ECLI:NL:GHARL:2026:234

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
13 januari 2026
Publicatiedatum
15 januari 2026
Zaaknummer
24/1
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. II Besluit van 27 september 2021HR 11 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1134HR 12 juli 2024, ECLI:NL:HR:2024:1060
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging naheffingsaanslag BPM ondanks betwisting waardebepaling en kostenvergoeding

Belanghebbende is een naheffingsaanslag BPM opgelegd van € 2.781, die na bezwaar werd verminderd tot € 2.603. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en kende proceskosten toe. Belanghebbende stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak.

In hoger beroep betoogde belanghebbende dat de naheffingsaanslag op basis van de herleidingsmethode vernietigd moest worden, dat de handelsinkoopwaarde met € 400 moest worden verminderd wegens een kras op de motorkap, en dat de kostenvergoeding voor bezwaar te laag was vastgesteld. Het hof verwierp het herleidingsmethode-betoog op grond van recente jurisprudentie.

De stelling van waardevermindering wegens schade werd niet aannemelijk geacht omdat het taxatierapport deze herstelkosten niet vermeldde en de foto onvoldoende bewijs leverde. De kostenvergoeding was onherroepelijk vastgesteld in de uitspraak op bezwaar en kon niet in hoger beroep worden aangevochten.

Het hof verklaarde het hoger beroep ongegrond en zag geen aanleiding voor vergoeding van griffierecht of proceskosten. De uitspraak van de rechtbank werd bevestigd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de naheffingsaanslag BPM wordt bevestigd.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
nummer BK-ARN 24/1
uitspraakdatum: 13 januari 2026
Uitspraak van de derde enkelvoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[belanghebbende]te
[woonplaats](hierna: belanghebbende)
tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank) van 3 november 2023, nummer ARN 22/1134, in het geding tussen belanghebbende en
de
inspecteurvan de
Belastingdienst/Centrale Administratieve Processen(hierna: de Inspecteur)

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: BPM) opgelegd van € 2.781.
1.2.
Belanghebbende heeft daartegen bezwaar gemaakt. De Inspecteur heeft in zijn uitspraak op bezwaar de naheffingsaanslag BPM verminderd tot € 2.603 en een bezwaarkostenvergoeding toegekend van € 530.
1.3.
Belanghebbende heeft daartegen beroep ingesteld. De Rechtbank heeft dit beroep ongegrond verklaard en vergoedingen voor proceskosten, griffierecht en immateriële schade toegekend van respectievelijk € 837, € 184 en € 500.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.
1.5.
De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
1.6.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 december 2025. Namens belanghebbende is mr. [naam1] verschenen. Namens de Inspecteur zijn mr. [naam2] en mr. [naam3] verschenen.

2.Feiten

2.1.
Belanghebbende heeft ter zake van een Opel Mokka (hierna: de auto) op aangifte een bedrag van € 539 aan BPM voldaan. Bij de aangifte is een taxatierapport gevoegd waarin de herstelkosten zijn gecalculeerd op een bedrag van € 10.682. Daarvan is 95% als schade in mindering gebracht op de handelsinkoopwaarde.
2.2.
De Inspecteur heeft een ‘onderzoek waardebepaling’ laten doen door de dienst Domeinen Roerende Zaken (hierna: DRZ). Van dit onderzoek is een rapport opgemaakt. In dit rapport zijn geen herstelkosten gecalculeerd. Naar aanleiding van de bevindingen in dit rapport heeft de Inspecteur een naheffingsaanslag opgelegd die na bezwaar is verminderd tot € 2.603. Deze naheffingsaanslag is als volgt berekend:
Consumentenprijs (= historische nieuwprijs)
28.072
Handelsinkoopwaarde (onbeschadigd; Eurotax)
12.09
Schade
= Handelsinkoopwaarde (beschadigd)
12.09
Afschrijving
56,93%
Historische BPM (CO2-uitstoot 138 gr/km)
7.575
Afschrijving (56,93%)
-/- 4.313
= Verschuldigde BPM
3.262
Extra leeftijdskorting
-/- 120
Door belanghebbende is betaald op aangifte
-/- 539
Naheffingsaanslag
€ 2.603
2.3.
De Rechtbank heeft de naheffingsaanslag in stand gelaten.

