ECLI:NL:GHARL:2026:3979

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
16 juni 2026
Publicatiedatum
16 juni 2026
Zaaknummer
200.358.407
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 143 RvArt. 6 EVRMRichtlijn 93/13/EEGRichtlijn 2011/83/EUArtikel 4 lid 2 richtlijn 93/13/EEG
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep over consumentenbescherming en oneerlijk kostenbeding in juridische dienstverlening

In deze civiele zaak heeft de jurist juridische werkzaamheden verricht voor de cliënt, die eigenaar was van twee panden. De jurist vorderde betaling van facturen voor haar diensten, maar de cliënt betwistte de hoogte en transparantie van het kostenbeding. De rechtbank wees de vordering af wegens een oneerlijk kostenbeding en tijdig verzet van de cliënt tegen het verstekvonnis.

In hoger beroep bevestigde het hof dat het verzet tijdig was ingesteld, ondanks dat het vonnis niet persoonlijk was betekend. Het hof oordeelde dat de cliënt als consument moet worden aangemerkt, omdat de juridische dienstverlening niet verband hield met zijn beroepsactiviteiten, ondanks dat hij ook ondernemer was.

Het hof stelde vast dat het kostenbeding niet transparant was, omdat het uurtarief van €180 eenzijdig was vastgesteld en de cliënt onvoldoende geïnformeerd was over de financiële consequenties. Dit beding werd daarom vernietigd als oneerlijk. De vordering van de jurist kon niet worden toegewezen zonder het kostenbeding, en aanvullende vorderingen werden eveneens afgewezen.

Het hof bekrachtigde het vonnis van de rechtbank en veroordeelde de jurist tot betaling van de proceskosten van de cliënt. De uitspraak is uitvoerbaar bij voorraad en benadrukt het belang van transparantie en consumentenbescherming in overeenkomsten voor juridische diensten.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank en wijst de vordering van de jurist af wegens een oneerlijk en niet-transparant kostenbeding.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.358.407
zaaknummer rechtbank Overijssel 319522
arrest van 16 juni 2026
in de zaak van
[appellant]
die woont in [woonplaats1]
hierna: [de jurist]
advocaat: mr. S. Volk (onttrokken)
tegen:
[geïntimeerde]
die woont in [woonplaats2]
hierna: [de cliënt]
advocaat: mr. L. Bezoen

1.Het verloop van de procedure in hoger beroep

1.1.
[de jurist] heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen het vonnis (in verzet) dat de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, (hierna: de rechtbank) op 21 mei 2025 tussen partijen heeft uitgesproken. [1] Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
  • de dagvaarding in hoger beroep met grieven
  • de memorie van antwoord
  • het verslag (proces-verbaal) van de mondelinge behandeling van 1 april 2026.

2.De kern van de zaak

2.1.
[de jurist] heeft juridische werkzaamheden uitgevoerd voor [de cliënt] . Zij heeft voor die werkzaamheden facturen gestuurd die [de cliënt] voor een groot deel onbetaald heeft gelaten.
2.2.
[de jurist] heeft bij de rechtbank gevorderd dat [de cliënt] wordt veroordeeld tot betaling van haar facturen voor een totaalbedrag van € 44.925,60, vermeerderd met rente en kosten.
2.3.
Omdat [de cliënt] eerst niet was verschenen bij de rechtbank is hij in een verstekvonnis veroordeeld tot betaling van het gevorderde bedrag. Tegen dat vonnis is [de cliënt] in verzet gekomen. In het vonnis in verzet is de vordering van [de jurist] alsnog afgewezen. De rechtbank heeft geoordeeld dat [de cliënt] tijdig in verzet is gekomen en dat het kostenbeding onredelijk bezwarend was tegenover [de cliënt] als consument. De bedoeling van het hoger beroep van [de jurist] is dat haar afgewezen vordering alsnog wordt toegewezen. Daarnaast heeft zij aanvullend gevorderd dat [de cliënt] wordt veroordeeld tot betaling van de volledige proceskosten op te maken bij staat.
Beslissing van het hof
2.4.
Het hof komt tot hetzelfde oordeel als de rechtbank en zal het vonnis in verzet in stand laten. Hierna wordt toegelicht hoe het hof tot deze beslissing komt.

