ECLI:NL:GHARL:2026:294

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
20 januari 2026
Publicatiedatum
20 januari 2026
Zaaknummer
200.346.302/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geschil over nakoming vaststellingsovereenkomst tussen vader en zoon met betrekking tot vastgoedtransacties en onverschuldigde betaling

In deze zaak gaat het om een geschil tussen een vader, [appellant], en zijn zoon, [geïntimeerde], over de nakoming van een vaststellingsovereenkomst en een betaling van € 320.000,- die door de zoon aan zichzelf is gedaan vanuit de bankrekening van de vader. De vader heeft in hoger beroep de vernietiging van een eerder vonnis van de rechtbank Midden-Nederland gevorderd, waarin zijn vordering tot terugbetaling van het bedrag was afgewezen. De rechtbank had in reconventie geoordeeld dat de overeenkomst van 14 oktober 2021 rechtsgeldig was en de vader veroordeeld tot betaling aan de zoon.

De vader stelt dat de betaling onverschuldigd was, omdat de zoon niet bevoegd was om deze betaling te verrichten. Hij voert aan dat de zoon in strijd met de volmacht heeft gehandeld en dat de overeenkomst onder invloed van een geestelijke stoornis, dwaling of misbruik van omstandigheden tot stand is gekomen. Het hof heeft de feiten opnieuw vastgesteld en de grieven van de vader thematisch behandeld. Het hof heeft partijen bewijsopdrachten gegeven om hun stellingen te onderbouwen, waarbij het hof zich op een aantal belangrijke punten onvoldoende voorgelicht achtte. De beslissing over de vorderingen van de vader en de zoon is aangehouden, en het hof heeft de bewijslevering geregeld voor een nader te bepalen datum.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht, handel
zaaknummer gerechtshof: 200.346.302/01
(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad: 554451)
arrest van 20 januari 2026
in de zaak van
[appellant],
die woont in [woonplaats1] ,
en bij de rechtbank optrad als eiser in conventie
en als verweerder in reconventie,
hierna:
[appellant],
advocaat: F.W. Aartsen te Harderwijk,
tegen
[geïntimeerde],
die woont in [woonplaats2] ,
en bij de rechtbank optrad als gedaagde in conventie
en als eiser in reconventie,
hierna:
[geïntimeerde],
advocaat: mr. J. Hagers te Amsterdam.

1.Het verloop van het geding in hoger beroep

1.1
Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
- de appeldagvaarding van 16 augustus 2024;
  • de memorie van grieven;
  • de memorie van antwoord;
  • de akte met producties A2-A10 zijdens [appellant] ;
  • de akte met productie A11 zijdens [appellant] ;
  • een H-12 formulier met producties 45 en 46 zijdens [geïntimeerde] ;
  • een H-12 formulier met productie 47 zijdens [geïntimeerde] .
1.2
Op 3 oktober 2025 heeft een mondelinge behandeling plaatsgehad. Daarvan is een proces-verbaal opgemaakt, dat deel uitmaakt van het procesdossier. Vervolgens hebben partijen arrest gevraagd. Daarna heeft het hof een datum voor arrest bepaald.
1.3
Op 7 november 2025 heeft het hof van mr. Hagers opmerkingen over het proces-verbaal ontvangen. Alleen voor zover dat voor de beoordeling relevant is, zal op die opmerkingen worden ingegaan.

