Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:3806

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
9 juni 2026
Publicatiedatum
12 juni 2026
Zaaknummer
25/401
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 17 Wet WOZArt. 4 Uitvoeringsregeling instructie waardebepaling Wet WOZ
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging WOZ-waarde kinderdagverblijf na toetsing restwaarde en levensduur installaties

Belanghebbende is huurder van een kinderdagverblijf dat voor de WOZ-waarde per 1 januari 2021 is vastgesteld op €613.000. De rechtbank verklaarde het beroep van belanghebbende ongegrond, waarna hoger beroep werd ingesteld. Het geschil spitst zich toe op de juistheid van de technische correctie, met name de restwaarde van het hoofdgebouw en de verlenging van de levensduur van de installaties.

Het hof overweegt dat de WOZ-waarde moet worden vastgesteld op de gecorrigeerde vervangingswaarde, waarbij technische veroudering en restwaarde centraal staan. De heffingsambtenaar heeft de restwaarde onderbouwd met een taxatierapport en markttransacties van vergelijkbare objecten, wat het hof voldoende aannemelijk acht. Belanghebbende betwistte de bruikbaarheid van deze gegevens, maar het hof wijst dit af.

Ten aanzien van de levensduur van de installaties stelt het hof vast dat deze op 24 jaar is gesteld, een verlenging ten opzichte van de standaard 20 jaar in de taxatiewijzer. Gezien het goede onderhoud, het meerjarenonderhoudsplan en het gebruik als kinderdagverblijf acht het hof deze verlenging gerechtvaardigd. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de WOZ-waarde van €613.000 bevestigd.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

locatie Arnhem
nummer BK-ARN 25/401
uitspraakdatum: 9 juni 2026
Uitspraak van de vijfde meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[belanghebbende]te
[vestigingsplaats](hierna: belanghebbende)
tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 30 december 2024, nummer ZWO 23/2223, in het geding tussen belanghebbende en
de heffingsambtenaar van de gemeente Staphorst(hierna: de heffingsambtenaar).

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1
De heffingsambtenaar heeft bij beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak [adres1] (hierna: de onroerende zaak), per waardepeildatum 1 januari 2021, voor het jaar 2022 vastgesteld op € 613.000. Tegelijk met deze beschikking is de aanslag onroerendezaakbelastingen vastgesteld.
1.2
Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de heffingsambtenaar bij uitspraken op bezwaar de vastgestelde waarde alsmede de opgelegde aanslag gehandhaafd.
1.3
Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de rechtbank Overijssel (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep bij uitspraak van 30 december 2024 ongegrond verklaard.
1.4
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
1.5
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 april 2026 te Arnhem. Daarbij zijn verschenen en gehoord H. Vloet, als de gemachtigde van belanghebbende, bijgestaan door [naam1] , taxateur, alsmede [naam2] namens de heffingsambtenaar, bijgestaan door [naam3] , taxateur.
1.6
De gemachtigde van belanghebbende heeft een pleitnota overgelegd, die geacht wordt te zijn voorgelezen.
1.7
Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat bij deze uitspraak is gevoegd.

2.De vaststaande feiten

2.1
Belanghebbende is huurder van de onroerende zaak. De onroerende zaak is gebouwd in 2002 en is bij belanghebbende in gebruik als kinderdagverblijf. Het kinderdagverblijf heeft een oppervlakte van 440 m², beschikt over een blokhut en staat op een perceel grond met een oppervlakte van 1.253 m². De onroerende zaak is omheind en heeft een verharding.
2.2
De taxateur van de heffingsambtenaar, [naam3] , heeft de waarde op € 613.000 bepaald.
2.3
De gemachtigde van belanghebbende heeft in hoger beroep een taxatierapport van [bedrijf1] overgelegd, op 26 maart 2025 opgesteld door [naam1] en [naam4] , waarin wordt geconcludeerd tot een waarde van € 561.000.
2.4
De eigenaar van de onroerende zaak heeft op 13 augustus 2020 het ‘Inlichtingenformulier WOZ – Incourante objecten’ van de gemeente Staphorst ingevuld. Dit formulier vermeldt – voor zover hier van belang – het volgende: “(…) Is het pand oorspronkelijk gebouwd voor het huidige gebruik? Ja (…) Gaat het gebruik van het object binnen nu en 5 a 10 jaar beëindigd worden? Nee (…) Hieronder kunt u de bouwaard van het object aangeven. Welke bouwaard is van toepassing: (…) Gemiddeld bv. normale materialen, onderhoud conform MJOP (…) In welke staat verkeert het object? Gemiddeld. Kunt u bovenstaande antwoord toelichten? Er is een MJOP (…) Het object is voor het huidige gebruik: voldoende groot (…)”.

