Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:3554

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
2 juni 2026
Publicatiedatum
2 juni 2026
Zaaknummer
200.349.083/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 26 FwArt. 137b FwArt. 122 lid 1 FwArt. 237 lid 1 RvArt. 353 lid 1 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van verificatievordering in faillissement en proceskostenveroordeling

In deze civiele procedure in hoger beroep staat de vraag centraal of een vordering in het faillissement van Barkmeijer Stroobos B.V. anders dan via aanmelding ter verificatie kan worden ingesteld. Brodotrogir, een Kroatische rechtspersoon, had vorderingen ingediend die zij wilde laten beoordelen buiten de verificatieprocedure om.

Het hof stelt vast dat er geen boedelactief is om preferente schuldeisers te betalen en dat een renvooiprocedure niet aan de orde is. De vordering van Brodotrogir wordt beschouwd als een rechtsvordering die uitsluitend via verificatie kan worden ingesteld, conform artikel 26 Faillissementswet Pro. Het belang dat Brodotrogir aanvoert vanwege fiscale aftrekbaarheid onder Kroatisch recht biedt geen grond om hiervan af te wijken.

Bovendien oordeelt het hof dat er geen schending is van het recht op toegang tot de rechter of een eerlijk proces. Brodotrogir wordt niet-ontvankelijk verklaard in haar vorderingen tot verificatie en plaatsing op de lijst van preferente schuldeisers. Ten slotte wordt Brodotrogir veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep, waarbij het hof het reguliere appeltarief toepast en het verzoek tot een hoger tarief afwijst.

Uitkomst: Brodotrogir wordt niet-ontvankelijk verklaard in haar vorderingen en veroordeeld tot betaling van de proceskosten van het hoger beroep.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht, handel
zaaknummer gerechtshof 200.349.083/01
(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 187133)
arrest van 2 juni 2026
in de zaak van
de rechtspersoon naar Kroatisch recht
BRODOTROGIR D.D.,
die is gevestigd in Trogir, Kroatië,
die hoger beroep heeft ingesteld
en bij de rechtbank optrad als eiseres,
hierna:
Brodotrogir,
advocaat: mr. T. Bezmalinovic, die kantoor houdt te Rotterdam,
tegen
mr. [geïntimeerde],
zowel voor zichzelf als in zijn hoedanigheid van curatorin het faillissement van
Barkmeijer Stroobos B.V.,
kantoorhoudende te Leeuwarden,
die bij de rechtbank optrad als gedaagde,
hierna:
de curator,
advocaat: mr. J.W. de Vries, die kantoor houdt te Bolsward.

1.Het verloop van de procedure in hoger beroep

1.1.
Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
  • het tussenarrest van 11 november 2025;
  • de akte van de zijde van Brodotrogir, van 9 december 2025;
  • de akte van de zijde van de curator, van 6 januari 2026 (met producties);
  • de antwoordakte van de zijde van Brodotrogir, van 21 april 2026.
1.2.
Vervolgens is opnieuw een datum bepaald waarop uitspraak wordt gedaan.

