvullen van uw bezwaargronden of voor het geven van een nadere toelichting op uw bezwaarschrift. De hoorzitting is niet bedoeld voor het herhalen van de gronden die u reeds in uw bezwaarschrift heeft opgenomen.
Mocht u, het bovenstaande in acht genomen, nog altijd een hoorzitting wensen, nodig ik u uit voor een telefonische hoorzitting op 20-10-2022 om 14:00 uur. Ik verzoek u vriendelijk mij binnen twee weken na de dagtekening van dit bericht te laten weten of u een hoorzitting wenst en zo ja, of de datum u schikt en op welk telefoonnummer u bereikbaar bent voor deze hoorzitting.
De heffingsambtenaar heeft geen reactie van de gemachtigde van belanghebbende ontvangen op deze uitnodiging.
2.6.
Bij e-mail van 21 oktober 2022 heeft de heffingsambtenaar de gemachtigde van belanghebbende opnieuw een brief gestuurd van gelijke strekking als de hiervoor bij 2.5. genoemde brief, waarin hij de gemachtigde uitnodigt voor een telefonisch hoorgesprek op 4 november 2022 om 14:00. De heffingsambtenaar heeft geen reactie van de gemachtigde van belanghebbende ontvangen op deze uitnodiging.
2.7.
Bij e-mail van 8 november 2022 heeft de heffingsambtenaar de gemachtigde van belanghebbende wederom een brief gestuurd van gelijke strekking als de hiervoor bij 2.5. genoemde brief, waarin hij de gemachtigde uitnodigt voor een telefonisch hoorgesprek op 18 november 2022 om 13:00. De heffingsambtenaar heeft geen reactie van de gemachtigde van belanghebbende ontvangen op deze uitnodiging.
2.8.
Namens de heffingsambtenaar heeft de directeur van [bedrijfsnaam] op 23 november 2011 uitspraak op bezwaar gedaan en daarbij het bezwaar ongegrond verklaard.
2.9.
Tot de gedingstukken behoort een besluit van 13 juni 2017 van het college van burgermeester en wethouders van de Gemeente Arnhem waarin – voor zover hier van belang – het volgende is opgenomen:
HET COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN WETHOUDERS VAN DE GEMEENTE ARNHEM
[…]
B E S L U I T:
[…]
II. Aan te wijzen als gemeenteambtenaar, bedoeld in artikel 231, tweede lid, onder b van de Gemeentewet, de volgende gemeenteambtenaar (de Heffingsambtenaar):
- mevrouw mr. [naam3] , met betrekking tot parkeerbelasting, leges, marktgelden en scheepvaartrechten;
[…]
Te bepalen dat:
a. dit besluit wordt aangehaald als: Aanwijzingsbesluit ambtenaren inzake belastingen gemeente Arnhem;
b. het aanwijzingsbesluit van 22 december2015, documentnummer 2015.0.098.833 wordt ingetrokken;
c. dit besluit in werking treedt op 1 juli 2017”

3.Geschil

3.1.
In geschil is of de naheffingsaanslag terecht is opgelegd en of de heffingsambtenaar het hoor- en inzagerecht heeft geschonden.
3.2.
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de naheffingsaanslag ten onrechte en onbevoegd is opgelegd, dat de heffingsambtenaar het hoor- en inzagerecht heeft geschonden en dat de uitspraak op bezwaar onbevoegd is gedaan. De heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4.Beoordeling van het geschil