3.De toelichting op de beslissing van het hof

Feiten
3.1.
Het hof gaat uit van de feiten zoals de rechtbank die in rechtsoverweging 3.1 tot en met 3.14 van het vonnis heeft opgenomen. Het gaat om het volgende.
3.2.
[de cliënt] is eigenaar van twee panden in Enschede die hij verhuurde aan drie tot vier huurders per pand. Op 8 januari 2021 heeft het college van burgemeester en wethouders van Enschede de omzettingsvergunning voor één van die panden ingetrokken.
3.3.
[de jurist] is specialist omgevingsrecht en heeft op verzoek van [de cliënt] juridische werkzaamheden voor hem verricht, waaronder het instellen van bezwaar en beroep tegen het hiervoor genoemde besluit tot intrekking van de omzettingsvergunning.
3.4.
Op 21 januari 2021 heeft [de cliënt] per e-mail documenten naar [de jurist] gestuurd om deze te beoordelen en hem te adviseren. In die e-mail schrijft [de cliënt] onder meer:
“Alle kosten die hiermee gemoeid zijn zal ik vergoeden.”
3.5.
Op 15 mei 2021 heeft [de jurist] een e-mail aan [de cliënt] gestuurd, waarin zij onder meer schrijft: “
Ik heb tot aan de hoorzitting in bezwaar 50 uur werk zitten in het dossier. Mijn uurtarief is € 250 euro waardoor mijn rekening € 12.500 bedraagd ex BTW. Over de wijze van betalen maken wij een separate afspraak (…)
3.6.
De gemeente had voor het andere pand van [de cliënt] in een brief meegedeeld dat
kamerverhuur daarin niet is toegestaan. [de jurist] heeft zowel tegen de intrekking van de omzettingsvergunning van het ene pand als tegen deze mededeling inzake het andere pand voor [de cliënt] bezwaar ingesteld. Beide bezwaren zijn op 8 december 2021 door de gemeente ongegrond respectievelijk niet-ontvankelijk verklaard.
3.7.
Op 27 augustus 2022 heeft [de jurist] in een e-mail aan [de cliënt] onder meer geschreven: “
In verband met bovenvermelde bezwaarzaken heb ik 16 november 2021 de hoorzitting bijgewoond van de bezwaarschriftencommissie van de gemeente Enschede .
Ik heb hiervoor reiskosten gemaakt van € 50 euro. Verder heb ik een pleitnota opgesteld en heb ik de zitting bijgewoond waar ik 7 uur á 150 euro voor reken. Dit komt neer op € 1050 euro en is in totaal met de reiskosten € 1100 euro.”
3.8.
Per e-mail van 17 november 2022 heeft [de jurist] aan [de cliënt] onder meer geschreven: “
In verband met de beroepen die ik ingediend hebt, heb ik voor het opstellen van deze beroepsschriften een tijdsinvestering gedaan van 40 uren. Hiervoor reken ik gezien mijn uurtarief van 150 euro een bedrag van 6000 euro. (…) In totaal is in de beroepsfase de factuur 6810,- euro ex BTW. (…) Ik verzoek je om deze factuur alsmede de factuur die je al eerder hebt gehad over de bezwaarfase binnen een maand te betalen dan wel een zekerheid te stellen dat je kunt betalen. (…) Nu na 2,5 jaar dat ik met jouw dossiers bezig ben, wil ik wel eens betalingen tegemoet zien.”
3.9.
Op 1 december 2022 heeft de rechtbank Overijssel, sector bestuursrecht, het beroep tegen de intrekking van de omzettingsvergunning gegrond verklaard en de gemeente veroordeeld tot betaling van de proceskosten van [de cliënt] . Deze proceskosten zijn betaald aan [de jurist] . Het beroep inzake het andere pand is ongegrond verklaard.
3.10.
[de jurist] heeft [de cliënt] diverse malen aangemaand te betalen voor haar werkzaamheden. Vervolgens heeft zij vier facturen naar [de cliënt] gestuurd voor een totaalbedrag van € 44.925,60. In die facturen is een uurloon van € 180 exclusief btw berekend.
3.11.
[de cliënt] heeft geprotesteerd tegen deze facturen, waarbij hij onder meer schrijft dat er geen afspraak is gemaakt over het uurtarief en het voor hem niet duidelijk is welke werkzaamheden [de jurist] heeft verricht.
3.12.
In het verstekvonnis van 12 juni 2024 is [de cliënt] veroordeeld tot betaling van het bedrag van € 44.925,60 met rente en kosten. Op 5 juli 2024 is dat vonnis aan [de cliënt] betekend in gesloten envelop.
3.13.
