Belanghebbende was het niet eens met de aanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV) en inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (Zvw) over 2015. De Inspecteur had de aanslagen ambtshalve vastgesteld en belastingrente en een verzuimboete opgelegd. Na bezwaar had de Inspecteur de aanslagen verminderd, maar belanghebbende ging in beroep bij de rechtbank. De rechtbank vernietigde de aanslag IB/PVV en verlaagde het belastbaar inkomen, vernietigde de verzuimboete, maar verklaarde het beroep tegen de Zvw-aanslag niet-ontvankelijk. Belanghebbende stelde hoger beroep in.
Tijdens de zitting verscheen belanghebbende niet, ondanks correcte uitnodiging. Het Hof oordeelde dat de vennootschappen van belanghebbende geen belanghebbenden zijn in deze procedure. Het geschil betrof de juistheid van het belastbaar inkomen in de IB/PVV-aanslag. Belanghebbende betwistte het door de Inspecteur gebruikte renseignement van de SVB, maar het Hof vond de gegevens betrouwbaar en wees het bewijsaanbod af. Ook andere formeelrechtelijke bezwaren en een verzoek om een brief uit 2009 werden verworpen.
Het Hof stelde vast dat de Inspecteur het belastbaar inkomen uit werk en woning moest verminderen tot €35.266. Het beroep tegen de Zvw-aanslag werd bevestigd als niet-ontvankelijk. Het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen wegens gebrek aan causaal verband met onrechtmatig handelen. Het Hof veroordeelde de Inspecteur tot vergoeding van het betaalde griffierecht aan belanghebbende.