Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:2618

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
28 april 2026
Publicatiedatum
28 april 2026
Zaaknummer
200.353.890/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:301 lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens niet-inschrijving rechtsmiddelenregister bij verkoop voormalige echtelijke woning

Partijen zijn gescheiden en hebben afspraken gemaakt over de verkoop van hun voormalige echtelijke woning. Appellant zou de woning overnemen, maar slaagde er niet in tijdig de financiering rond te krijgen. Geïntimeerde vorderde dat appellant onder verbeurte van een dwangsom medewerking verleent aan verkoop en levering van de woning.

De voorzieningenrechter wees de vorderingen van geïntimeerde toe, behalve de kostenveroordeling, en wees een extra termijn voor appellant af. Appellant stelde hoger beroep in, maar schreef dit niet in het rechtsmiddelenregister in, wat wettelijk verplicht is bij uitspraken die in de plaats treden van een leveringsakte.

Het hof verklaart appellant deels niet-ontvankelijk voor grieven die zien op de indeplaatsstelling van het vonnis en de daarmee samenhangende veroordelingen. Alleen grieven over ontruimingstermijn, dwangsom en spoedeisend belang worden inhoudelijk behandeld en afgewezen. Het hof bekrachtigt het vonnis en veroordeelt appellant in de proceskosten van geïntimeerde.

Uitkomst: Het hof verklaart appellant deels niet-ontvankelijk en bekrachtigt het vonnis van de voorzieningenrechter over de verkoop en levering van de woning.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.353.890/01
zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 588176
arrest van 28 april 2026
in de zaak van
[appellant] ( [appellant] )
die woont in [woonplaats]
advocaat: mr. E.J.E. Boot en mr. I.M.C.A. Reinders Folmer
en
[geïntimeerde] ( [geïntimeerde] )
die woont in [land1]
advocaat: mr. J.I. Vervest

1.Het verloop van de procedure in hoger beroep

1.1.
[appellant] heeft bij dit hof hoger beroep ingesteld tegen het vonnis in kort geding dat op 19 maart 2025 tussen partijen is uitgesproken door de voorzieningenrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad (bestreden vonnis). Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
• de dagvaarding in hoger beroep
• een akte van [appellant] van 13 mei 2025
• een antwoordakte van [geïntimeerde] van 8 juli 2025
• de memorie van grieven
• de memorie van antwoord
• het verslag van de mondelinge behandeling die op 16 april 2026 is gehouden (het proces-verbaal).
Hierna hebben partijen het hof gevraagd arrest te wijzen.