3.Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1
In geschil is of de waarde van de onroerende zaak op waardepeildatum te hoog is vastgesteld. Het geschil spitst zich toe op de vraag of de technische correctie juist berekend is en nog specifieker op de subvragen of de restwaarde van het dagverblijf en de verlenging van de levensduur van het dagverblijf juist zijn vastgesteld.
3.2
Belanghebbende beantwoordt deze vragen ontkennend en concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vermindering van de beschikte waarde tot € 561.000.
3.3
De heffingsambtenaar beantwoordt de hiervoor – onder 3.1 – vermelde vragen bevestigend en concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.
3.4
De heffingsambtenaar heeft – meer subsidiair – nog aangevoerd dat de beschikte waarden niet te hoog zijn vastgesteld, nu hem na nader onderzoek van de gronduitgifteprijzen in buurgemeenten is gebleken dat de grondwaarde in het onderhavige geval voor beide jaren voor een te laag bedrag in aanmerking is genomen.
3.5
Beide partijen hebben voor hun standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken. Daaraan hebben zij ter zitting toegevoegd hetgeen is vermeld in het bij deze uitspraak gevoegde proces-verbaal van de zitting.

4.Beoordeling van het geschil

4.1
Ingevolge artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ wordt de waarde bepaald op de waarde die aan de onroerende zaak dient te worden toegekend, indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen (de waarde in het economische verkeer).
4.2
Ingevolge artikel 17, derde lid, van de Wet WOZ, voor zover hier van belang, wordt in afwijking in zoverre van het tweede lid de waarde van een onroerende zaak, voor zover die niet tot woning dient, bepaald op de vervangingswaarde, indien dit leidt tot een hogere waarde dan die ingevolge het tweede lid. Dit geldt ongeacht of die zaak courant dan wel incourant is, en ongeacht of die zaak al dan niet bruikbaar is voor commerciële doeleinden (vgl. HR 9 februari 2007, nr. 41.264, ECLI:NL:HR:2007:AW3876). Tussen partijen is niet in geschil dat de waarde van de onroerende zaak moet worden vastgesteld op de gecorrigeerde vervangingswaarde (hierna te noemen: GVW). Het Hof heeft geen reden om partijen daarin niet te volgen.
4.3
De GVW, als bedoeld in artikel 17, derde lid, van de Wet WOZ, is de waarde die de onroerende zaak in economische zin voor belanghebbende zelf heeft. Bij de berekening van de vervangingswaarde wordt rekening gehouden met:
a. de aard en de bestemming van de zaak;
b. de sedert de stichting van de zaak opgetreden technische en functionele veroudering, waarbij de invloed van latere wijzigingen in aanmerking wordt genomen.
4.4
Artikel 4, tweede lid, van de Uitvoeringsregeling instructie waardebepaling Wet waardering onroerende zaken bepaalt dat de technische veroudering is gebaseerd op de verstreken en resterende gebruiksduur en de restwaarde van de onroerende zaak.
4.5
Tussen partijen zijn niet in geschil: de objectafbakening, de waarde van de grond, de verharding, de blokhut en de omheining. Nu het Hof geen redenen heeft partijen ook daarin niet te volgen, zal het Hof bij de beoordeling van het hoger beroep van deze uitgangspunten uitgaan.
In geschil is daarmee uitsluitend de waarde van het dagverblijf (hierna ook: het hoofdgebouw), waarbij het geschil zich toespitst op de restwaarde van het hoofdgebouw en de verlenging van de levensduur van het hoofdgebouw.
4.6
Voor de onderbouwing van de door hem beschikte waarde heeft de heffingsambtenaar gewezen op een door hem overgelegd taxatierapport, waarin taxateur [naam3] de gecorrigeerde vervangingswaarde op € 613.000 heeft bepaald. Blijkens dat taxatierapport heeft de taxateur gebruik gemaakt van de Landelijke Taxatiewijzer deel 1 – Onderwijs per 1 januari 2021 (hierna: de Taxatiewijzer). De berekende waarde is als volgt opgebouwd:
- dagverblijf (ruwbouw € 242.859 + afbouw € 91.934 + installaties € 45.809 =) € 380.602 exclusief BTW, € 460.528 inclusief BTW,
- grond € 112.770 exclusief BTW, € 136.451 inclusief BTW,
- verharding € 8.146 exclusief BTW, € 9.857 inclusief BTW,
- blokhut € 2.206 exclusief BTW, € 2.669 inclusief BTW en
- omheining € 2.974 exclusief BTW, € 3.599 inclusief BTW
De technische correctie: restwaarde
4.7
De heffingsambtenaar is voor wat betreft de restwaarden uitgegaan van de percentages die in het midden liggen van de in de Taxatiewijzer opgenomen bandbreedten voor het archetype O186PL12, te weten 27 % voor de ruwbouw, 22 % voor de afbouw en 17 % voor de installaties.
4.8
De heffingsambtenaar heeft bij de vaststelling van de gecorrigeerde vervangingswaarde aldus aangesloten bij de Taxatiewijzer. In de Taxatiewijzer zijn richtsnoeren en bijbehorende kengetallen gegeven voor de vaststelling van de gecorrigeerde vervangingswaarde van onroerende zaken die in gebruik zijn voor onderwijsdoeleinden. Die richtsnoeren en kengetallen zien onder meer op de levensduur en de restwaarde van de onroerende zaken.
4.9
Belanghebbende heeft zich op het standpunt gesteld dat zij voor wat betreft de restwaarde de Taxatiewijzer niet als richtsnoer accepteert. Een verwijzing naar de Taxatiewijzer is onvoldoende, omdat daarin cruciale gegevens ontbreken. Volgens haar ligt de bewijslast over de hoogte van de restwaarde bij de heffingsambtenaar.
4.1
Met betrekking tot de WOZ-waarde van een onroerende zaak gelden de normale regels over stelplicht en bewijslast. Daardoor geldt als regel dat de stelplicht en bewijslast met betrekking tot deze waarde in eerste instantie op de heffingsambtenaar rusten. Deze regel geldt ook als het om de gecorrigeerde vervangingswaarde gaat en de daarbij in aanmerking te nemen technische veroudering in geschil is, ook in een geval als dit waarin de heffingsambtenaar bij het vaststellen van die waarde heeft aangesloten bij een taxatiewijzer.
4.11
Het kan voor een juiste vaststelling van de waarde van een onroerende zaak nodig zijn om af te wijken van de richtsnoeren uit een taxatiewijzer. Ook indien een procespartij die taxatiewijzer als uitgangspunt voor een bepaald aspect van de waardering heeft aanvaard, staat het haar daarom vrij om, gelet op de omstandigheden van het geval, een standpunt in te nemen dat meebrengt dat een afwijking van dat uitgangspunt is geboden. Het is in dit verband niet van belang of ook de andere partij de richtsnoeren van de taxatiewijzer met betrekking tot dit aspect van de waardering, of op enig ander punt, als uitgangspunt heeft aanvaard. Wel brengt een redelijke verdeling van de stelplicht en bewijslast mee dat de partij die een beroep doet op een zodanige afwijking, terwijl zij de taxatiewijzer als uitgangspunt
voor het desbetreffende aspectvan de waardering heeft aanvaard, de gronden daarvoor moet stellen en bij betwisting aannemelijk moet maken. Indien die partij de belanghebbende is, vormt dit een uitzondering op de hiervoor – onder 4.10 – vermelde regel dat de stelplicht en bewijslast in eerste instantie op de heffingsambtenaar rusten (vgl. HR 13 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:234).
4.12
Aangezien belanghebbende de richtsnoeren van de Taxatiewijzer met betrekking tot de restwaarde niet als uitgangspunt heeft aanvaard, brengt wat hiervoor is overwogen mee dat geen grond bestaat om in dit geval een uitzondering aan te nemen op de regel dat de stelplicht en bewijslast in eerste instantie op de heffingsambtenaar rusten. Op de heffingsambtenaar rust dan ook de last om aannemelijk te maken dat de hiervoor onder 4.6 bedoelde taxatie gehanteerde restwaarden, die zijn ontleend aan de Taxatiewijzer in het onderhavige geval juist zijn vastgesteld.
4.13
Ter toelichting wordt in paragraaf 7.2 van de Taxatiewijzer opgemerkt:

De restwaarde van een onderdeel is het percentage van de volledige vervangingswaarde dat overblijft als de verwachte levensduur is verstreken. In de praktijk blijkt dat objecten en de bijbehorende onderdelen vaak langer kunnen worden gebruikt dan bepaald is in de verwachte levensduur. Daarom is het van belang om bij elke herwaardering van het object te kijken naar wat daadwerkelijk de resterende levensduur is en de bijbehorende restwaarde. Zie voor een nadere instructie hoofdstuk 4 van de Taxatiewijzer 0 – Algemeen.
4.14
Blijkens het door de heffingsambtenaar overgelegde taxatierapport heeft hij bij de waardering van het hoofdgebouw gekozen voor archetype O186PL12 met omschrijving ‘kinderdagverblijf plat dak, metselwerk, gemiddelde afwerking 2001 t/m 2014’. Het Hof merkt op dat het Hof in de Taxatiewijzer geen empirische onderbouwing heeft gevonden van de daarin genoemde, door de heffingsambtenaar overgenomen, kengetallen van de restwaarde.
4.15
De heffingsambtenaar heeft ter nadere onderbouwing van de door hem gehanteerde percentages uit de Taxatiewijzer een analyse overgelegd van [bedrijf2] , waarin de verkoopcijfers van een vijftal referentie-objecten zijn geanalyseerd. Het betreft de referentie-objecten [adres2] , [adres3] , [adres4] (kinderdagverblijf) [plaats1] , [adres5] en [adres6] :
Adres
Restwaarde op basis van de taxatiewijzer
Restwaarde op basis van de transactieprijs
bouwjaar
Leeftijd bij verkoop
Bijzonderheden
[adres2]
27,8%
45,46%
1983
35 jaar
n.v.t
[adres4]
23,86%
41,01%
1960
58 jaar
Levensduur verstreken
[adres5]
24,06%
40,94%
2002
17 jaar
Na aankoop fors gerenoveerd
[adres6]
23,96%
46,20%
1954
61 jaar
Levensduur verstreken
[adres3]
24%
32,09%
1967
50 jaar
Levensduur verstreken
Ter zitting van het Hof heeft de taxateur van de heffingsambtenaar aangegeven de transactie met betrekking tot [adres3] niet langer te handhaven als onderbouwing van de restwaarde in de Taxatiewijzer, zodat er vier onderbouwende transacties overblijven.
De restwaardes zijn als volgt berekend (voorbeeld ziet op de [adres4] , voor alle vier panden geldt dezelfde wijze van berekenen):
Transactieprijs exclusief BTW € 580.000
Grondprijs exclusief BTW
€ 295.680 -/-
Waarde opstal exclusief BTW € 284.320
Ongecorrigeerde vervangingswaarde exclusief BTW = 605 m2 x € 1.146 exclusief BTW (op basis van de Taxatiewijzer) = € 693.330.
Restwaarde = (Waarde opstal exclusief BTW/ongecorrigeerde vervangingswaarde exclusief BTW) x 100% = 41,01%.
4.16
De restwaarde van de opstal wordt door de heffingsambtenaar gevonden door markttransacties van onroerende zaken van hetzelfde of een vergelijkbaar archetype te analyseren, waarbij de transactieprijs wordt gesplitst in de prijs die aan de grond kan worden toegerekend en de prijs die vervolgens aan de opstal kan worden toegerekend.
4.17
Het Hof is van oordeel dat de berekeningswijze zoals door de heffingsambtenaar wordt gehanteerd, waarbij alle componenten exclusief omzetbelasting worden bepaald, dus ook de restwaarde, en waarbij op het eind de omzetbelastingpositie van de eigenaar in aanmerking wordt genomen en in casu de omzetbelasting in aanmerking wordt genomen, de juiste berekeningswijze is van de restwaarde specifiek en van de gecorrigeerde vervangingswaarde in het algemeen. De taxateur van belanghebbende heeft ten aanzien van deze verkooptransacties ter zitting van het Hof gesteld dat deze gegevens niet bruikbaar zijn. De taxateur van de heffingsambtenaar heeft de stellingen van belanghebbende dienaangaande betwist. Naar het oordeel van het Hof zijn de door de heffingsambtenaar opgevoerde transactiegegevens voldoende bruikbaar. De heffingsambtenaar heeft daarmee de restwaardes zoals neergelegd in de Taxatiewijzer aan de hand van verkopen in de markt onderbouwd. Daarmee heeft de heffingsambtenaar aannemelijk gemaakt dat de restwaarden in de Taxatiewijzer niet te hoog zijn vastgesteld.
4.18
Hetgeen belanghebbende met onder meer de door haar overgelegde rapport Restwaarden algemeen daar overigens tegen ingebracht heeft, maakt het vorenoverwogene niet anders. In dat verband merkt het Hof nog op dat indien moet worden uitgegaan van een benadering inclusief omzetbelasting voor de restwaarde, alle waardes inclusief omzetbelasting moeten worden aangemerkt, zo ook de verkrijgingsprijs. Als daarvan wordt uitgegaan bij de [adres4] en de andere door de heffingsambtenaar gebruikte referentieobjecten ter onderbouwing van de restwaarde, uitgaande van de gehanteerde berekeningswijze, dan leidt dat tot restwaardes die weliswaar lager liggen dan die de heffingsambtenaar heeft berekend (in de orde van 40%), maar dan liggen de restwaardes in de orde van 25-35%. En daarmee wordt ook met een benadering inclusief omzetbelasting, indien consequent toegepast, de restwaardes zoals gebruikt in de Taxatiewijzer, en overgenomen door de heffingsambtenaar, onderbouwd (vgl. Hof Arnhem-Leeuwarden 4 maart 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:1273).
