De zaak betreft een geschil over de beëindiging van huurovereenkomsten van twee bedrijfsruimtes die door de geïntimeerde sinds 2005 worden gehuurd. De verhuurder, appellante, wenst de huurovereenkomsten te beëindigen wegens dringend eigen gebruik voor sloop en nieuwbouw, maar de huurder accepteert dit niet.
De kantonrechter wees de vorderingen van de verhuurder af omdat onvoldoende aannemelijk was gemaakt dat de renovatieplannen uitvoerbaar en levensvatbaar zijn. Het hof bevestigt dit oordeel en oordeelt dat de verhuurder niet meer onderbouwing hoeft te geven dan redelijk is, maar dat de aangeleverde stukken onvoldoende zijn om de plannen als uitvoerbaar en levensvatbaar aan te merken.
Daarnaast weegt het hof de belangen af en concludeert dat de belangen van de huurder, die al decennia de bedrijfsruimtes exploiteert en voor wie de onderneming haar enige inkomstenbron is, zwaarder wegen dan het belang van de verhuurder. De vorderingen tot beëindiging worden daarom afgewezen en de verhuurder wordt veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep.