Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:3537

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
2 juni 2026
Publicatiedatum
2 juni 2026
Zaaknummer
200.361.779/01 en 200.367.071/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:377a lid 3 BWArt. 8 EVRMArt. 9 lid 3 IVRKArt. 24 lid 3 Handvest van de grondrechten van de EUArt. 1:247 lid 3 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing omgangsregeling en ondertoezichtstelling bij intieme terreur

De zaak betreft een geschil tussen ouders over de omgangsregeling en ondertoezichtstelling van hun minderjarige kind, geboren in 2018, dat bij de moeder woont. De vader verzocht om een omgangsregeling waarbij hij contact met het kind zou hebben, en om ondertoezichtstelling van het kind. De rechtbank wees deze verzoeken af, waarna de vader hoger beroep instelde.

Het hof bevestigt de eerdere beslissingen. Uit het dossier blijkt dat de vader meerdere veroordelingen heeft voor onder meer identiteitsfraude, stalking en het overtreden van contact- en gebiedsverboden, wat leidt tot de conclusie dat sprake is van intieme terreur jegens de moeder en het kind. De raad voor de kinderbescherming adviseert dat de vader eerst een behandeling moet volgen en succesvol afronden voordat verdere omgang kan plaatsvinden.

Het hof overweegt dat het kind slachtoffer is van het gedrag van de vader en dat het belang en de veiligheid van het kind en de moeder voorop staan. Er is geen sprake van een ernstige bedreiging van de ontwikkeling van het kind die een ondertoezichtstelling rechtvaardigt. De omgang blijft beperkt tot het sturen van brieven en kaarten via de moeder, waarbij de moeder niet verplicht is deze post rechtstreeks te ontvangen.

De verzoeken van de vader worden afgewezen en de bestreden beschikkingen van de rechtbank worden bekrachtigd. De vader zit sinds eind december 2025 in voorlopige hechtenis en het is onduidelijk wanneer hij weer in vrijheid zal worden gesteld.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de afwijzing van de omgangsregeling en ondertoezichtstelling vanwege intieme terreur en het ontbreken van ernstige ontwikkelingsbedreiging.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummers gerechtshof 200.361.779/01 en 200.367.071/01
(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 193703 en 202861)
beschikking van 2 juni 2026
in de zaak van
[verzoeker](de vader),
die woont in [woonplaats1] ,
verzoeker in hoger beroep,
advocaat: mr. J.D. Nijenhuis te Leeuwarden,
en
[verweerster](de moeder),
die woont in [woonplaats2] ,
verweerster in hoger beroep.
In zijn toetsende en/of adviserende taak is gekend:
de raad voor de kinderbescherming(de raad),
regio Noord Nederland, locatie Leeuwarden.

1.De procedure in eerste aanleg

Zaaknummer 200.361.779/01
1.1.
Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg met zaaknummer 193703 naar de beschikkingen van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 7 augustus 2024 en 18 augustus 2025 (de laatstgenoemde beschikking hierna: de bestreden beschikking).
Zaaknummer 200.367.071/01
1.2.
Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg met zaaknummer 202861 naar de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 30 december 2025 (hierna: de bestreden beschikking).

2.De procedure in hoger beroep

Zaaknummer 200.361.779/01
2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met bijlage(n), ingekomen op 18 november 2025;
- een journaalbericht namens de vader van 8 december 2025 met bijlage(n);
- een journaalbericht namens de vader van 29 januari 2026 met bijlage(n).
Zaaknummer 200.367.071/01
2.2.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met bijlage(n), ingekomen op 30 maart 2026;
- een brief van de raad van 16 april 2026 met bijlage(n);
- twee journaalberichten van de vader van 22 april 2026 met bijlage(n);
- een journaalbericht van de vader van 30 april 2026 met bijlage(n).
Zaaknummers 200.361.779/01 en 200.367.071/01
2.3.
Op 4 mei 2026 is [de minderjarige] verschenen, die buiten aanwezigheid van partijen door een raadsheer van het hof is gehoord.
2.4.
De mondelinge behandeling heeft op 6 mei 2026 plaatsgevonden. Verschenen zijn de vader met zijn advocaat, de moeder en een vertegenwoordiger van de raad.

