Belanghebbende werd een naheffingsaanslag opgelegd voor accijns op minerale oliën over de periode 2010-2013, naar aanleiding van een strafrechtelijk onderzoek naar grootschalige fraude met accijnsvrije minerale oliën. Belanghebbende had ondernemingen ter beschikking gesteld, facturen opgesteld en ondertekend, en gelden geïnd voor een organisatie die de fraude uitvoerde.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar het hof oordeelde dat belanghebbende wel degelijk betrokken was bij het voorhanden hebben van accijnsgoederen, ook al had hij deze niet zelf fysiek in bezit. Het hof baseerde zich op de Europese Richtlijn 2008/118/EG en de nationale wetgeving, waarbij ook administratieve en financiële handelingen als betrokkenheid worden gezien.
Het hof vernietigde de uitspraak van de rechtbank en de naheffingsaanslag en belastingrente werden verminderd tot €125.874,27. Tevens werd de inspecteur veroordeeld tot vergoeding van griffierechten en een tegemoetkoming in proceskosten aan belanghebbende.