Op 10 juli 2024 heeft de advocaat van [de cliënt] een brief geschreven naar de toenmalige advocaat van [de jurist] waarbij hij verzoekt om het procesdossier toe te sturen, omdat hij heeft vernomen dat een verstekvonnis is gewezen.
3.14.
Op 7 augustus 2024 is de dagvaarding in verzet aan [de jurist] betekend.
Beoordeling in hoger beroep
3.15.
In hoger beroep liggen in verband met de beoordeling van de vordering van [de jurist] onder meer de volgende vragen voor:
  • heeft [de cliënt] tijdig verzet ingesteld tegen het verstekvonnis; en zo ja
  • komt [de cliënt] consumentenbescherming toe; en zo ja
  • is het kostenbeding oneerlijk?
Het hof zal deze vragen hierna beantwoorden.
Tijdig verzet
3.16.
De termijn om verzet in te stellen tegen een verstekvonnis is vier weken nadat dat vonnis door een deurwaarder in persoon aan de veroordeelde is overhandigd. Als de kennisgeving van of over het vonnis niet in persoon wordt gedaan, dan start de termijn van vier weken nadat de veroordeelde zelf een handeling verricht waaruit ondubbelzinnig blijkt dat hij over voldoende gegevens met betrekking tot (de inhoud van) zijn veroordeling beschikt om zich daar tijdig en adequaat tegen te kunnen verzetten. [2]
3.17.
Het vonnis is niet in persoon overhandigd aan [de cliënt] , maar op 5 juli 2024 door de deurwaarder in een gesloten envelop op het adres van [de cliënt] achtergelaten. De advocaat van [de cliënt] stuurde op 10 juli 2024 een brief naar de toenmalige advocaat van [de jurist] . In die brief staat onder meer:
“(…) Ik ben ermee bekend geworden dat op 12 juni 2024 een verstekvonnis is gewezen tussen partijen. Mijn cliënt stelt de dagvaarding nooit te hebben ontvangen, reden dat hij geen verweer heeft gevoerd.
(…)
Mijn cliënt is eerder bijgestaan door mr. [naam1] van [naam2] . Ook zij had geen weet van de procedure die tegen cliënt is ingesteld.
(…)
Bij gebreke van de dagvaarding neem ik aan dat uw cliënte in rechte betaling heeft gevorderd van haar facturen. Facturen waarvan cliënt de juistheid heeft betwist. (…)”
3.18.
Volgens [de jurist] volgt uit deze brief dat [de cliënt] zijn advocaat instructies heeft gegeven om verzet in stellen, waaruit volgt dat hij al voor 10 juli 2024 bekend was met de inhoud van het verstekvonnis. Het is volgens [de jurist] ook aan [de cliënt] om te bewijzen dat hij op tijd verzet heeft ingesteld.
3.19.
De mogelijkheid om verzet in te stellen is een uitwerking van het beginsel van hoor en wederhoor (artikel 6 EVRM Pro). Om die reden moet de veroordeelde zelf een handeling hebben verricht waaruit blijkt dat hij op de hoogte is van de inhoud van het verstekvonnis. Een handeling van zijn advocaat (anders dan in een procedure) kan daar niet mee worden gelijkgesteld. [3] Die handeling moet bovendien naar buiten toe zijn gericht, waardoor bijvoorbeeld het louter aanhoren van het vonnis niet aan dit vereiste voldoet. [4] De brief van de advocaat van [de cliënt] is geen handeling van [de cliënt] zelf, waardoor de termijn van vier weken niet door die brief op zichzelf is gestart. Dat hij een advocaat opdracht heeft gegeven om die brief te schrijven zou een daad van bekendheid kunnen zijn, indien daaruit ondubbelzinnig blijkt dat [de cliënt] op dat moment over voldoende gegevens over zijn veroordeling beschikte om zich daartegen te kunnen verzetten.
3.20.
Zijn advocaat schrijft in genoemde brief weliswaar dat hij weet heeft dat het vonnis er is; hij noemt het verweer van zijn cliënt en doet een beroep op het consumentenrecht, maar daaruit volgt niet dat hem ook de (volledige) inhoud van het verstekvonnis bekend is. Om die reden kan daar ook niet uit worden afgeleid dat [de cliënt] bij het geven van een opdracht aan zijn advocaat over voldoende informatie over het vonnis beschikte. Dat zijn advocaat het vonnis zelf niet opvraagt, is daarvoor onvoldoende. [de cliënt] heeft op de mondelinge behandeling bij het hof verklaard dat hij in [land1] verbleef en werd gebeld door een huurder in zijn pand dat er post was gekomen met het vonnis. Daarop heeft hij meteen contact gezocht met zijn huidige advocaat, omdat hij daarvan was geschrokken. Zijn advocaat heeft vervolgens toegelicht dat hij werd gebeld door [de cliënt] , maar dat [de cliënt] niet beschikte over het procesdossier. Daarom heeft hij het procesdossier opgevraagd bij de voormalig advocaat van [de jurist] . Dat [de cliënt] eerst naar zijn voormalige advocaat zou zijn gegaan met het vonnis, zoals [de jurist] aanvoert, volgt niet uit de brief, niet uit andere stukken en is door [de cliënt] betwist.