2.De feiten

2.1
Partijen zijn gehuwd geweest in wettelijke gemeenschap van goederen. De echtscheidingsbeschikking van 3 augustus 2015 is op 10 september 2015 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
2.2
Partijen hebben over de gevolgen van hun echtscheiding afspraken gemaakt die zijn vastgelegd in een echtscheidingsconvenant dat aan de echtscheidingsbeschikking is gehecht. Met betrekking tot de echtelijke woning aan de [adres] te ( [postcode] ) [woonplaats] hebben partijen afgesproken dat deze woning (eerst) gemeenschappelijk blijft en dat zij per 1 januari 2017 afspraken gaan maken of de woning (daarna) gemeenschappelijk blijft.
2.3
[appellant] is [in] 2016 in [plaats] ( [land2] ) in het huwelijk getreden met [naam] ( [naam] ).
2.4
Partijen hebben in een kort gedingprocedure op de zitting van 2 september 2024 overeenstemming bereikt over de waarde waartegen [appellant] de woning zou overnemen en de verdeling van de overwaarde. Partijen hebben een vaststellingsovereenkomst getekend die aan het proces-verbaal van de zitting is gehecht. Hierin is opgenomen dat [appellant] de woning uiterlijk 2 december 2024 overneemt tegen een waarde van € 428.000,- waarbij [geïntimeerde] wordt ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypotheekschuld. Als [appellant] de financiering niet rond krijgt wordt de woning uiterlijk op 3 december 2024 te koop gezet.
2.5
[appellant] is 80 tot 100% arbeidsongeschikt verklaard. Hij ontvangt sinds de scheiding een uitkering van het UWV. [appellant] is er niet in geslaagd voor de afgesproken termijn de financiering rond te krijgen.
2.6
[geïntimeerde] heeft bij de voorzieningenrechter in de rechtbank gevorderd dat [appellant] onder verbeurte van een dwangsom zijn medewerking moet verlenen aan de verkoop en levering van de woning door de opdracht aan de makelaar, de koopovereenkomst en de akte van levering te ondertekenen en de woning te ontruimen en te bepalen dat het vonnis van de voorzieningenrechter in de plaats treedt van de medewerking van [appellant] als de totale dwangsom van € 25.000,- is verbeurd en hij blijft weigeren zijn medewerking te verlenen. Een en ander met veroordeling van [appellant] in de kosten van de procedure.
2.7
[appellant] heeft verweer gevoerd en bij de voorzieningenrechter en in reconventie gevorderd hem een extra termijn te geven om de woning over te nemen en te bepalen dat iedere partij de eigen kosten draagt.
2.8
De voorzieningenrechter heeft de vorderingen van [geïntimeerde] toegewezen, met uitzondering van de gevorderde kostenveroordeling en heeft de reconventionele vordering van [appellant] om hem een extra termijn te geven afgewezen. De proceskosten zijn gecompenseerd. De bedoeling van het hoger beroep van [appellant] is dat de toegewezen vorderingen van [geïntimeerde] alsnog worden afgewezen of dat in ieder geval de dwangsommen worden gematigd. [appellant] heeft het hoger beroep niet ingeschreven in het rechtsmiddelenregister.
2.9
Op 10 juni 2025 heeft er een derde kort geding tussen partijen plaatsgevonden over de echtelijke woning waarbij ook de echtgenote van [appellant] is gedagvaard om haar medewerking te verlenen aan de verkoop en levering van de woning. De voorzieningenrechter heeft [geïntimeerde] niet-ontvankelijk verklaard in haar vorderingen tegen [appellant] bij gebrek aan belang omdat zij met het bestreden vonnis al kan bereiken wat zij wil. De vorderingen tegen de echtgenote van [appellant] zijn afgewezen omdat in kort geding niet is komen vast te staan dat [appellant] onverdeelde helft van de woning onderdeel is gaan uitmaken van een huwelijksgoederengemeenschap met zijn echtgenote en dat haar toestemming noodzakelijk is.