2.De feiten

2.1
[appellant] houdt alle aandelen in het kapitaal van [naam1] (“ [naam1] "). Deze vennootschap houdt alle aandelen in [naam2] (“ [naam2] ”). [naam2] houdt zich bezig met beheer en exploitatie van vastgoed.
2.2
[geïntimeerde] is de zoon van [appellant] .
2.3
[appellant] heeft langdurig te kampen gehad met een alcoholverslaving en is daarvoor meerdere malen behandeld.
2.4
[geïntimeerde] en [appellant] hebben na een periode van ca. 17 jaar zonder contact elkaar medio 2020 weer ontmoet en hun contact hersteld.
2.5
[appellant] heeft aan [geïntimeerde] op 16 oktober 2020 een algemene volmacht (hierna: de volmacht) verleend, waarin onder meer is bepaald dat [geïntimeerde] [appellant] mag vertegenwoordigen bij de dagelijkse bedrijfsvoering voor zover het betreft [naam2] en [naam1] , daaronder mede begrepen de werkzaamheden ten aanzien van het verhuurde pand aan [adres1] .
2.6
Op 14 oktober 2021 hebben [appellant] en [geïntimeerde] ten kantore van [naam3] , de accountant van [naam1] , het volgende document ondertekend:
“(…)
2.7
[geïntimeerde] heeft met gebruikmaking van genoemde volmacht twee panden in Zeewolde verkocht, te weten het genoemde pand aan [adres1] en een pand (ook wel “ [bijnaam1] ” genoemd) aan het [adres2] (hierna tezamen: de panden).
2.8
In juni 2022 heeft [geïntimeerde] vanaf de bankrekening van [appellant] in verschillende tranches in totaal € 320.000,- naar zijn eigen bankrekening overgemaakt (hierna: de betaling).
3.
Het geschil en de beslissing in eerste aanleg
3.1
[appellant] heeft bij de rechtbank betaling door [geïntimeerde] gevorderd van € 320.000,-, vermeerderd met wettelijke rente en met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten, beslag- en nakosten daaronder mede begrepen.
3.2
[geïntimeerde] heeft verweer gevoerd en in reconventie op zijn beurt betaling gevorderd van diverse bedragen, vermeerderd met wettelijke rente en met veroordeling van [appellant] in de proceskosten.
3.3
De rechtbank Midden-Nederland (hierna: de rechtbank) heeft bij vonnis van 22 mei 2024 (hierna: het vonnis) in conventie de vordering van [appellant] afgewezen. In reconventie heeft de rechtbank voor recht verklaard dat de overeenkomst van 14 oktober 2021 rechtsgeldig is. Verder is [appellant] veroordeeld tot betaling aan [geïntimeerde] van € 122.307,50, vermeerderd met wettelijke rente. Ook heeft de rechtbank [appellant] in de proceskosten (zowel in conventie als in reconventie) veroordeeld.

4.De vorderingen en grieven van [appellant]

4.1
[appellant] vordert in hoger beroep vernietiging van het vonnis en, na eiswijziging, dat het hof bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad:
(1) zal verklaren voor recht dat [geïntimeerde] in strijd met de volmacht heeft gehandeld door
€ 320.000,- aan zichzelf te betalen van de bankrekening van [appellant] naar de bankrekening van [geïntimeerde] en als gevolg daarvan de rechtshandeling(en) waarmee de betaling(en) is (zijn) verricht nietig is (zijn);
(2)
Primair:
zal verklaren voor recht dat de overeenkomst van 14 oktober 2021 rechtsgeldig door [appellant] buitengerechtelijk is vernietigd, althans deze overeenkomst te vernietigen;
Subsidiair:
voor zover de overeenkomst van 14 oktober 2021 niet rechtsgeldig door [appellant]
buitengerechtelijk is vernietigd, dan wel bij het te dezen te wijzen
arrest alsnog wordt vernietigd, de overeenkomst van 14 oktober 2021 te
ontbinden;
(3) [geïntimeerde] zal veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting de somma van € 320.000,- aan [appellant] te voldoen, zulks te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 21 juni 2022, althans vanaf de dag der dagvaarding, tot aan de dag der algehele voldoening;
Verder heeft [appellant] gevorderd dat het hof
(4) [geïntimeerde] in zijn vorderingen niet ontvankelijk zal verklaren, althans
zijn vorderingen zal afwijzen;
(5) [geïntimeerde] zal veroordelen om aan [appellant] terug te betalen al hetgeen hij ter voldoening aan het vonnis in eerste aanleg heeft betaald, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van betaling door [appellant] aan [geïntimeerde] tot aan de dag der algehele voldoening;
(6) [geïntimeerde] zal veroordelen in de kosten van de procedure in eerste aanleg, de kosten van beslaglegging daaronder begrepen, en de kosten van de procedure in hoger beroep, te vermeerderen met de gebruikelijke nakosten ingeval van en zonder betekening van het te dezen te wijzen vonnis.
althans dat het hof een beslissing neemt die het in goede justitie rechtvaardig oordeelt.
4.2
[appellant] heeft het vonnis bestreden met een negental grieven, die ertoe moeten leiden dat zijn onder 4.1 weergegeven vorderingen worden toegewezen.
4.3
Het hof zal hierna de grieven thematisch behandelen en daarbij ook [appellant] eis beoordelen, voor zover die in hoger beroep is gewijzigd. [geïntimeerde] heeft geen bezwaar gemaakt tegen deze eiswijziging. Het hof ziet ook ambtshalve geen aanleiding deze buiten beschouwing te laten. De beslissing zal zijn dat het hof zich op dit moment op een aantal belangrijke punten onvoldoende voorgelicht acht en bewijsopdrachten aan partijen zal geven. Die beslissing wordt hieronder toegelicht.