3.21.
Uit de brief van 10 juli 2024 en de andere door [de jurist] aangevoerde omstandigheden blijkt geen handeling van [de cliënt] waaruit ondubbelzinnig kan worden opgemaakt dat hij voldoende op de hoogte was over zijn veroordeling. Het hof ziet ook geen aanleiding om [de cliënt] een bewijsopdracht te geven, zoals [de jurist] aanvoert. Er zijn onvoldoende aanwijzingen dat het verzet niet tijdig is ingesteld.
[de cliënt] komt consumentenbescherming toe
3.22.
Volgens [de jurist] is [de cliënt] een ondernemer, omdat hij de panden zakelijk verhuurt en die verhuur binnen zijn gewone bedrijfsactiviteiten valt. Uit diverse stukken blijkt dat [de cliënt] met verschillende panden en ondernemingen in verband kan worden gebracht, aldus [de jurist] . Ook wijst zij erop dat op het adres van een van de panden van [de cliënt] diverse ondernemingen zijn geregistreerd die met [de cliënt] in verband kunnen worden gebracht. [de cliënt] voert aan dat hij in privé is aangesproken door de gemeente als eigenaar van panden die hij privé in bezit heeft en dat hij daarvoor juridische bijstand heeft gevraagd aan [de jurist] . Daarom is volgens hem het aangaan van de overeenkomst met [de jurist] geen zakelijke activiteit, maar een persoonlijke kwestie. Volgens [de cliënt] moet hij worden aangemerkt als een consument. Daarnaast betwist hij de stellingen van [de jurist] en wijst hij op zijn jaaropgaves van zijn werk als ggz verpleegkundige .
3.23.
Omdat de consumentenbescherming voortkomt uit regelgeving [5] van de Europese Unie (EU), moet voor de beantwoording van de vraag of [de cliënt] consumentenbescherming toekomt, aangesloten worden bij de uitleg die het Hof van Justitie van de EU (hierna: HvJEU) geeft aan het begrip consument. Volgens de rechtspraak van het HvJEU moet de hoedanigheid van ‘consument’ worden ingevuld aan de hand van een functioneel criterium, namelijk of de betrokken contractuele verhouding deel uitmaakt van activiteiten die niets van doen hebben met de uitoefening van een beroep of een bedrijf. [6] Het hof zal daarbij moeten letten op alle omstandigheden in deze zaak en met name op de aard van de diensten die [de jurist] heeft verricht en met welk doel [de cliënt] die diensten heeft afgenomen. [7]
3.24.
Het staat vast dat [de cliënt] in privé [de jurist] opdracht heeft gegeven om hem juridische bijstand te verlenen in verband met de intrekking van de omzettingsvergunning voor zijn ene pand en de mededeling van de gemeente dat kamerverhuur in zijn andere pand niet is toegestaan (zie hiervoor in 3.2-3.6). Het gaat dus om juridische dienstverlening in het kader van de verhuur van deze twee panden. Het doel van deze dienstverlening was voor [de cliënt] dat hij in beide panden ruimtes kon verhuren aan drie tot vier huurders. Om als consument te kunnen worden aangemerkt moet dit doel niets van doen hebben met de uitoefening van een beroep of een bedrijf door [de cliënt] .
3.25.
Uit de door [de cliënt] overgelegde jaaropgaves volgt dat hij over de jaren 2020-2024 in loondienst was bij twee instellingen waar hij een inkomen in de buurt van een modaal jaarinkomen ontving voor zijn werkzaamheden als ggz verpleegkundige . Het hof maakt daaruit op dat [de cliënt] zijn voornaamste werkzaamheden in loondienst verrichtte. [de cliënt] heeft tijdens de mondelinge behandeling bij het hof verklaard dat hij tot 2023 ook bedrijfsmatig ambulante zorg verleende. Deze zorg werd bij de cliënten thuis verleend. Anders dan [de jurist] aanvoert, is het feit dat [de cliënt] naast zijn baan in loondienst ook ondernemer was, niet relevant voor zover zijn onderneming geen betrekking had op de twee panden. Het juridisch advies dat [de cliënt] van [de jurist] vroeg, had namelijk niets te maken met zijn activiteiten als ambulant zorgverlener. Het hof gaat daarbij voorbij aan de argumenten die [de jurist] hierover in haar dagvaarding in hoger beroep naar voren heeft gebracht en waarmee zij aan de hand van allerlei stukken een bepaald beeld over [de cliënt] heeft geconstrueerd.