Naheffingsaanslag
4.1.
Op grond van artikel 225, lid 1, aanhef en onder a, van de Gemeentewet, kan een belasting worden geheven ter zake van het parkeren van een voertuig op een bij de belastingverordening dan wel krachtens de belastingverordening in de daarin aangewezen gevallen door het college van burgemeester en wethouders te bepalen plaats, tijdstip en wijze. In het tweede lid van dit artikel is, voor zover van belang, bepaald dat voor de toepassing van het eerste lid onder parkeren wordt verstaan het gedurende een aaneengesloten periode doen of laten staan van een voertuig, anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- en uitstappen van personen dan wel het onmiddellijk laden of lossen van zaken, op de binnen de gemeente gelegen voor het openbaar verkeer openstaande terreinen of weggedeelten, waarop dit doen of laten staan niet ingevolge een wettelijk voorschrift is verboden. In de van toepassing zijnde Parkeerverordening 2022 van de gemeente Arnhem 2022 [1] wordt hierbij aangesloten.
4.2.
Vaststaat dat de auto op 30 juni 2022 rond 14:26 uur heeft stilgestaan op een plaats voor ‘betaald parkeren’ in de Damstraat te Arnhem, zonder dat de daarvoor verschuldigde parkeerbelasting was voldaan.
4.3.
Belanghebbende stelt dat de naheffingsaanslag niettemin ten onrechte is opgelegd, omdat volgens hem geen sprake was van parkeren. De heffingsambtenaar heeft deze stelling van belanghebbende gemotiveerd betwist, onder verwijzing naar de foto’s die zijn gemaakt tijdens de controle. Op deze foto’s is duidelijk te zien dat de auto geparkeerd stond. Zonder nadere onderbouwing, die belanghebbende niet heeft gegeven, valt daarom niet in te zien dat van parkeren geen sprake was. Het Hof is daarom van oordeel dat de heffingsambtenaar de naheffingsaanslag in zoverre terecht heeft opgelegd.
Bevoegdheid tot opleggen naheffingsaanslag en het doen van uitspraak op bezwaar
4.4.
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat zowel de naheffingsaanslag alsmede de uitspraak op bezwaar onbevoegd zijn genomen. De heffingsambtenaar meent dat beide besluiten bevoegd zijn genomen, mede gelet op de mandaatverlening door de heffingsambtenaar.
4.5.
Volgens artikel 231, lid 2, aanhef en letter b, van de Gemeentewet gelden de in de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) neergelegde bevoegdheden en verplichtingen van de inspecteur, waaronder dus het vaststellen van naheffingsaanslagen en het doen van uitspraak op bezwaar inzake naheffingsaanslagen, met betrekking tot gemeentelijke belastingen, waaronder de parkeerbelasting, voor de gemeenteambtenaar belast met de heffing van gemeentelijke belastingen. Het college van burgermeester en wethouders van de gemeente Arnhem heeft in het Aanwijzingsbesluit heffings- en invorderingsambtenaar gemeente Arnhem van 13 juni 2017 (zie 2.9.), mevrouw mr. [naam3] , werkzaam bij de gemeente Arnhem, aangewezen als heffingsambtenaar belast met de heffing van parkeerbelasting. Dit aanwijzingsbesluit is vervangen door een Aanwijzingsbesluit heffings- en invorderingsambtenaar gemeente Arnhem van 12 juli 2022 waarin mevrouw mr. [naam3] (wederom) is aangewezen als heffingsambtenaar belast met de heffing van parkeerbelasting. [2] In het Mandaatbesluit parkeerbelastingen heffings- en invorderingsambtenaar Arnhem 2022, van 28 maart 2022 [3] heeft de heffingsambtenaar met betrekking tot de aan haar toekomende bevoegdheden inzake gemeentelijke belastingen mandaat verleend aan onder andere de parkeercontroleurs van [bedrijfsnaam] voor het vaststellen van naheffingsaanslagen parkeerbelasting, en aan de directeur van [bedrijfsnaam] en de coördinator afdeling bezwaarschriften van [bedrijfsnaam] voor het afhandelen van bezwaarschriften tegen de naheffingsaanslagen parkeerbelasting. Uit voornoemde besluiten volgt dat de naheffingsaanslag, die is vastgesteld door de heffingsambtenaar, en de uitspraak op bezwaar, die is gedaan door de directeur van [bedrijfsnaam] , door daartoe bevoegde personen respectievelijk zijn vastgesteld en gedaan.
Schending hoor- en inzagerecht
4.6.
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de heffingsambtenaar het hoorrecht heeft geschonden, omdat de heffingsambtenaar belanghebbende niet heeft uitgenodigd voor een fysieke hoorzitting. Belanghebbende wijst er daarbij op dat hij niet heeft verzocht om een telefonische hoorzitting en dat de heffingsambtenaar hem daarom had moeten uitnodigen voor een fysieke hoorzitting. Daarnaast is belanghebbende van mening dat de heffingsambtenaar in de bezwaarfase ten onrechte niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft verstrekt.
4.7.
Op grond van artikel 25, lid 1, van de AWR, wordt de belanghebbende, in afwijking van artikel 7:2 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb), gehoord op zijn verzoek. Vast staat dat de gemachtigde van belanghebbende heeft verzocht te worden gehoord. Het ligt dan vervolgens op de weg van de heffingsambtenaar om de gemachtigde van belanghebbende in de gelegenheid te stellen te worden gehoord. De heffingsambtenaar heeft belanghebbende tot driemaal toe uitgenodigd voor een telefonisch hoorgesprek (zie 2.5. – 2.7.). De gemachtigde heeft niet gesteld dat hij deze uitnodigingen niet heeft ontvangen, maar heeft verklaard dat hij op die uitnodigingen niet heeft gereageerd, omdat hij fysiek wenste te worden gehoord.