Technische correctie: de verlenging van de levensduur van de installaties
4.19
Tussen partijen is de levensduur voor de ruwbouw (47 jaar) en de afbouw (27 jaar) niet in geschil. Wel verschillen zij van mening over de levensduur van de installaties. Belanghebbende stelt dat de levensduur 17 jaar bedraagt en dat die inmiddels is verstreken. De heffingsambtenaar heeft ten opzichte van de ouderdom van het object op de waardepeildatum (19 jaar) de levensduur verlengd naar 24 jaar.
4.2
De bewijslast met betrekking tot de technische veroudering van de onroerende zaak rust volgens de rechtspraak van de Hoge Raad op de heffingsambtenaar (vgl. HR 14 oktober 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU4300 en HR 23 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1671). Uit de rechtspraak volgt ook dat, indien voor de waardering voor het desbetreffende aspect wordt aangesloten bij een taxatiewijzer, de partij die wil afwijken van de kengetallen in die taxatiewijzer de gronden daarvoor moet stellen en bij betwisting aannemelijk maken (vgl. HR 13 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:234). Omdat de heffingsambtenaar stelt dat de levensduur van de installaties op een langere periode gesteld moet worden (24 jaar) dan de maximale periode die volgt uit de Taxatiewijzer (20 jaar) en dat de restwaarde op dat latere tijdstip wordt bereikt, rust de bewijslast daarvan op de heffingsambtenaar aangezien belanghebbende die stellingen heeft betwist.
4.21
Belanghebbende heeft zich op het standpunt gesteld dat de heffingsambtenaar is uitgegaan van een te lange levensduur van de installaties. Omdat geen sprake is van een recente renovatie of andersoortig recent actief ingrijpen, kan van een levensduurverlenging van de installaties geen sprake zijn, aldus belanghebbende.
4.22
Met betrekking tot de toe te passen levensduur overweegt het Hof als volgt. Niet in geschil is dat de installaties op de waardepeildatum volledig voor normaal gebruik geschikt waren. Uit het door de eigenaar ingevulde inlichtingenformulier van 13 augustus 2020 blijkt dat sprake is van een meerjarenonderhoudsplan (MJOP) en dat het object qua onderhoud en bijhouden van de kwaliteit van (onder andere) de installaties keurig is bijgehouden. Bovendien is er op de waardepeildatum een intentie tot regulier voortgezet gebruik. Uit het door de eigenaar van de onroerende zaak ingevuld inlichtingenformulier van 13 augustus 2020, dat door de heffingsambtenaar als bijlage bij het verweerschrift is gevoegd, volgt dat het gebruik van het object niet binnen 5 à 10 jaar zal worden beëindigd. Daar komt nog bij dat gelet op de aard van het gebruik als kinderdagverblijf hoge eisen worden gesteld aan de veiligheid van het pand, en daarmee aan de installaties. De heffingsambtenaar heeft onbetwist gesteld dat de installaties in goede onderhoudstoestand verkeerden en bezien vanaf de peildatum bij regulier onderhoud naar verwachting nog vijf jaar goed bruikbaar zullen zijn overeenkomstig hun bestemming. Van een voornemen van de eigenaar of gebruiker om de installaties voor een kortere periode te gebruiken of om regulier onderhoud achterwege te laten, is niets gesteld of gebleken. Naar het oordeel van het Hof, heeft de heffingsambtenaar een verlenging van de levensduur van de installaties naar 24 jaar aannemelijk gemaakt (vgl. Hof Arnhem-Leeuwarden 4 maart 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:1273).
4.23
Het Hof is van oordeel dat de heffingsambtenaar de technische veroudering van de installaties niet tot een te laag bedrag in aanmerking heeft genomen. Gelet op het vorenstaande is de WOZ-waarde niet te hoog vastgesteld.
SlotsomOp grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond.

5.Proceskosten en griffierecht

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten of vergoeding van het griffierecht.

6.Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P. van der Wal, voorzitter, mr. J. van de Merwe en mr. T.H.J. Verhagen, in tegenwoordigheid van dr. J.W.J. de Kort als griffier.
De beslissing is op 9 juni 2026 in het openbaar uitgesproken.
De griffier, De voorzitter,
(J.W.J. de Kort)
(P. van der Wal)
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.