3.De toelichting op de beslissing van het hof

3.1
Het hof zal beslissen dat [appellant] deels niet-ontvankelijk is in zijn hoger beroep en licht dat hierna toe. Het hof laat het vonnis van de voorzieningenrechter in stand.
Ontvankelijkheid van het hoger beroep
3.2
De wet bepaalt dat het hoger beroep tegen een uitspraak waarvan de rechter heeft bepaald dat zij in de plaats treedt van een tot levering van een registergoed bestemde akte binnen acht dagen moet worden ingeschreven in het rechtsmiddelenregister. [1] Als die inschrijving niet binnen die termijn plaatsvindt is het hoger beroep niet-ontvankelijk.
3.3
Vast staat dat [appellant] het hoger beroep niet heeft ingeschreven in het rechtsmiddelenregister. Hij stelt dat dit niet nodig was omdat hij geen bezwaar heeft tegen het onderdeel van de uitspraak waarbij is bepaald dat het vonnis in de plaats treedt van een voor de verkoop en daaropvolgende levering benodigde machtiging van [appellant] . Zijn voornaamste bezwaar tegen het vonnis is dat hij in gemeenschap van goederen getrouwd is met [naam] , dat de woning in die gemeenschap valt en dat hij daarom zijn veroordeling om de woning te verkopen en te leveren niet kan nakomen. Hij stelt dat hij daarvoor de toestemming en medewerking van zijn echtgenote nodig heeft.
3.4
Het hof verwerpt dit verweer van [appellant] . De eis van inschrijving in het rechtsmiddelenregister is beperkt tot de gevallen waarin op het moment dat het hoger beroep wordt ingesteld de uitspraak in de plaats is getreden van de akte van levering van een registergoed of nog kan treden. [2] In dit geval kan de uitspraak van de voorzieningenrechter nog in de plaats treden van de leveringsakte als [appellant] niet meewerkt aan de verkoop en levering en de maximale dwangsommen van € 25.000,- zijn verbeurd. Dat betekent dat [appellant] zijn hoger beroep had moeten inschrijven in het rechtsmiddelenregister op straffe van niet-ontvankelijkheid.
3.5
De niet-ontvankelijkheid strekt zich uit tot klachten die zich richten tegen oordelen over het gedeelte van de uitspraak dat in de plaats treedt van de akte tot levering en de daarmee onlosmakelijk verbonden oordelen. [3] De onder 5.5 in het dictum van het bestreden vonnis opgenomen indeplaatsstelling ziet op de onder 5.1 tot en met 5.4 van dat vonnis opgenomen veroordelingen of zijn daarmee onlosmakelijk verbonden. De grieven van [appellant] zien voor het overgrote deel op de aan hem opgelegde verplichting mee te werken aan de verkoop en levering van de woning en richten zich daarmee op de indeplaatsstelling en hetgeen daarmee onlosmakelijk is verbonden. In zijn eerste grief klaagt [appellant] immers dat geen rekening is gehouden met zijn huwelijk in gemeenschap van goederen met [naam] waardoor hij de woning niet kan verkopen en leveren. In zijn tweede grief klaagt [appellant] dat de voorzieningenrechter geen rekening heeft gehouden met onvoorziene omstandigheden waardoor hij de financiering niet voor de afgesproken termijn rond kon krijgen. De vierde grief is gericht tegen het spoedeisend belang van [geïntimeerde] bij verkoop en levering van de woning. Het hof zal [appellant] niet-ontvankelijk verklaren in zijn hoger beroep voor zover het deze grieven betreft.
3.6
Alleen de grieven over de ontruimingstermijn van de woning en de hoogte van de dwangsommen en het hiermee samenhangende spoedeisend belang van [geïntimeerde] kunnen los van de indeplaatsstelling beoordeeld worden. Ten aanzien van deze grieven is [appellant] wel ontvankelijk en het hof zal deze grieven inhoudelijk behandelen.
Spoedeisend belang
3.7
[appellant] betwist het spoedeisend belang van [geïntimeerde] . Zij zou geen acute financiële nood hebben, de verbouwingswerkzaamheden zijn niet urgent en zij ondervindt geen hinder van de hypotheekschuld. Volgens [geïntimeerde] levert de contractbreuk al spoedeisend belang op, verhuurt [appellant] de woning in strijd met de hypotheekbepalingen en is er een achterstand ontstaan.
3.8
Het hof is van oordeel dat [geïntimeerde] voldoende spoedeisend belang heeft bij een voorziening in kort geding omdat [appellant] de vaststellingsovereenkomst niet is nagekomen en de daarin opgenomen termijnen zijn verstreken.
Ontruimingstermijn
3.9
[appellant] stelt dat de termijn van uiterlijk twee weken voor de datum van de levering van de woning waarbinnen hij de woning met al de zijnen en het zijne dient te ontruimen en leeg op te leveren onvoldoende en in strijd met de redelijkheid en billijkheid is omdat zijn draagkracht beperkt is, de woningmarkt krap en ook zijn echtgenote hierdoor wordt getroffen.
3.1