3.De feiten

3.1.
De vader en de moeder zijn de ouders van [de minderjarige] , geboren [in]
[in] 2018. [de minderjarige] woont bij de moeder.
3.2.
In de (tussen)beschikking van de rechtbank Noord-Nederland van 7 augustus 2024 is het gezamenlijk gezag van de ouders beëindigd en bepaald dat de moeder voortaan alleen met het ouderlijk gezag is belast. Die beslissing is bij beschikking van 1 mei 2025 door dit hof bekrachtigd [1] . Als voorlopige omgangsregeling heeft het hof daarbij bepaald dat het contact tussen de vader en [de minderjarige] bestaat uit het – via de GI – sturen van brieven en kaarten.
3.3.
[de minderjarige] heeft vanaf 9 november 2022 tot 9 november 2025 onder toezicht gestaan van de gecertificeerde instelling Regiecentrum Bescherming en Veiligheid.
3.4
De vader zit sinds eind december 2025 in voorlopige hechtenis.

4.De omvang van het geschil

Zaaknummer 200.361.779/01
4.1.
Tussen partijen is de invulling van het recht op omgang van de vader met [de minderjarige] in geschil. Bij de bestreden beschikking is het verzoek van de vader om een omgangsregeling vast te stellen afgewezen. In de overwegingen van de bestreden beschikking verwijst de rechtbank naar voornoemde uitspraak van dit hof van 1 mei 2025 en de daarin bepaalde voorlopige omgangsregeling. Die omgangsregeling is door de rechtbank als de definitieve omgangsregeling bepaald.
4.2.
De vader komt met drie grieven in hoger beroep van de bestreden beschikking. De vader verzoekt het hof om de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, een begeleide en opbouwende omgangsregeling vast te stellen waarbij [de minderjarige] binnen een passende termijn een weekend per veertien dagen bij de vader zal kunnen verblijven, althans een beslissing die het hof juist acht. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de vader ter toelichting op zijn verzoek aangegeven dat, omdat hij op dit moment in voorlopige hechtenis zit en hij geen fysiek contact in de gevangenis wil, hij in deze situatie een omgangsregeling wil, waarbij hij, naast het sturen van brieven en kaarten, belcontact met [de minderjarige] kan hebben.
4.3.
De moeder heeft ter zitting mondeling verweer gevoerd.
Zaaknummer 200.367.071/01
4.4.
Tussen partijen is in geschil de vraag of [de minderjarige] opnieuw onder toezicht moet worden gesteld. Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank het verzoek van de vader daartoe afgewezen.
4.5.
De vader is het niet eens met de beslissing van de kinderrechter. Hij wil dat het hof de beslissing van de kinderrechter ongedaan maakt en dat [de minderjarige] onder toezicht wordt gesteld voor de duur van een jaar, waarbij de ondertoezichtstelling niet door het Regiecentrum Bescherming en Veiligheid wordt uitgevoerd.
4.6.
De moeder heeft ter zitting mondeling verweer gevoerd.