5.De beoordeling

Feitenvaststelling door de rechtbank
5.1
Met grief 1 heeft [appellant] bezwaar gemaakt tegen de feitenvaststelling door de rechtbank. Het hof heeft de feiten opnieuw vastgesteld, zodat [appellant] in zoverre bij de behandeling van deze grief geen belang meer heeft. Inhoudelijke bezwaren en stellingen over de waardering en interpretatie van die feiten komen waar nodig hierna aan de orde. Voor zover het hof die bezwaren en stellingen niet specifiek behandelt worden die bezwaren geacht te zijn verworpen of als voor de beoordeling niet relevant geacht.
Onverschuldigde betaling
5.2
[appellant] betoogt in dit geding op verschillende gronden dat de in rov. 2.8 genoemde betaling onverschuldigd is geweest. Het standpunt van [appellant] berust op drie verschillende juridische pijlers, te weten (i) dat [geïntimeerde] niet ge(vol)machtigd was tot het doen van de betaling, (ii) dat (een juiste uitleg meebrengt dat) de in rov. 2.6 onder 3) weergegeven 50/50 verdelingsafspraak niet kan dienen als basis voor een verplichting voor [appellant] om [geïntimeerde] het genoemde bedrag te betalen en (iii) dat (mocht dit anders zijn) [appellant] deze afspraak heeft mogen vernietigen wegens een geestelijke stoornis en/of dwaling en/of misbruik van omstandigheden. Op basis van elk van deze pijlers meent [appellant] dat een rechtsgrond voor de betaling heeft ontbroken (art. 6:203 BW).
Niet ge(vol)machtigd tot het doen van de betaling?
5.3
[appellant] heeft voor wat betreft het eerste punt (het zonder volmacht handelen) onder andere aangevoerd dat de betaling als een ‘beschikkingshandeling’ moet worden aangemerkt, dat [geïntimeerde] alleen zulke handelingen mocht verrichten indien en voor zover uit een schriftelijke verklaring van [appellant] volgt dat hij deze bevoegdheid overdraagt aan [geïntimeerde] , dan wel uit een verklaring van een onafhankelijk arts of een indicatie van het Centrum indicatiestelling zorg blijkt dat [appellant] niet meer in staat is om zijn belangen te behartigen. Bij ontbreken van zo’n verklaring of indicatie mocht [geïntimeerde] niet ‘beschikken’ en dus ook de betaling niet verrichten. Ook beroept [appellant] zich erop dat [geïntimeerde] het niet alleen in de wet maar ook in de volmacht opgenomen verbod op ‘selbsteintritt’ heeft geschonden.
5.4
Het hof oordeelt hierover als volgt. Ook als er veronderstellenderwijs vanuit wordt gegaan dat de volmacht geen afdoende juridische basis bood voor de betaling door [geïntimeerde] , maakt - anders dan [appellant] meent – dat enkele gegeven die betaling nog niet onverschuldigd; nakoming van een verbintenis (in dit geval de voldoening van een geldschuld) kan immers ook door een ander dan de schuldenaar geschieden (art. 6:30 BW), ongeacht of dit in naam of in opdracht van de schuldenaar geschiedt of juist niet en ongeacht of de schuldenaar vooraf met het doen van de betaling bekend is of het daarmee eens is. [1] Weliswaar kan de verbintenis in dat soort gevallen slechts ‘gekweten’ worden indien die ander (in dit geval [geïntimeerde] ) handelt tot kwijting van de schuldenaar (in dit geval [appellant] ), maar in dit geschil heeft [geïntimeerde] nu juist betoogd de betaling te hebben gedaan ter delging van de