4.8.
Uit de omstandigheid dat de heffingsambtenaar geen reactie ontvangt op een door hem aan (de gemachtigde van) een belanghebbende gedaan voorstel tot het houden van een hoorzitting, mag de heffingsambtenaar niet zonder meer afleiden dat de belanghebbende (stilzwijgend) afstand heeft gedaan van zijn recht om gehoord te worden. Het uitblijven van een reactie binnen de gestelde termijn kan immers ook een andere oorzaak of andere reden hebben. Indien de heffingsambtenaar twijfelt of over de vraag of een belanghebbende al dan niet toestemming heeft gegeven om van het horen af te zien, blijft de heffingsambtenaar gehouden een belanghebbende alsnog in de gelegenheid te stellen om te worden gehoord. De heffingsambtenaar kan die gelegenheid bieden door belanghebbende (wederom) uit te nodigen voor een hoorgesprek op een door de heffingsambtenaar vastgesteld tijdstip en plaats. [4]
4.9.
Het Hof is van oordeel dat de heffingsambtenaar belanghebbende in dit geval voldoende gelegenheid heeft geboden om te worden gehoord en na het uitblijven van enige reactie van de gemachtigde van belanghebbende op de drie uitnodigingen voor een hoorzitting niet meer behoefde te twijfelen dat de gemachtigde van belanghebbende niet meer wenste te worden gehoord en daarom mocht afzien van het horen. De heffingsambtenaar heeft de gemachtigde van belanghebbende met zijn herhaalde uitnodigingen over een periode van ruim zes weken voldoende gelegenheid geboden om in ieder geval kenbaar te maken dat hij nog steeds wenste te worden gehoord, maar de gemachtigde heeft van die gelegenheid geen gebruik gemaakt. Het Hof betrekt bij dit oordeel ook de omstandigheid dat de gemachtigde in zijn bezwaarschrift enkel het standpunt heeft ingenomen dat er geen sprake was van parkeren en in zijn bezwaarschrift heeft geschreven dat hij het bezwaar nader zou motiveren, mits daartoe, na ontvangst van de op de zaak betrekking hebbende stukken, redenen voor zouden zijn. De heffingsambtenaar heeft gelijktijdig met de eerste uitnodiging voor een hoorgesprek al aan de gemachtigde de foto’s gestuurd waaruit duidelijk volgt dat de auto van belanghebbende geparkeerd staat. De heffingsambtenaar heeft vervolgens geen nadere motivering van het bezwaar van belanghebbende ontvangen.
4.10.
De omstandigheid dat de heffingsambtenaar in zijn uitnodigingen belanghebbende heeft uitgenodigd voor een telefonische hoorzitting, doet niet af aan het oordeel dat de heffingsambtenaar in dit geval mocht afzien van het horen. De wet sluit niet uit dat een belanghebbende telefonisch wordt gehoord ingeval deze daarmee instemt of daarom verzoekt, en dit horen voldoende zorgvuldig kan geschieden. In het algemeen kan met telefonisch horen worden volstaan als het bestuursorgaan en de belanghebbende allebei vinden dat deze wijze van horen volstaat. [5] De heffingsambtenaar was kennelijk van oordeel in dit geval met telefonisch horen kon worden volstaan. Het Hof acht dit geen onlogisch uitgangspunt, nu het ging om een naheffingsaanslag parkeerbelasting, waartegen in het bezwaarschrift slechts uiterst summier gronden waren aangevoerd. De heffingsambtenaar kon er daarom mee volstaan belanghebbende uit te nodigen voor een telefonische hoorzitting op een door hem gekozen datum en tijdstip. Het lag vervolgens op de weg van de gemachtigde om in reactie op de uitnodigingen van de heffingsambtenaar aan te geven of hij al dan niet wenste in te stemmen met een telefonische hoorzitting en aan te geven dat dat hij wel fysiek wenste te worden gehoord.
4.11.
Nu het Hof van oordeel is dat de heffingsambtenaar mocht afzien van het horen van belanghebbende, had belanghebbende ook geen recht op inzage in de op de zaak betrekking hebbende stukken. Reeds daarom kan de stelling van belanghebbende dat het inzagerecht is geschonden nergens toe leiden. [6]
Slotsom4.12. Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond.

5.Griffierecht en proceskosten

Het Hof ziet geen aanleiding voor vergoeding van het griffierecht of een veroordeling in de proceskosten.

6.Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.R. van der Heide, lid van de achttiende enkelvoudige belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. H. de Jong als griffier.
De beslissing is op 20 januari 2026 in het openbaar uitgesproken.
De griffier, De raadsheer,
(H. de Jong) (R.R. van der Heide)
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

1.Verordening Parkeren en Parkeerbelastingen 2022 van 10 november 2021, Gemeenteblad nr. 450588, 13 december 2021.
2.Te vinden op: https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR679620/1.
3.Te vinden op: https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR675075/1.
4.Zie Hoge Raad 15 mei 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI3751 en Hoge Raad 18 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:59.
5.Zie Hoge Raad 14 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2306.
6.Zie Hoge Raad 18 augustus 2023, ECLI:NL:HR:2023:1107, r.o. 3.4.