5.De motivering van de beslissing

Zaaknummer 200.361.779/01
Wat staat in de wet en wat is het toetsingskader?
5.1.
De rechter stelt op verzoek van de ouders of van één van hen, al dan niet voor bepaalde tijd, een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vast dan wel ontzegt, al dan niet voor bepaalde tijd, het recht op omgang. De rechter ontzegt het recht op omgang slechts, indien:
a. omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van
het kind, of
b. de ouder kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang, of
c. het kind dat twaalf jaren of ouder is, bij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen omgang
met zijn ouder heeft doen blijken, of
d. omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind. [2]
5.2.
Dit recht op omgang wordt, wat betreft de niet met het gezag belaste ouder en degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot het kind staat [3] en het kind zelf [4] , daarnaast gewaarborgd door Europese en internationale verdragen. Op de ouder die met het gezag is belast, rust de verplichting om de ontwikkeling van de banden van zijn kind met de andere ouder te bevorderen. [5]
5.3.
Elke afwijzing van een verzoek tot vaststelling van een omgangsregeling en elke beslissing waarbij de omgang is ontzegd is tijdelijk van aard, in die zin dat de ouder wiens verzoek is afgewezen zich in geval van wijziging van omstandigheden en in ieder geval na verloop van een jaar opnieuw tot de rechter kan wenden om een omgangsregeling te laten vaststellen.
5.4.
De rechter dient bij het oordeel over een omgangsregeling in situaties waarin (een verdenking van) huiselijk geweld aan de orde is er rekening mee te houden dat de omgangsregeling niet ten koste gaat van de rechten en de veiligheid van het slachtoffer of een kind [6] . De rechter dient bijzondere zorgvuldigheid in acht te nemen bij de behandeling van de zaak, de risico’s op verder geweld goed in te schatten en adequate en proportionele maatregelen te nemen in het licht van die inschatting [7] .
Hoe oordeelt het hof?
5.5.
In september 2020 werd voor het eerst huiselijk geweld door Veilig Thuis vastgesteld. Vanaf februari 2021 volgden meerdere aangiftes van de moeder tegen de vader over stalking, identiteitsfraude, computervredebreuk en vernieling. In oktober 2022 werd door de politie aan de vader een lokaalverbod opgelegd voor de duur van twee jaren. Hij mocht niet in en bij de woning van de vrouw komen. Daarna volgden meerdere contact- en gebiedsverboden, onder andere als voorwaarde bij strafrechtelijke veroordelingen. Het contact- en gebiedsverbod dat op 16 oktober 2024 aan de vader werd opgelegd had zelfs een duur van vijf jaren. De vader werd op 8 december 2023 veroordeeld voor identiteitsfraude, computervredebreuk en belaging van de moeder. Op 16 oktober 2024 werd hij veroordeeld voor identiteitsfraude en belaging/bedreiging van de moeder via internet. De vader werd op 1 augustus 2025 in vrijheid gesteld. Sinds eind december 2025 zat hij in voorlopige hechtenis onder andere op verdenking van overtreding van het contact- en gebiedsverbod en identiteitsfraude. Het is onduidelijk wanneer de vader weer in vrijheid zal worden gesteld. De vader gaf tijdens de mondelinge behandeling aan dat er een strafzitting komt in verband met de overtreding van het gebiedsverbod. Hij vertelde dat in dat verband een NIFP-rapportage is gemaakt waarin wordt geadviseerd dat hij wordt behandeld om te leren zijn impulsen te controleren. De vader gaf aan dat volgens hem de aan hem ten laste gelegde feiten niet (helemaal) kloppen en dat hij zich afvraagt of hij schuldig zal worden bevonden. Op diverse vragen over de veroordelingen en contact- en gebiedsverboden beschuldigde hij de moeder van tegenwerking en het belemmeren van contact tussen [de minderjarige] en hem.
5.6.
In het raadsrapport van 24 maart 2025 spreekt de raad over grensoverschrijdend gedrag van de vader jegens de moeder en het ontbreken van inzicht van de vader in de impact van zijn gedrag op de moeder en op [de minderjarige] . De raad merkt op dat de gecertificeerde instelling (hierna: GI) heeft benoemd dat de vader [de minderjarige] inzet als pion om de moeder te raken. De moeder benoemde tijdens de mondelinge behandeling dat de vader haar niet met rust laat en haar blijft stalken. Ze ziet de procedures die hij voert als een voortzetting van dit gedrag. De mogelijkheid die de vader heeft om brieven en kaarten te sturen aan [de minderjarige] misbruikte hij door op de kaarten aan [de minderjarige] verwijten te maken aan haar en door een kaart aan haar te sturen. De stalking zet zich voort in de vorm van het versturen van kaarten. Ze heeft dit bij de politie gemeld. Dit gedrag van de vader duurt al jaren en ze heeft er slapeloze nachten van. Het heeft haar leven al jarenlang vergald. Ze wil dat het stopt, maar de vader gebruikt nu de gerechtelijke procedures als podium voor het contact met haar. De moeder vertelde dat [de minderjarige] het gedrag van de vader en de gevolgen daarvan opmerkt en dat hij het incident in december duidelijk heeft meegekregen. Dit incident bestond er volgens de moeder in dat de vader met gebruikmaking van een huurauto de moeder en [de minderjarige] heeft opgewacht en achtervolgd
.De vader heeft daarover ter zitting aangegeven het gebiedsverbod per ongeluk te hebben overtreden omdat hij [de minderjarige] wilde zien