3.26.
Nergens blijkt uit dat [de cliënt] meer panden verhuurde dan de twee panden waar hij advies over heeft gevraagd. De panden heeft [de cliënt] zelf in eigendom. [de cliënt] heeft op de mondelinge behandeling bij het hof verklaard dat hij inkomsten wilde genereren met de verhuur van deze panden om de hypotheek van de panden te betalen. Gelet op alle feiten en omstandigheden in deze zaak komt het hof tot het oordeel dat de verhuur van de twee panden geen beroepsactiviteit was van [de cliënt] . Dat [de cliënt] op Instagram en in zijn mailadres gebruik maakt van de naam ‘ [naam3] ’ is daarvoor onvoldoende. Het enkele feit dat [de cliënt] inkomsten uit de verhuur van zijn panden heeft verkregen, leidt er op zich ook niet toe dat hij niet langer onder het begrip „consument” valt in de zin van de regelgeving inzake consumentenbescherming. [8] Er is onvoldoende gebleken dat de verhuur van de twee panden een (belangrijk) bedrijfsdoel is voor [de cliënt] en bedoeld is als een voorname bron van inkomsten. Dit brengt mee dat [de cliënt] terecht een beroep doet op consumentenbescherming.
3.27.
De opdracht is volgens [de jurist] voldoende transparant. [de cliënt] heeft twee keer een opdracht gegeven voor een bezwaar tegen de gemeente en twee keer een opdracht gegeven om in beroep te gaan tegen de afwijzing daarvan. Bovendien heeft [de cliënt] het kostenbeding expliciet aanvaard door per e-mail te verklaren dat hij alle kosten zal vergoeden (zie hiervoor in 3.4) en heeft hij op een gegeven moment aangeboden om een deelbetaling te doen. Volgens [de cliënt] is het kostenbeding op grond waarvan [de jurist] betaling vordert nietig, omdat het voor hem niet duidelijk was dat hij een uurloon zou moeten betalen en hij door [de jurist] niet in staat is gesteld om vooraf de totale omvang van haar werkzaamheden en daarmee de financiële consequenties daarvan in te schatten.
Het kostenbeding is niet transparant
3.28.
De Europese richtlijn oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten [9] is weliswaar niet rechtstreeks van toepassing tussen [de cliënt] en [de jurist] , maar het hof zal de Nederlandse wettelijke regels inzake consumentenbescherming moeten uitleggen in het licht van de uitleg die het HvJEU geeft aan die richtlijn. Dat betekent dat het hof moet beoordelen of het kostenbeding oneerlijk is en zo ja, of dat beding buiten toepassing moet worden gelaten (vernietigd). [10] [de jurist] baseert haar vordering op haar facturen van 4 augustus 2023 waarin een uurtarief is opgenomen van € 180. Tijdens de mondelinge behandeling bij het hof heeft [de jurist] verklaard dat zij voorafgaand aan de opdracht in januari 2021 heeft gezegd dat zij als specialist in het omgevingsrecht betaald wilde worden en dat ze heeft gezegd dat haar uurtarief € 250 is. Dat uurtarief noemt zij ook in haar e-mail van 15 mei 2021 (zie hiervoor in 3.5). In augustus en november 2022 schrijft zij aan [de cliënt] dat zij een uurtarief rekent van € 150 (zie hiervoor in 3.7-3.8). Uit deze verklaring en e-mails volgt in ieder geval dat over het uiteindelijk in rekening gebrachte uurtarief van € 180 niet is onderhandeld en dat het eenzijdig door [de jurist] is vastgesteld. Het is daarom een beding in de zin van de genoemde richtlijn oneerlijke bedingen. Dit kostenbeding bevat de tegenprestatie voor haar juridische diensten en is daarom een kernbeding. [11] Een kernbeding hoeft alleen te worden getoetst als dit niet transparant is. [12]
3.29.