2.De verdere beoordeling

2.1.
In het tussenarrest van 11 november 2025 heeft het hof partijen in de gelegenheid gesteld om zich uit te laten over de wijze van afwikkeling van het faillissement van Barkmeijer Stroobos B.V. (‘Barkmeijer’). Daarnaast is Brodotrogir in de gelegenheid gesteld om het door haar gestelde belang bij de vorderingen te onderbouwen.
2.2.
Over de afwikkeling van het faillissement heeft de curator in zijn akte verklaard dat er onvoldoende actief is voor een eventuele uitkering aan preferente schuldeisers (anders dan boedelschuldeisers). Ook als Brodotrogir een preferente vordering zou hebben, zou een uitkering aan Brodotrogir volgens de curator dus niet aan de orde zijn. De curator wijst daarbij op het door hem bij de akte overgelegde faillissementsverslag van 4 november 2025 (met tussentijds financieel verslag en lijst van voorlopig erkende crediteuren). Dit verslag meldt onder meer dat sprake is van een boedelactief van € 557.647,07 en van openstaande boedelschulden van € 648.474,61. Dit betekent, zoals de curator ook opmerkt, dat de boedelschulden het beschikbare actief overstijgen. Er blijkt niet van verwachte baten die kunnen meebrengen dat dat de boedelschulden alsnog volledig voldaan kunnen worden. Brodotrogir heeft de juistheid van deze gegevens niet betwist. Het hof stelt dan ook vast dat er geen grond is om te veronderstellen dat er (mogelijk) een uitkering aan preferente pre-faillissement schuldeisers kan plaatsvinden. Onder die omstandigheden is verwijzing naar een renvooiprocedure niet aan de orde, ook niet een verwijzing op de voet van artikel 137b jo. art. 122 lid 1 Fw Pro. Dit betekent dat een verwijzing naar de renvooiprocedure op goede gronden achterwege is gebleven.
2.3.
Er is naar het oordeel van het hof ook geen grond om
in deze procedureover te gaan tot inhoudelijke beoordeling van de vorderingen die Brodotrogir ter verificatie heeft ingediend (of tot beoordeling van de gestelde preferentie). Een dergelijke beoordeling is namelijk niet te verenigen met de wettelijke regeling van het faillissement. De vordering van Brodotrogir is te beschouwen als een rechtsvordering die voldoening van een verbintenis uit de boedel ten doel heeft, en de vordering kan daarom gedurende het faillissement ook tegen de gefailleerde op geen andere wijze worden ingesteld dan door, kort gezegd, aanmelding te verificatie (zie artikel 26 Fw Pro). Het betoog van Brodotrogir dat zij belang heeft bij beoordeling van de vordering in verband met eventuele fiscale aftrekbaarheid van haar claim onder Kroatisch belastingrecht, geeft naar het oordeel van het hof onvoldoende reden om van dat uitgangspunt af te wijken. Van een ‘leemte’ in de Faillissementswet is in zoverre ook geen sprake. Daarbij merkt het hof op dat de Kroatische fiscus in deze procedure geen partij is en dat de Kroatische fiscus om die reden naar het toepasselijk Nederlands procesrecht ook niet aan een oordeel over de vordering gebonden zou zijn. Dat er, zoals Brodotrogir betoogt, bij niet-ontvankelijkverklaring sprake zou zijn van schending van artikel 6 EVRM Pro en/of van schending van het recht op toegang tot de rechter of het recht op een eerlijk proces, valt niet in te zien. Daarbij tekent het hof aan dat de genoemde regels van faillissementsrecht niet inhouden dat Brodotrogir beperkt wordt in een recht om eventuele geschillen met de Kroatische fiscus over bijvoorbeeld de vordering van Brodotrogir op Barkmeijer of over de fiscale aftrekbaarheid van die claim, ter beoordeling aan de bevoegde rechter voor te leggen.
2.4.
Het hof komt, evenals de rechtbank, tot de slotsom dat Brodotrogir niet-ontvankelijk is in haar vorderingen tot, kort gezegd, verificatie van haar schuldvordering en tot plaatsing van die vordering op de lijst van erkende preferente schuldeisers (vorderingen 1 en 2). Dit betekent dat grieven 1 en 2 van Brodotrogir verworpen worden.
2.5.
Brodotrogir betoogt tot slot dat de proceskosten tussen partijen gecompenseerd moeten worden (grief 3). Ook deze grief wordt verworpen. De rechtbank heeft Brodotrogir in het ongelijk gesteld en dat oordeel wordt in dit hoger beroep tevergeefs bestreden. Gelet op het bepaalde in artikel 237 lid 1 Rv Pro is Brodotrogir dan ook terecht veroordeeld in de proceskosten. Brodotrogir zal op grond van diezelfde bepaling – die ook in hoger beroep van toepassing is (zie artikel 353 lid 1 Rv Pro) – ook veroordeeld worden in de kosten van het hoger beroep. Brodotrogir betoogt, kort gezegd, dat haar rechtspositie onduidelijk was. Ook als dat zo zou zijn, is dat naar het oordeel van het hof geen aanleiding om een proceskostenveroordeling hier achterwege te laten. Daarbij tekent het hof aan dat het ook niet gaat om een veroordeling tot vergoeding van de werkelijke proceskosten, maar om een veroordeling tot vergoeding van kosten op basis van het liquidatietarief.
Conclusie
2.6.
Het hoger beroep slaagt niet. Omdat Brodotrogir in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof Brodotrogir veroordelen tot betaling van de proceskosten van het hoger beroep. Het hof zal daarbij, gezien het karakter van de vorderingen en gelet op het feit dat sprake is van een faillissementssituatie, uitgaan van het tarief voor zaken van onbepaalde waarde (appeltarief II). Onder de door Brodotrogir te vergoeden proceskosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak. [1] Er is, anders dan de curator meent, geen sprake van bijzondere omstandigheden die aanleiding geven voor toepassing van een hoger tarief. Zo kan niet gezegd worden dat Brodotrogir het instellen van hoger beroep vanwege de kennelijke ongegrondheid ervan achterwege had moeten laten. Het verzoek van de curator tot toepassing van een hoger proceskostentarief wordt daarom afgewezen.
2.7.
De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een partij de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).

3.De beslissing

Het hof:
3.1.
bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Leeuwarden, van 31 juli 2024;
3.2.
veroordeelt Brodotrogir tot betaling van de volgende proceskosten van de curator:
  • € 349 aan griffierecht;
  • € 1.935 aan salaris advocaat (1,5 punt x appeltarief II ad € 1.290);
3.3.
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
3.4.
wijst af wat verder is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. A.A.J. Smelt, J.H. Kuiper en J. Smit, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 2 juni 2026.

Voetnoten

1.HR 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:853.