Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:2631

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
28 april 2026
Publicatiedatum
29 april 2026
Zaaknummer
200.337.702
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:88 BWArt. 1:89 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Effectenleaseovereenkomsten vernietigd wegens niet-verjaard vernietigingsrecht

In deze civiele zaak staat centraal of het vernietigingsrecht van effectenleaseovereenkomsten tussen Dexia Nederland B.V. en de afnemer is verjaard. De afnemer beriep zich op vernietiging van de overeenkomsten door zijn echtgenote op grond van artikel 1:88 en Pro 1:89 BW. Dexia stelde dat dit recht was verjaard en voerde bewijs aan om dit te onderbouwen.

Na een getuigenverhoor en het bestuderen van schriftelijke verklaringen oordeelde het hof dat Dexia niet slaagde in haar bewijsopdracht. De afnemer en zijn echtgenote verklaarden dat zij pas in 2003 bekend raakten met de overeenkomsten, terwijl Dexia onvoldoende aannemelijk maakte dat de echtgenote vóór 13 maart 2000 op de hoogte was. De financiële administratie werd gescheiden gehouden, en betalingen vonden plaats vanaf de rekening van de afnemer waar de echtgenote geen toegang toe had.

Het hof concludeerde dat de verjaringstermijn niet was aangevangen vóór 13 maart 2000 en dat het vernietigingsrecht tijdig was gestuit. Daarom werden de vernietigingen van de overeenkomsten rechtsgeldig geacht. Dexia's grieven tegen eerdere vonnissen werden verworpen en de vonnissen bekrachtigd. Dexia werd veroordeeld tot betaling van proceskosten in hoger beroep.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de vernietiging van de effectenleaseovereenkomsten en wijst het hoger beroep van Dexia af.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.337.702
zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, 10276648
arrest van 28 april 2026
in de zaak van
Dexia Nederland B.V.
die is gevestigd in Amsterdam
die hoger beroep heeft ingesteld
en bij de kantonrechter optrad als eiseres in conventie en verweerster in reconventie
hierna: Dexia
advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer
tegen
[geïntimeerde]
die woont in [woonplaats]
en bij de kantonrechter optrad als gedaagde in conventie en eiser in reconventie
hierna (in mannelijk enkelvoud): de afnemer
advocaat: mr. C. van der Mark

1.Het verloop van de procedure in hoger beroep

1.1.
Naar aanleiding van het arrest van 21 oktober 2025 heeft op 17 december 2025 een getuigenverhoor bij het hof plaatsgevonden. Daarvan is een verslag gemaakt dat aan het dossier is toegevoegd (het proces-verbaal). Na het getuigenverhoor hebben partijen afgezien van het nemen van memories na enquête en arrest gevraagd.

2.De kern van de zaak

2.1.
Tussen Dexia en de afnemer zijn effectenleaseovereenkomsten tot stand gekomen met contractnummers [contractnummer1] , [contractnummer2] en [contractnummer3] (hierna gezamenlijk: de overeenkomsten). De afnemer heeft een beroep gedaan op de vernietiging van de overeenkomsten door zijn echtgenote (op grond van de artikelen 1:88 en 1:89 BW). De afnemer stelt dat hij gelet op die vernietiging nog een vordering heeft op Dexia.
Tussen partijen is in geschil of het vernietigingsrecht is verjaard.