Nog afgezien van het feit dat [de jurist] het uurtarief van € 180 naar eigen zeggen helemaal niet heeft genoemd bij de door haar gestelde mondelinge afspraak met [de cliënt] , is dit kostenbeding hoe dan ook niet transparant. Het HvJEU heeft geoordeeld dat het uitsluitend noemen van een uurtarief voor het verlenen van juridische diensten ‘de gemiddelde, normaal geïnformeerde en redelijk omzichtige en oplettende consument’ niet in staat stelt om de financiële consequenties in te schatten die voor hem uit het beding voortvloeien, zoals een inschatting van het totale bedrag dat hij voor die diensten zal moeten betalen. [13] Dit betekent dat [de jurist] [de cliënt] , voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst, zodanige informatie over haar kosten en werkzaamheden had moeten verstrekken dat [de cliënt] in staat was om bij benadering de totale kosten voor haar diensten in te schatten. Omdat [de jurist] deze vereiste informatie niet aan [de cliënt] heeft verstrekt, is het kostenbeding in strijd is met het transparantievereiste.
Het kostenbeding is een oneerlijk beding en wordt vernietigd
3.30.
[de cliënt] heeft betwist dat [de jurist] van tevoren duidelijk heeft gezegd dat zij tegen een vast uurtarief zou werken. Over zijn opmerking in zijn e-mail van 21 januari 2021 dat hij de kosten zal vergoeden, heeft hij op de mondelinge behandeling bij het hof verklaard dat hij bedoelde haar onkosten te zullen vergoeden. Volgens hem heeft [de jurist] niet over loon gesproken en was het voor hem niet duidelijk dat zij op basis van een uurtarief vergoed wilde worden. Hij heeft daarom op verzoek van [de jurist] een vergoeding betaald van in totaal € 1.020. Zoals hiervoor geoordeeld is bij het aangaan van de overeenkomst in ieder geval niet het uurtarief van € 180 genoemd door [de jurist] . Daarnaast heeft [de jurist] onvoldoende onderbouwd dat het voor [de cliënt] bij het aangaan van de overeenkomst überhaupt duidelijk was dat hij een uurloon verschuldigd was voor haar juridische diensten. Dit brengt mee dat het kostenbeding niet alleen niet transparant is, maar ook oneerlijk.
3.31.
Zoals hiervoor in 3.28 overwogen, zal het kostenbeding daarom worden vernietigd. [14] Het herstel van de situatie waarin [de cliënt] zich zonder dat beding zou hebben bevonden, betekent in dit geval, waarin de diensten al door [de jurist] zijn verricht, dat [de cliënt] bevrijd is van de (door [de jurist] gestelde) verplichting om op basis van dat kostenbeding te betalen. Ook als [de jurist] wordt gevolgd in haar standpunt dat [de cliënt] zou hebben gezegd het loon te betalen, dan is dat geen reden om dit oneerlijke beding niet te vernietigen.
3.32.
De door [de jurist] bepleite overeenkomst van opdracht waarin zij juridische diensten zou verlenen tegen een uurloon kan niet voortbestaan zonder het kostenbeding. [15] Het staat het hof niet vrij de overeenkomst aan te vullen door zelf te beoordelen wat een redelijke vergoeding voor de verleende diensten zou zijn, zoals [de jurist] subsidiair vordert. [16] Dat geldt ook voor haar beroep op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid, haar beroep op ongerechtvaardigde verrijking en haar beroep op onverschuldigde betaling. Tegen de afwijzing van deze laatste twee heeft [de jurist] bovendien geen kenbare grief gericht. Anders dan [de jurist] aanvoert, heeft het hof ook niet geconstateerd dat [de cliënt] in deze procedure in strijd met de waarheidsplicht van artikel 21 Rv Pro heeft gehandeld, waardoor ook de aanvullende vordering in hoger beroep zal worden afgewezen.
De conclusie
3.33.
Het hoger beroep slaagt niet. Omdat [de jurist] in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof [de jurist] tot betaling van de proceskosten in hoger beroep veroordelen. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak en de wettelijke rente daarover. De rente is verschuldigd vanaf veertien dagen na die betekening. [17]
3.34.
De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).