schuld van [appellant] die zijns inziens is voortgevloeid uit de op 14 oktober 2021 tussen partijen gemaakte 50/50 verdelingsafspraak. Dat [geïntimeerde] de betaling heeft gedaan vanuit andere motieven dan om uitvoering te geven aan deze afspraak, is weliswaar gesuggereerd door [appellant] , maar niet feitelijk onderbouwd. Daaraan gaat het hof dan ook voorbij. Een los van de betalingsintentie van [geïntimeerde] staande vraag is hoe de genoemde afspraak moet worden begrepen en wat daarvan de rechtsgevolgen zijn geweest. Dit betreft een vraag van uitleg die door partijen verschillend wordt beantwoord en die hierna nog aan de orde komt. Uit het voorgaande volgt dat pijler (i) niet toereikend is voor toewijzing van de vordering van [appellant] uit onverschuldigde betaling.
Inhoud van de 50/50 verdelingsafspraak
5.5
Het lot van pijler (ii) hangt geheel af van de vraag of de 50/50 verdelingsafspraak wel of niet verplichtte tot de betaling van het in rov. 2.8 genoemde bedrag. Op vragen van het hof heeft [appellant] op de mondelinge behandeling aangegeven dat deze afspraak behelsde dat 50% van de resultaten van de inspanningen van [geïntimeerde] voor [appellant] oudedagsvoorziening zou worden gereserveerd en de andere 50% zou worden aangewend voor het gezamenlijk door vader en zoon gaan ondernemen op het gebied van vastgoed (een gedachte die volgens [appellant] nooit verdere uitwerking heeft gekregen). Die 50% zou in deze lezing dus niet naar [geïntimeerde] gaan als beloning voor zijn inspanningen. [geïntimeerde] heeft deze lezing van de 50/50 verdelingsafspraak echter gemotiveerd weersproken; volgens hem was die tweede 50% wel degelijk voor hemzelf bestemd als beloning voor zijn inspanningen en was dat voor beide partijen ook duidelijk. Nu [appellant] zijn eigen lezing van de 50/50 verdelingsafspraak heeft gebruikt ter onderbouwing van de (door [geïntimeerde] betwiste) stelling dat de betaling onverschuldigd was (en ten aanzien van die onverschuldigdheid ingevolge artikel 150 Rv stelplicht en bewijslast bij [appellant] liggen) [2] en hij op dit punt een ter zake dienend bewijsaanbod heeft gedaan, is het aan [appellant] om te bewijzen dat zijn uitleg van de 50/50 verdelingsafspraak moet worden gevolgd. Als [appellant] in dat bewijs slaagt, brengt dat mee dat voor de betaling geen rechtsgrond (lees: geen objectieve rechtvaardiging) [3] kan worden aangewezen en deze dus onverschuldigd was. Het door [appellant] te leveren bewijs zal moeten zien op de aanwezigheid van die ‘hulpfeiten’ die noodzakelijk en voldoende zijn om, met inachtneming van de Haviltex-maatstaf, tot de door [appellant] bepleite uitleg van de genoemde afspraken te komen. Het hof zal daartoe [appellant] een bewijsopdracht verstrekken op de wijze zoals hierna in het dictum bepaald.
5.6
Voor zover [appellant] zich in de toelichting op grief 4 heeft willen beroepen op een alternatieve, voornamelijk door fiscale noties gedreven, uitleg van de 50/50 verdelingsafspraak, die zou meebrengen dat sprake is van onverschuldigdheid van (slechts) een deel van de betaling en die mede in de weg zou staan aan (volledige) toewijsbaarheid van hetgeen [geïntimeerde] in reconventie heeft gevorderd, geldt dat het hof daaraan voorbij gaat, nu voor die alternatieve uitleg, mede gegeven de tekst van de op 14 oktober 2021 ondertekende afspraken en het feit dat deze uitleg geheel haaks staat op de hiervoor onder 5.5 weergegeven, door [appellant] bepleite uitleg van diezelfde afspraken, een voldoende feitelijke onderbouwing ontbreekt.