Het hof verwerpt deze grief. [appellant] heeft al in september 2024 met [geïntimeerde] afgesproken dat de woning verkocht zou worden als hij de financiering niet rond kon krijgen. Vanaf dat moment had hij er rekening mee kunnen en moeten houden dat hij op zoek zou moeten gaan naar vervangende woonruimte. Na de uitspraak in het kort geding van 19 maart 2025 heeft [appellant] opnieuw voldoende tijd gekregen om op zoek te gaan naar vervangende woonruimte. Aan het daadwerkelijke moment van ontruiming gaat immers nog het verkoopproces vooraf. Vervolgens kan het moment van de levering nog weer enkele maanden later liggen. Al met al is er ruim voldoende tijd (geweest) om vervangende woonruimte te vinden. Daar komt bij dat [geïntimeerde] nog voldoende de gelegenheid moet hebben om de woning voor de levering te laten ontruimen als [appellant] dat niet doet. Het is niet realistisch om dat in een kortere termijn dan twee weken voor de levering te realiseren.
Dwangsom
3.11
[appellant] vindt dat de dwangsom van € 500 per dag met een maximum van € 25.000,- gelet op de omstandigheden onevenredig hoog, disproportioneel en in strijd met de redelijkheid en billijkheid is omdat het niet-nakomen buiten zijn macht ligt, hij met zijn uitkering een beperkte draagkracht heeft en hij een bijzonder belang heeft bij behoud van de woning. Een dwangsom mag niet ontaarden in een sanctie en hij heeft een dergelijke financiële prikkel niet nodig om na te komen, stelt [appellant] .
3.12
Ook deze grief slaagt niet. Het hof is van oordeel dat op juiste gronden een dwangsom is opgelegd aan [appellant] voor de nakoming van de veroordeling en verwerpt zijn grief. De rechter is volledig vrij in het toe- of afwijzen van de vordering om een dwangsom op te leggen en in het bepalen van de hoogte daarvan. Dat een dwangsom nodig is om [appellant] te bewegen de uitspraak na te komen volgt al uit het feit dat partijen al in 2024 zijn overeengekomen de woning te verkopen en [appellant] daar tot op heden geen uitvoering aan heeft gegeven. Op de zitting is bovendien duidelijk geworden dat een dwangsom nodig is om de medewerking van [appellant] aan het verkooptraject af te dwingen. Zo heeft hij op de zitting onder meer verklaard dat hij eerst twee en later één kamer afgesloten houdt voor bezichtigingen en heeft hij of [naam] tegen de makelaar gezegd dat er geen medewerking verleend hoeft te worden aan de verkoop van de woning omdat er nog een hoger beroepsprocedure loopt. Dat [appellant] onvoldoende draagkracht heeft om de dwangsom te betalen, heeft hij niet aangetoond. Op de zitting heeft [appellant] juist verklaard dat hij niet in aanmerking komt voor een sociale huurwoning omdat zijn inkomen daarvoor te hoog zou zijn. Als [appellant] voor de nakoming al afhankelijk zou zijn van de medewerking van [naam] – welke stelling door [appellant] niet met stukken is onderbouwd -, betekent dit niet dat geen dwangsom kan worden opgelegd. Van [appellant] mag redelijkerwijs worden verwacht dat hij al het mogelijke zal doen om ervoor te zorgen dat [naam] haar medewerking zal verlenen. [4] [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt en zelfs niet gesteld dat hij aan deze inspanningsverplichting heeft voldaan. Het ligt eerder voor de hand dat [appellant] [naam] eenvoudig kan bewegen haar medewerking te verlenen aan de levering van de woning en daarvoor toestemming te geven omdat zij echtgenoten zijn. Als dit anders zou zijn komt dit voor zijn rekening en risico. Het hof zal de beschikking van de rechtbank op dit punt dan ook bekrachtigen.
De conclusie
3.13
Het hoger beroep slaagt niet.
3.14
[geïntimeerde] heeft primair verzocht [appellant] niet-ontvankelijk te verklaren en subsidiair de grieven af te wijzen en [appellant] te veroordelen in de kosten van beide instanties. Omdat het hof [appellant] deels niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep en voor het overige deel zijn grieven afwijst, ziet het hof aanleiding [appellant] als de in het ongelijk gestelde partij te veroordelen in de kosten van het hoger beroep. Omdat [geïntimeerde] geen grief heeft gericht tegen het oordeel van de voorzieningenrechter om de proceskosten van de eerste aanleg te compenseren, zal het hof geen oordeel geven over die beslissing.
3.15
De kosten van [geïntimeerde] worden begroot op:
griffierecht € 362,-
salaris advocaat (2,5 punten x tarief II ad. € 1.290 =)
€ 3.225,- +
totaal € 3.587,-

4.De beslissing

Het hof:
4.1
verklaart [appellant] niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep tegen het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad van 19 maart 2025 voor zover het betreft de grieven gericht tegen de onderdelen 5.1 tot en met 5.5 van dat vonnis;
4.2
bekrachtigt het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad van 19 maart 2025 voor het overige en voor zover in hoger beroep in geschil;
4.3
veroordeelt [appellant] tot betaling van de proceskosten van [geïntimeerde] tot heden begroot op € 4.004,-.
Dit arrest is gewezen door mr. E. Leentjes, mr. A.P. de Jong - de Goede en mr. L. van Dijk, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 28 april 2026.

Voetnoten

1.Artikel 3:301 lid 2 Burgerlijk Pro Wetboek (BW).
2.HR 27 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:538, rov. 3.5.
3.HR 4 mei 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ7615, rov. 3.4 en HR 23 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:647 rov. 3.2.4.
4.HR 13 november 2020, ECLI:NL:HR:2020:1783.