4.De beslissing

Het hof:
4.1.
bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Overijssel zittingsplaats Almelo van 21 mei 2025;
4.2.
veroordeelt [de jurist] tot betaling van de volgende proceskosten van [de cliënt] :
€ 827 aan griffierecht
€ 4.704 aan salaris van de advocaat van [de cliënt] (2 procespunten x tarief IV van € 2.352 per punt)
4.3.
bepaalt dat al deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag. Als niet op tijd wordt betaald, dan worden die kosten verhoogd met de wettelijke rente;
4.4.
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
4.5.
wijst af wat verder is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. M.P.M. Hennekens, C. Bakker en M.C. Bijl en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 16 juni 2026.

Voetnoten

1.Rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, 21 mei 2025, ECLI:NL:RBOVE:2025:3252.
2.Artikel 143 Rv Pro en HR 9 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ0652, ro. 3.2.
3.HR 8 april 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1325, NJ 1994/755, ro. 3.3.
4.HR 23 september 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT4071, NJ 2005/487, ro. 3.4-3.5.
5.Waaronder Richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten, Pb 1993, L 95/29, zoals gewijzigd bij richtlijn 2011/83/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2011, Pb 2011, L 304/64.
6.HvJEU 8 juni 2023, ECLI:EU:C:2023:456, punt 30.
7.Vergelijk HvJEU 8 juni 2023, ECLI:EU:C:2023:456, punt 39.
8.Vergelijk HvJEU 24 okt 2024, ECLI:EU:C:2024:919.
9.Richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten, Pb 1993, L 95/29, zoals gewijzigd bij richtlijn 2011/83/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2011, Pb 2011, L 304/64.
10.HR 13 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:691, ro. 3.6.1-3.7.3.
11.HvJEU 12 januari 2023, ECLI:EU:C:2023:14, punten 29-34.
12.Artikel 4 lid 2 richtlijn Pro 93/13/EEG.
13.HvJEU 12 januari 2023, ECLI:EU:C:2023:14, punten 40-45.
14.HR 13 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:691, ro 3.7.3.
15.Vergelijk HvJEU 12 januari 2023, ECLI:EU:C:2023:14, punten 58-59.
16.Vergelijk HvJEU 12 januari 2023, ECLI:EU:C:2023:14, punt 65.
17.HR 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:853.