3.De verdere beoordeling

Vernietiging overeenkomsten ex artikel 1:88 lid 1 sub d BW Pro/1:89 lid 1 BW
3.1.
De grieven van Dexia richten zich tegen het oordeel van de kantonrechter dat de afnemer zijn verweer ten aanzien van de verjaring voldoende heeft onderbouwd en dat Dexia haar stellingen onvoldoende heeft onderbouwd (grief 1), dat het bewijsaanbod van Dexia om die reden gepasseerd dient te worden (grief 2) en dat de vordering afgewezen dient te worden (grief III). Verder komt Dexia op tegen de toewijzing van de reconventionele vordering van de afnemer (grief IV).
3.2.
Het hof heeft in zijn tussenarrest geoordeeld dat de verjaring van de bevoegdheid tot vernietiging van de overeenkomsten tijdig is gestuit indien de echtgenote van de afnemer, [naam] (hierna: [naam] ) pas ná 13 maart 2000 bekend raakte met de overeenkomsten. Het hof verwijst naar het toetsingskader zoals het dat uiteen heeft gezet in het tussenarrest.
3.3.
Het hof heeft in het tussenarrest overwogen dat niet is komen vast te staan dat de betalingen aan Dexia vanaf een gezamenlijke bankrekening ten name van de afnemer en [naam] zijn gedaan en er daarom geen aanleiding is om een bewijsvermoeden ten gunste van Dexia aan te nemen met betrekking tot de aanvang van de verjaringstermijn. Dexia is toegelaten tot het bewijs van feiten en omstandigheden waaruit is af te leiden dat [naam] vóór 13 maart 2000 bekend is geworden met het bestaan van de overeenkomsten. Dexia heeft de afnemer en [naam] als (partij)getuige laten horen. De afnemer heeft afgezien van contra-enquête.
3.4.
Het hof is van oordeel dat Dexia niet is geslaagd in haar bewijsopdracht. Hiervoor is het volgende van belang.
3.5.
De afnemer heeft in aanvulling op zijn schriftelijke verklaring onder meer, samengevat, onder ede het volgende verklaard.
De afnemer is via een collega bekend geraakt met de financiële producten van Legio-Lease/Dexia. Hij was toen bij Dexia, bij Bank Labouchère, gedetacheerd als programmeur. Hij heeft de contracten afgesloten door Legio Lease te bellen. Zij hebben hem de contracten toegestuurd. Hij heeft de informatie doorgenomen en de contracten ondertekend teruggestuurd. Hij heeft het aangaan van de effectenleaseovereenkomsten niet besproken met zijn vrouw. Hun inkomens waren privé en zij behielden hun zelfstandigheid. Dat was voor hun belangrijk. De afnemer en zijn vrouw waren en zijn op huwelijkse voorwaarden getrouwd. De afnemer werkte toen al als zelfstandige en wilde het zakelijke risico bij zijn vrouw weghouden. De afnemer en zijn vrouw hadden ieder hun eigen spaargeld. Van hun inkomen ging een deel naar de gezamenlijke kosten. Het dividend dat werd uitgekeerd ten aanzien van de effectenleasecontracten kreeg de afnemer op zijn rekening gestort. Hij besprak dat niet met zijn vrouw. De maandelijkse inleg voor de financiële producten van Legio-Lease/Dexia werd van afnemers eigen rekening afgeschreven. Zijn vrouw had ook een eigen rekening en ze hadden samen een en/of-rekening. De spaarrekeningen hingen aan de eigen rekeningen. Zijn vrouw deed de huishoudelijke taken en de afnemer beheerde de financiën, ook de gezamenlijke uitgaven. De afnemer deed niet de financiële administratie van zijn vrouw. De belastingaangifte deed een administratiekantoor. Ze kregen twee aangiftes, één voor de afnemer en één voor zijn vrouw, en ze deden dus apart belastingaangifte. Op afnemers belastingaangifte stond niet specifiek iets van Legio Lease. Er stond wel een bedrag aan effecten. Dat stond niet in de aangifte van zijn vrouw. Zij openden ieder hun eigen post. Zijn vrouw opende niet de post op afnemers naam en bekeek nooit de bankafschriften van de rekening waarvan de Legio-Lease/Dexia afschrijvingen plaatsvonden. Zijn vrouw had geen bankpas van de rekening waarvan de kosten voor de effectenleaseovereenkomsten werden afgeschreven. Zijn vrouw raakte bekend met het bestaan van de effectenleaseovereenkomsten op het moment van
de grote coming out. Hij werd door Dexia gebeld in verband met een “Dexia-aanbod”. Zijn vrouw was daar ook bij aanwezig in de woonkamer. Toen heeft hij haar verteld dat hij de contracten destijds had afgesloten. Dit was in het voorjaar van 2003.
3.6.
[naam] heeft in aanvulling op haar schriftelijke verklaring onder ede onder meer, samengevat, het volgende verklaard.