.De moeder heeft het gevoel dat [de minderjarige] en zij moeten strijden voor rust en veiligheid.
5.7.
Het is voor het hof gezien de aard van de veroordelingen, het door de vader tot op heden negeren van voorwaarden en verboden en de jarenlange duur van het gedrag, mede gezien hetgeen door de raad is aangegeven in het raadsrapport en wat bekend is over het advies van het NIFP, duidelijk dat het hier gaat om intieme terreur. Daar komt bij dat een kind dat getuige is van huiselijk geweld ook een slachtoffer is van huiselijk geweld. [de minderjarige] is dus een slachtoffer van het gedrag van de vader.
5.8.
De raad benoemde tijdens de mondelinge behandeling dat de moeder contact tussen de vader en [de minderjarige] niet heeft belemmerd en dat zij goed heeft meegewerkt. De raad vindt dat de moeder, door nu nog steeds de brieven en kaarten van de vader te blijven ontvangen voor [de minderjarige] , zelfs over de grenzen gaat van wat wenselijk is en vraagt zich af of de moeder nog wel direct de brieven en kaarten van de vader zou moeten ontvangen. Het was de vader die tijdens de ondertoezichtstelling niet meewerkte en voor de belemmering zorgde. De raad vindt meer contact dan via brieven en kaarten niet wenselijk op dit moment. De vader moet eerst hulpverlening accepteren en met goed gevolg afronden voordat gedacht kan worden aan een verdergaande vorm van contact met [de minderjarige] .
5.9.
Het hof heeft in situaties als deze onder meer als taak om [de minderjarige] en de moeder te beschermen en te voorkomen dat een omgangsregeling kan worden misbruikt. Het hof is daarom met de raad van oordeel dat de vader hulpverlening, zoals bijvoorbeeld de door het NIFP geadviseerde behandeling voor impulscontrole, moet volgen en dat duidelijk moet zijn dat die hulpverlening positief effect heeft op het gedrag van de vader. Dit is een voorwaarde voor contact tussen de vader en [de minderjarige] . Het hof wijst daarom het verzoek van de vader voor een uitgebreidere omgangsregeling af.
5.10.
Hoewel de beslissing betreffende het sturen van brieven en kaarten niet voorligt overweegt het hof, mede met het oog op het onder 5.4 overwogene, het volgende. Volgens de bestreden beschikking geldt als regeling tussen de vader en [de minderjarige] dat het contact bestaat uit het - via de GI - sturen van brieven en kaarten. Inmiddels is de ondertoezichtstelling beëindigd en is de bemiddeling van de GI bij het sturen van kaarten en brieven niet meer mogelijk. De vader stuurt nu de kaarten rechtstreeks aan de moeder. Het hof overweegt dat het op grond van de bestreden beschikking geen plicht van de moeder is om de post van de man rechtstreeks te ontvangen.
Zaaknummer 200.367.071/01
Wat staat in de wet?
5.11.
De kinderrechter kan een kind onder toezicht stellen als het kind ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. Dat is als er grote zorgen zijn over zijn ontwikkeling. Ook moet vast komen te staan dat de ouders niet of niet genoeg meewerken aan vrijwillige hulpverlening. Ten slotte moet de kinderrechter ervan kunnen uitgaan dat de ouders de opvoeding en verzorging binnen een aanvaardbare termijn weer helemaal zelf op zich kunnen nemen [8] . Dat is de periode van onzekerheid die een kind kan overbruggen zonder ernstige schade op te lopen in zijn ontwikkeling.
5.12.
Het verzoek tot ondertoezichtstelling kan worden ingediend door de raad of het openbaar ministerie. Als de raad niet tot indiening van het verzoek overgaat, kan een ouder en degene die niet de ouder is en het kind als behorende tot zijn gezin verzorgt en opvoedt het verzoek indienen. [9] Indien een gecertificeerde instelling geen verzoek tot verlenging van een ondertoezichtstelling indient, dan is een ouder en degene die niet de ouder is en het kind als behorende tot zijn gezin verzorgt en opvoedt bevoegd het verzoek in te dienen [10] .
Hoe oordeelt het hof?
5.13.
De vader is ontvankelijk in zijn verzoek tot ondertoezichtstelling nu de GI geen verzoek heeft ingediend tot verlening van de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] en na beëindiging van de ondertoezichtstelling de raad geen verzoek tot ondertoezichtstelling heeft ingediend.
5.14.
Het hof neemt de overwegingen van de kinderrechter in de bestreden beschikking over en maakt die na onderzoek tot de zijne en voegt daaraan het volgende toe. Uit de stukken en uit wat tijdens de mondelinge behandeling is besproken, blijkt dat er geen zorgen zijn over de ontwikkeling van [de minderjarige] . Het gaat juist goed met hem. Hij gaat graag naar school en hij is een blij, behulpzaam en zorgzaam kind. Het traject met de kindercoach heeft hem geholpen onder andere bij het zich beter uiten. Als [de minderjarige] hulp nodig zou hebben, dan kan de moeder dat voor hem organiseren. De vader heeft als reden voor de door hem verzochte ondertoezichtstelling aangegeven dat de GI de omgang tussen [de minderjarige] en hem zou moeten begeleiden. Nu er geen sprake is van omgang, dan wel het toewerken naar omgang, is die reden niet aanwezig. Daar komt bij dat het enkel begeleiden van een omgangsregeling geen reden is voor een ondertoezichtstelling [11] , omdat ook in die situatie er een ernstige ontwikkelingsbedreiging moet zijn en het ontbreken van voldoende medewerking aan vrijwillige hulpverlening. Nu er geen ernstige ontwikkelingsbedreiging is, is er geen reden om [de minderjarige] onder toezicht te stellen.