Geestelijke stoornis, dwaling of misbruik van omstandigheden?
5.7
De derde door [appellant] aangevoerde pijler onder zijn vordering uit onverschuldigde betaling houdt in dat de 50/50 verdelingsafspraak (op welke wijze deze ook zou moeten worden uitgelegd) onder invloed van een geestelijke stoornis (art. 3:34 BW) en/of dwaling (art. 6:228 BW) en/of misbruik van omstandigheden (art. 3:44 lid 4 BW) aan de zijde van [appellant] tot stand is gekomen en hij deze afspraak daarom heeft mogen vernietigen. Ook dat betoog is gemotiveerd door [geïntimeerde] bestreden.
5.8
Om met het beroep op een geestelijke stoornis te beginnen; dat slaagt niet. In eerste aanleg heeft [geïntimeerde] aangegeven dat, voor zover al sprake zou zijn geweest van een geestelijke stoornis bij [appellant] op het moment van totstandkoming van de 50/50 verdelingsafspraak, dit voor [geïntimeerde] en de overige aanwezigen niet kenbaar was (hetgeen het hof opvat als een beroep op art. 3:35 BW). De rechtbank heeft dit betoog van [geïntimeerde] gehonoreerd en geoordeeld dat “(n)ergens (…) uit (blijkt) dat [appellant] tijdens het ondertekenen van de overeenkomst zodanig onder invloed van alcohol of medicijnen was dat zijn verklaring niet overeenstemde met zijn wil en al helemaal niet dat [geïntimeerde] dit wist of moest weten.” Tegen deze overweging in het vonnis is door [appellant] niet gegriefd, althans niet anders dan met de herhaling van de enkele stelling dat [geïntimeerde] “wist althans behoorde te weten” dat op het moment van tekenen bij [appellant] sprake was van een geestelijke stoornis. Anders dan [appellant] kennelijk meent, volgt die kennis respectievelijk kenbaarheid nog niet uit het enkele feit dat [geïntimeerde] er in algemene zin mee bekend was dat [appellant] met een alcoholverslaving kampte en daarvoor ook medicijnen gebruikte. [4] Daarvoor is ook nodig het bestaan van concrete feiten en omstandigheden (bijvoorbeeld rondom of tijdens het moment van tekenen door [appellant] vertoond vreemd of verward gedrag en/of onsamenhangend taalgebruik etc.) waaruit door de andere aanwezigen kon worden afgeleid dat [appellant] op het moment van ondertekenen niet bij machte was zijn wil te bepalen of daaraan op dat moment in redelijkheid kon worden getwijfeld. Daarover heeft [appellant] echter niets concreets gesteld. Ook de in hoger beroep door [appellant] in het geding gebrachte verklaring van twee artsen van Tactus Verslavingszorg gaat niet in op de vraag of de door [appellant] gestelde geestelijke stoornis op het moment van tekenen voor de andere aanwezigen kenbaar was en evenmin of hij op of rondom dat moment gedrag liet zien dat redelijkerwijs aanleiding had moeten geven tot twijfel bij [geïntimeerde] over het vermogen van [appellant] om op dat moment zijn wil te bepalen. Op dit een en ander stuit het beroep op een geestelijke stoornis af en behoeft hetgeen daarover verder door partijen is betoogd geen behandeling meer.