3.Geschil

3.1.
In geschil is of de naheffingsaanslag terecht en tot een juist bedrag is opgelegd. Belanghebbende beantwoordt die vraag ontkennend, de Inspecteur bevestigend.
3.2.
Belanghebbende betoogt in hoger beroep:
(i) dat de naheffingsaanslag op basis van de zogenoemde herleidingsmethode moet worden vernietigd;
(ii) dat de handelsinkoopwaarde met € 400 moet worden verminderd wegens een kras op de motorkap; en
(iii) dat de Inspecteur bij het toekennen van de kostenvergoeding voor bezwaar een te lage waarde per punt heeft toegekend.
3.3.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en tot vernietiging dan wel vermindering van de naheffingsaanslag. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4.Beoordeling van het geschil

Herleidingsmethode
4.1.
Belanghebbende herhaalt in hoger beroep haar door de Rechtbank verworpen betoog dat de naheffingsaanslag op basis van de zogenoemde herleidingsmethode moet worden vernietigd. Gelet op HR 11 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1134, faalt dit betoog.
Handelsinkoopwaarde; waardevermindering in verband met schade
4.2.
Het belastbare feit voor de Wet BPM was tot en met 2021 het tijdstip waarop de registratie - dat wil zeggen inschrijven en tenaamstelling – werd voltooid. Vanaf 2022 is het belastbare feit reeds bij de inschrijving voltooid.
4.3.
Belanghebbende beroept zich evenwel op het goedkeurende beleid zoals neergelegd in het Besluit van 27 september 2021, Stcrt. 2021, 43482. Daarin heeft de staatssecretaris in onderdeel 6.6 goedgekeurd dat de belastingplichtige de verschuldigde BPM mag bepalen aan de hand van de heffingsgrondslagen op het tijdstip dat de aangifte BPM wordt ingediend. Blijkens artikel II van dit Besluit werkt de goedkeuring slechts terug tot en met 26 maart 2021, maar beide partijen zijn eensluidend van mening dat op basis van later beleid deze goedkeuring ook betrekking heeft op aangiften die zijn ingediend voor 26 maart 2021, [1] zodat het Hof daarvan uitgaat. Dit betekent dat belanghebbende de verschuldigde BPM moet bepalen naar de verwachte staat waarin de auto verkeert op het tijdstip dat de aangifte BPM wordt ingediend.
4.4.
Belanghebbende betoogt dat vanwege een, op het tijdstip van de aangifte aanwezige, kras de hele motorkap gespoten moet worden, dat de herstelkosten daarvan € 555 bedragen, dat 72% daarvan als schade in mindering moet worden gebracht op de handelsinkoopwaarde van € 12.100, en dat daarom de naheffingsaanslag moet worden verminderd tot € 2.499.
4.5.
Belanghebbende heeft evenwel niet aannemelijk gemaakt dat op basis van zijn taxatierapport voornoemde schade in aanmerking moet worden genomen. Redengevend daarvoor is dat belanghebbendes taxateur deze herstelkosten niet heeft benoemd en gespecificeerd in zijn taxatierapport, zodat niet aannemelijk is dat deze herstelkosten moeten worden gemaakt en dat deze tot een waardevermindering leiden. Bovendien heeft belanghebbende ter onderbouwing van zijn stelling gewezen op een foto in het taxatierapport die op zeer korte afstand is genomen, waardoor niet duidelijk is dat sprake is van de motorkap van onderhavige auto. Verder is de foto zodanig vaag dat daaruit niet blijkt dat daadwerkelijk sprake is van een kras; evengoed zou een krijtstreep zichtbaar kunnen zijn.
4.6.
Gelet op het vorenstaande is belanghebbende niet in zijn bewijslast geslaagd en faalt zijn betoog dat sprake is van waardevermindering wegens schade.
Proceskostenvergoeding bezwaarfase
4.7.
Belanghebbende heeft voor het eerst ter zitting van het Hof gesteld dat, gelet op HR 12 juli 2024, ECLI:NL:HR:2024:1060, de Inspecteur bij het toekennen van de kostenvergoeding voor bezwaar ten onrechte een puntwaarde van € 265 heeft gehanteerd.
4.8.
Belanghebbende heeft de door de Inspecteur in de uitspraak op bezwaar toegekende kostenvergoeding in beroep bij de Rechtbank niet bestreden. Zijn grieven zagen louter op de naheffingsaanslag. Dit betekent dat de beslissing van de Inspecteur inzake de kostenvergoeding in bezwaar met zijn uitspraak op bezwaar onherroepelijk is komen vast te staan. Alsdan kan die beslissing niet voor het eerst in hoger beroep tot voorwerp van het geschil worden gemaakt. [2]
Slotsom
Het hoger beroep van belanghebbende is ongegrond.

5.Griffierecht en proceskosten

Het Hof ziet geen aanleiding voor een vergoeding van het griffierecht en/of de proceskosten.

6.Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J.H. van Suilen, raadsheer, in tegenwoordigheid van dr. J.W.J. de Kort als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 januari 2026.
De griffier, De raadsheer,
(J.W.J. de Kort) (A.J.H. van Suilen)
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

1.Vgl. KG:013:2022:5.
2.HR 21 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:419; HR 25 april 2025 ECLI:NL:HR:2025:673.