6.De slotsom

Zaaknummer 200.361.779/01
6.1.
Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen zal het hof de bestreden beschikking bekrachtigen.
Zaaknummer 200.367.071/01
6.2.
Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen zal het hof de bestreden beschikking bekrachtigen.

7.De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:
Zaaknummer 200.361.779/01
7.1.
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland van 18 augustus 2025:
7.2.
wijst het meer of anders verzochte af.
Zaaknummer 200.367.071/01
7.3.
bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland van 30 december 2025;
7.4.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. K.H.P. Selcraig, mr. M.A.F. Veenstra en mr. L. van Dijk, bijgestaan door mr. S. van der Meer als griffier, en is op 2 juni 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.

Voetnoten

2.Artikel 1:377a lid 3 Burgerlijk Wetboek (BW).
3.Artikel 8 EVRM Pro.
4.Artikel 8 EVRM Pro, artikel 9 lid 3 IVRK Pro en artikel 24 lid 3 Handvest Pro van de grondrechten van de EU.
5.Artikel 1:247 lid 3 BW Pro en ECLI:NL:HR:2014:748.
6.Artikel 31 Verdrag Pro van Istanbul en artikel 19 IVRK Pro.
7.EHRM 15-06-2021, ECLI:CE:ECHR:2021:0615JUD006290315.
8.Artikel 1:255 lid 1 onder Pro a en b BW.
9.Artikel 1:255 lid 2 BW Pro.
10.Artikel 1:260 lid 2 BW Pro.