[naam] wist niet dat haar man de financiële producten bij Legio-Lease/Dexia had afgesloten in 1999. Zij werkte als projectleider in het klinisch onderzoek. Zij waren op huwelijkse voorwaarden getrouwd. Ze bespraken niet hun persoonlijke uitgaven. Zij had een eigen rekening. Er was een gezamenlijke rekening en haar man had ook een eigen rekening. [naam] had ook een spaarrekening die vastzat aan haar privérekening. Op haar privérekening werd ook haar salaris gestort. De maandelijkse afschrijvingen voor de financiële producten van Legio-Lease werden niet van de gemeenschappelijke rekening afgeschreven. Toen zij begin 2003 ergens achter kwam, heeft haar man wel gezegd dat de kosten van zijn privérekening gingen. Ze deden ieder hun eigen financiële administratie. Ze stortten beide een deel van hun salaris op de gezamenlijke rekening. De rest hielden ze apart, voor eigen gebruik. Ze deden apart aangifte voor de inkomstenbelasting. Dat werd voorbereid door het administratiekantoor. Zij bekeek de aangifte van haar man niet. Hij bekeek ook haar aangifte niet. Ze hielden dat gescheiden. Ieder opende zijn eigen post. Dat doen ze nu nog zo. Zij bekeek niet de bankafschriften van de rekening waarvan de Legio-Lease afschrijvingen plaatsvonden en zij had geen bankpas van die rekening. De effectenleaseovereenkomsten werd niet opgevoerd in de belastingaangifte van [naam] . Zij weet sinds begin 2003 van het bestaan van de effectenleaseovereenkomsten. Haar man werd gebeld door Dexia. Zij zat toen in dezelfde kamer. Zij hoorde hem het gesprek voeren. Toen heeft zij gevraagd waar het over ging. Haar man heeft het toen uitgelegd. Haar man heeft verteld dat hij die contracten had gesloten. Zij weet dat het telefoongesprek met Dexia en haar man in 2003 was, omdat zij er met haar man over heeft gesproken. Toen kwamen ze er samen op uit dat het telefoongesprek in 2003 was. Ze kon zich het jaartal zelf niet herinneren.
3.7.
In aanmerking genomen deze getuigenverklaringen en de in het geding gebrachte schriftelijke verklaringen van de afnemer en [naam] , ook in onderling verband en samenhang bezien, heeft Dexia met hetgeen zij in deze procedure naar voren heeft gebracht naar het oordeel van het hof niet bewezen dat [naam] voor 13 maart 2000 daadwerkelijk op de hoogte was van het bestaan van de overeenkomsten. Doordat de afnemer en [naam] ieder hun eigen financiële administratie deden en de betalingen aan Dexia plaatsvonden vanaf de eigen rekening van de afnemer waarvan [naam] geen pinpas had en waar zij niet op keek, is er geen grond om aan te nemen dat zij via deze bankrekening van de afnemer bekend raakte met de overeenkomsten. Zij opende geen post van de afnemer, waaronder zijn bankafschriften, en hield zich niet bezig met zijn financiën, behoudens indien het gezamenlijke uitgaven betrof. Het hof acht de verklaringen van de afnemer en [naam] omtrent het beheer van de financiën geloofwaardig en als geheel voldoende consistent. Zowel de afnemer als [naam] hebben verder consistent verklaard dat de afnemer [naam] aanvankelijk niet heeft ingelicht over het afsluiten van de overeenkomsten en dat [naam] daarvan pas later van op de hoogte raakte. Zowel de afnemer als [naam] hebben daarbij het jaar 2003 genoemd. Uit de getuigenverklaringen kan in ieder geval niet geconcludeerd worden dat [naam] voor 13 maart 2000 bekend is geraakt met het bestaan van de overeenkomsten. Hetgeen Dexia in eerste aanleg en in hoger beroep ter onderbouwing van de door haar gestelde bekendheid heeft aangedragen betreft vooral veronderstellingen en wordt niet ondersteund door bijvoorbeeld de getuigenverklaringen.
3.8.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat niet is komen vast te staan dat de verjaringstermijn van de vordering tot vernietiging voor 13 maart 2000 is aangevangen en nadien niet tijdig is gestuit. Het verjaringsverweer dient daarom verworpen te worden, zodat ervan uitgegaan dient te worden dat [naam] de overeenkomsten rechtsgeldig heeft vernietigd. Dit betekent dat de grieven van Dexia tegen de bestreden vonnissen van de rechtbank niet slagen en deze vonnissen bekrachtigd zullen worden.
De conclusie
3.9.
Het hoger beroep slaagt niet. Omdat Dexia in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof Dexia tot betaling van de proceskosten in hoger beroep veroordelen. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak en de wettelijke rente daarover. De rente is verschuldigd vanaf veertien dagen na die betekening. [1]
3.10.
De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).

4.De beslissing

Het hof:
4.1.
bekrachtigt de vonnissen van de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland van 5 juli 2023 en 1 november 2023;
4.2.
veroordeelt Dexia tot betaling van de volgende proceskosten van de afnemer:
€ 349,- aan griffierecht
€ 1.935,- aan salaris van de advocaat van de afnemer (1,5 procespunten x het toepasselijke tarief II);
4.3.
bepaalt dat al deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag. Als niet op tijd wordt betaald, dan worden die kosten verhoogd met de wettelijke rente;
4.4.
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
4.5.
wijst af wat verder is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. S.C.P. Giesen, M. Schoemaker en A.A.J. Smelt, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 28 april 2026.

Voetnoten

1.HR 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:853.