5.9
Ook het subsidiair gedane beroep op dwaling wordt verworpen. Uit de stukken (waaronder de overgelegde whatsapp communicatie tussen [appellant] en [geïntimeerde] ) en het verhandelde ter zitting maakt het hof op dat [appellant] tijdens het maken van de 50/50 verdelingsafspraak afdoende op de hoogte was van de tot dan toe door [geïntimeerde] gepleegde inspanningen ten behoeve van [appellant] . [appellant] heeft onvoldoende feiten en omstandigheden aangedragen ter onderbouwing van de stelling dat hij op dit punt door [geïntimeerde] op het verkeerde been is gezet en dat daardoor zijn wil op 14 oktober 2021 op onzuivere wijze (dat wil zeggen: onder invloed van een onjuiste voorstelling van zaken) is gevormd. Op dit een en ander stuit het door [appellant] gedane beroep op dwaling af en behoeft hetgeen daarover verder door partijen is betoogd geen behandeling meer.
5.1
Dan komt het hof toe aan de eveneens door [appellant] betrokken stelling dat zijn instemming met de op 14 oktober 2021 gemaakte afspraken onder invloed van misbruik van omstandigheden is gegeven. Voor een geslaagd beroep op deze vernietigingsgrond is nodig dat iemand die weet of moet begrijpen dat een ander door bijzondere omstandigheden (zoals noodtoestand, afhankelijkheid of onervarenheid) wordt bewogen tot het verrichten van een rechtshandeling, het tot stand komen daarvan bevordert terwijl dit een en ander hem (juist) van dit ‘bevorderen’ zou moeten weerhouden (art. 3:44 lid 4 BW). Stelplicht en, bij betwisting, bewijslast ten aanzien van de toepasselijkheid van deze wetsbepaling berusten bij degene die zich erop beroept. [appellant] heeft zich op diverse feiten en omstandigheden ten tijde van de ondertekening (waaronder zijn kwetsbare financiële en persoonlijke situatie en (zo begrijpt het hof) de heftige emoties die het recent hervonden contact met zijn zoon bij hem opriepen) beroepen die zijns inziens meebrengen dat hem een beroep op deze wetsbepaling toekomt. Nu [geïntimeerde] gemotiveerd heeft betwist dat van misbruik van omstandigheden sprake is geweest, zal het hof ook voor dit punt een bewijsopdracht aan [appellant] verstrekken, op de wijze als in het dictum bepaald.
Opschorting en ontbinding
5.11
Het subsidiair door [appellant] gedane beroep op opschorting van zijn verbintenissen die voortvloeien uit de op 14 oktober 2021 gemaakte afspraken respectievelijk ontbinding van die afspraken in verband met de zijns inziens ondermaatse uitvoering daarvan kan het in dit stadium van dit geding zonder behandeling stellen; ingeval na bewijslevering zou moeten worden geoordeeld dat deze afspraken zijn getroffen door een vernietiging op de voet van art. 3:44 lid 4 BW, kan immers geen grondslag voor deze opschorting respectievelijk ontbinding (meer) worden aangewezen. Het hof acht het daarom dienstig het beroep op opschorting en ontbinding pas te behandelen nadat het op het punt van [appellant] beroep op misbruik van omstandigheden een beslissing heeft genomen.
Recht op loon?
5.12
Met zijn zesde grief komt [appellant] op tegen het oordeel van de rechtbank dat partijen naast de 50/50 verdelingsafspraak zijn overeengekomen dat [appellant] loon aan [geïntimeerde] is verschuldigd voor een halve werkweek gedurende het dienstverband van [geïntimeerde] bij [naam4] . [appellant] geeft aan dat [geïntimeerde] niet duidelijk heeft gemaakt hoe resp. wanneer deze afspraak dan tot stand zou zijn gekomen en hoe deze afspraak zich dan zou verhouden tot het gegeven dat [geïntimeerde] tot in elk geval 1 februari 2022 salaris van [naam4] is blijven ontvangen en tot het gelijktijdig door [geïntimeerde] aanspraak maken op 50% van de netto verkoopopbrengst van het vastgoed van [appellant] . Gelet op het feit dat de stelplicht en, bij betwisting, de bewijslast ten aanzien van de verschuldigdheid van loon bij [geïntimeerde] berusten en [appellant] gemotiveerd heeft betwist loon aan [geïntimeerde] verschuldigd te zijn, zal het hof [geïntimeerde] in de gelegenheid stellen om te bewijzen dat hij op grond van de met [appellant] gemaakte afspraken en/of op grond van art. 7:405 lid 2 BW recht heeft op het door hem gevorderde loonbedrag. Het hof zal daartoe [geïntimeerde] een bewijsopdracht verstrekken op de wijze zoals hierna in het dictum bepaald.
Tot slot
5.13
Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.
6. De beslissing
Het hof, rechtdoende in hoger beroep:
draagt [appellant] op te bewijzen de door hem gestelde feiten en omstandigheden als bedoeld in
rechtsoverweging 5.5 en 5.10;
draagt [geïntimeerde] op te bewijzen de door hem gestelde feiten en omstandigheden als bedoeld in
rechtsoverweging 5.12;
bepaalt dat, indien [appellant] respectievelijk [geïntimeerde] dat bewijs (ook) door middel van getuigen wenst te leveren, het verhoor van deze getuigen zal geschieden ten overstaan van het hierbij tot raadsheer-commissaris benoemde lid van het hof mr. P.S. Bakker - dan wel, bij diens ontstentenis, een ander lid van het hof - die daartoe zitting zal houden in het Paleis van Justitie aan het Wilhelminaplein 1 te 8911 BS Leeuwarden en wel op een nader door deze vast te stellen dag en tijdstip;
bepaalt dat [appellant] respectievelijk [geïntimeerde] het aantal voor te brengen getuigen alsmede de
verhinderdagen in de periode maart t/m juni 2026 van beide partijen, van hun advocaten en van de getuigen zal opgeven op de rol van 10 februari 2026, waarna de raadsheer-commissaris dag en uur van het verhoor (ook indien voormelde opgave van een of meer van partijen ontbreekt) vaststelt;
bepaalt dat [appellant] respectievelijk [geïntimeerde] overeenkomstig artikel 170 Rv de namen en
woonplaatsen van de getuigen tenminste een week voor het verhoor aan de wederpartij en de
griffier van het hof dient op te geven;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. P.S. Bakker, D.H. de Witte en M.A.L.M. Willems en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op
20 januari 2026.

Voetnoten

1.Conclusie A-G Timmerman voor HR 10 oktober 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF8844, rn. 3.6, met verwijzing naar Parl. gesch. Boek 6, blz. 157-159. Vgl. Asser/Sieburgh 6-I 2020/200.
2.Vgl. conclusie A-G Snijders voor HR 24 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:288, rn.3.22.
3.Vgl. R. Koolhoven, GS Verbintenissenrecht, art. 6:203 BW, aant. 2.1.
4.Vgl. conclusie A-G Wesseling-van Gent voor HR 26 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1139.