Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:2089

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
8 april 2026
Publicatiedatum
8 april 2026
Zaaknummer
23/1576
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6.31 Wet IB 2001Artikel II (Overgangsrecht) GeefwetArt. 1 Eerste Protocol EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging wettelijke aftrekbeperking onderhoudskosten monumentenpand in inkomstenbelasting 2018

Belanghebbende is eigenaar van een rijksmonumentenpand en heeft voor het jaar 2018 onderhoudskosten opgevoerd waarvan hij 100% aftrek wilde claimen. De Inspecteur heeft echter slechts 80% van deze kosten als aftrekpost geaccepteerd, conform artikel 6.31 van de Wet IB 2001. De Rechtbank Noord-Nederland heeft het beroep van belanghebbende tegen deze beperking ongegrond verklaard.

In hoger beroep betoogt belanghebbende dat de aftrekbeperking niet op zijn uitgaven van toepassing is omdat hij het onderhoud pas na 2012 kon uitvoeren, nadat de status van de aangebouwde schuren als monumentenpand was vastgesteld. Het Hof oordeelt dat de wettelijke aftrekbeperking van 80% ook in 2018 geldt en dat de vertraging in onderhoud niet leidt tot een andere toepassing van de wet.

Verder bevestigt het Hof dat de stand van de nog te verrekenen persoonsgebonden aftrek ultimo 2018 terecht is vastgesteld op € 39.731. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de Rechtbank bevestigd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de wettelijke aftrekbeperking van 80% op onderhoudskosten monumentenpand wordt bevestigd.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden
nummer BK-ARN 23/1576
uitspraakdatum:
8 april 2026
Uitspraak van de vijftiende enkelvoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[belanghebbende]te
[woonplaats](hierna: belanghebbende)
tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 9 mei 2023, nummer LEE 22/1616, in het geding tussen belanghebbende en
de inspecteur van de Belastingdienst/kantoor Arnhem(hierna: de Inspecteur).

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1
Aan belanghebbende is voor het jaar 2018 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 13.718. Aan belastingrente is daarbij een bedrag berekend van € 158.
1.2
Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur het belastbare inkomen uit werk en woning verminderd naar nihil. De beschikking belastingrente is dienovereenkomstig verminderd naar nihil. Tegelijk met dit besluit heeft de Inspecteur bij beschikking de nog te verrekenen persoonsgebonden aftrek in volgende jaren vastgesteld op € 39.731.
1.3
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank Noord-Nederland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep bij uitspraak van 9 mei 2023 ongegrond verklaard.
1.4
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Verder zijn er door partijen diverse nadere stukken ingediend.
1.5
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 februari 2026 te Leeuwarden. Daarbij zijn verschenen en gehoord belanghebbende, alsmede [naam1] en [naam2] namens de Inspecteur.
1.6
Belanghebbende heeft een pleitnota voorgedragen en overgelegd.
1.7
Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat bij deze uitspraak is gevoegd.

2.De vaststaande feiten

2.1
Belanghebbende is geboren op [geboortedatum] en gehuwd met mevrouw [echtgenote] .
2.2
Belanghebbende is sinds 2004 eigenaar van een rijksmonumentenpand gelegen aan de [adres] in [woonplaats] (hierna: het pand). Het pand is de eigen woning van belanghebbende en zijn echtgenote. Zij waren het gehele jaar 2018 op dit adres woonachtig.
2.3
Het pand is een Oldambster boerderij met twee aangebouwde dwarsschuren. De Afdeling bestuursrechtsspraak van de Raad van State heeft in zijn uitspraak van 3 april 2013 beslist dat het gehele pand (boerderij én beide schuren) een rijksmonument is.
2.4
De Rechtbank heeft bij uitspraak van 14 juli 2020 ten aanzien van de jaren 2013 tot en met 2015 geoordeeld dat de beschikking te verrekenen persoonsgebonden aftrek in volgende jaren van 28 juni 2019 ten bedrage van € 105.181 op het juiste bedrag is vastgesteld. Het Hof heeft bij uitspraak van 23 november 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:10903, de uitspraak van de Rechtbank bevestigd. Bij arrest van 25 november 2022, ECLI:NL:HR:2022:1754, heeft de Hoge Raad het cassatieberoep ongegrond verklaard.
2.5
De Rechtbank heeft in de uitspraak van 6 juli 2021 de beschikking te verrekenen persoonsgebonden aftrek in volgende jaren voor het jaar 2016 vastgesteld op een bedrag van € 75.882 en de beschikking nog te verrekenen persoonsgebonden aftrek in volgende jaren voor het jaar 2017 vastgesteld op een bedrag van € 53.449. Belanghebbende heeft hoger beroep ingesteld tegen deze uitspraak. Het Hof heeft het hoger beroep op 28 maart 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:2613, ongegrond verklaard. De Hoge Raad heeft belanghebbendes cassatieberoep bij arrest van 15 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1230, niet-ontvankelijk verklaard.
2.6
Aan belanghebbende is de aanslag IB/PVV voor het jaar 2018 opgelegd naar een verzamelinkomen van € 13.718. Het inkomen uit werk en woning bestaat hierbij geheel uit loon uit dienstbetrekking (€ 98.557), verminderd met aftrek saldo inkomsten en aftrekposten eigen woning (€ 24.789) en verrekening van een persoonsgebonden aftrek van € 60.800. In zijn aangifte IB/PVV voor het jaar 2018 had belanghebbende € 76.000 aan uitgaven in verband met onderhoudskosten van een monumentenpand aangegeven, waarvan de Inspecteur 80% in aanmerking heeft genomen. Tevens is bij beschikking het restant persoonsgebonden aftrek vastgesteld op nihil.
2.7
Op het bezwaar van belanghebbende tegen de hiervoor – onder 2.6 – bedoelde aanslag en beschikking, heeft de Inspecteur bij uitspraken op bezwaar het verzamelinkomen vastgesteld op nihil. Dit is opgebouwd uit inkomen uit werk en woning: loon uit dienstbetrekking van € 98.557, verminderd met (per saldo) aftrek eigen woning van € 24.789, persoonsgebonden aftrek onderhoudskosten monumentenpanden van € 60.800 en verrekend restant persoonsgebonden aftrek van € 13.718. Tevens is bij beschikking het restant persoonsgebonden aftrek vastgesteld op € 39.731, te weten € 53.449 -/- € 13.718.

3.Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1
In geschil is of de Inspecteur de beschikking nog te verrekenen persoonsgebonden aftrek ultimo 2018 terecht heeft vastgesteld op € 39.731 en of de wettelijke aftrekbeperking tot op 80% van de onderhoudskosten monumentenpand rechtmatig is.
3.2
Belanghebbende beantwoordt deze vragen ontkennend en concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vaststelling van de bestreden beschikking nog te verrekenen persoonsgebonden aftrek in volgende jaren op € 253.237.
3.3
De Inspecteur beantwoordt de hiervoor – onder 3.1 – vermelde vragen bevestigend en concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.
3.4
Beide partijen hebben voor hun standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken. Daaraan hebben zij ter zitting toegevoegd hetgeen is vermeld in het bij deze uitspraak gevoegde proces-verbaal van de zitting.

4.Beoordeling van het geschil

4.1
Belanghebbende heeft in het onderhavige jaar en de daaraan voorafgaande jaren vanaf 2004 onderhoudsuitgaven gedaan voor het pand.
4.2
Ingevolge artikel 6.31, eerste lid, eerste volzin, van de Wet IB 2001 (tekst 2018) worden als uitgaven met betrekking tot een monumentenpand in aanmerking genomen 80% van de drukkende onderhoudskosten.
4.3
Belanghebbende stelt dat 100% van de onderhoudskosten moet worden aangemerkt als uitgaven met betrekking tot een monumentpand, omdat de eerst per 1 januari 2012 ingevoerde aftrekbeperking van artikel 6.31, eerste lid, eerste volzin, van de Wet IB 2001 niet voor zijn uitgaven geldt. De uitgaven had hij al eerder willen doen, als duidelijk was geweest dat de aangebouwde schuren ook als monumentenpanden werden aangemerkt. Dit werd door de Inspecteur betwist. Hierover is eerst na de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 3 april 2013 duidelijkheid gekomen. Eerst vanaf dat moment was duidelijk dat de onderhoudskosten aftrekbaar waren als uitgaven voor monumentenpanden. Belanghebbende stelt dat hij door de vertraging die is ontstaan door de onduidelijkheid van de status van de schuren het onderhoud pas heeft kunnen uitvoeren nadat de Wet IB 2001 in voor hem ongunstige zin was gewijzigd en ook de in de overgangsregeling (Artikel II (Overgangsrecht) Geefwet, Stb 2011, 641) genoemde termijn was verstreken.
4.4
Naar het oordeel van het Hof, heeft de Inspecteur terecht slechts 80% van de drukkende onderhoudskosten in aanmerking genomen. De Wet IB 2001 noch het Overgangsrecht bij de Geefwet laat een andere mogelijkheid toe. De omstandigheid dat belanghebbende het onderhoud op een later moment heeft verricht dan wanneer er geen onduidelijkheid was geweest over de monumentenstatus van de schuren, doet hier niet aan af. Voor zover de vertraging in het uitvoeren van het onderhoud al aan de Inspecteur is toe te rekenen, brengt dit in dit geval niet met zich dat de toepassing van artikel 6.31 van de Wet IB 2001 ter zijde moet worden gesteld (vgl. gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 23 november 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:10903).
4.5
Het Hof ziet geen redenen voor het jaar 2018 anders te oordelen, nu de wettelijke aftrekbeperking tot op 80% van de drukkende onderhoudskosten ook in dat jaar gold.
4.6
De Rechtbank heeft in haar uitspraak, waarvan hoger beroep, – kort gezegd – geoordeeld dat de wettelijke aftrekbeperking tot op 80% van de drukkende onderhoudskosten, zoals geregeld in artikel 6.31 van de Wet IB 2001 niet in strijd komt met artikel 1 van Pro het Eerste Protocol van het Europese verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Daarmee heeft de Rechtbank, naar het oordeel van het Hof, op de door haar gegeven gronden een juist oordeel gegeven. In hoger beroep heeft belanghebbende te dien aanzien niets naar voren gebracht of overgelegd dat tot een ander oordeel moet leiden.
4.7
Ter zake van de stand van de nog te verrekenen persoonsgebonden aftrek in volgende jaren heeft de Rechtbank in haar bestreden uitspraak overwogen (waarbij met “eiser” belanghebbende en met “verweerder” de Inspecteur wordt bedoeld):
“De rechtbank stelt vast dat verweerder de stand van de nog te verrekenen persoonsgebonden aftrek per 1 januari 2018 heeft gebaseerd op de uitspraak die deze rechtbank eerder heeft gedaan over de jaren 2016 en 2017 (zie 1.4.). Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft deze uitspraak in hoger beroep bevestigd. De rechtbank ziet voor het jaar 2018 in algemene zin geen aanleiding om af te wijken van het eerder door deze rechtbank vastgestelde bedrag en dus ook geen aanleiding om af te wijken van de beschikking die de stand ultimo 2018 weergeeft, te weten € 39.731. Dit betekent dat de beschikking nog te verrekenen persoonsgebonden aftrek in volgende jaren in stand blijft. Deze beroepsgrond van eiser slaagt niet.”.
Naar het oordeel van het Hof, heeft de Rechtbank met dat oordeel op goede gronden een juiste beslissing genomen. Het Hof neemt deze overweging dan ook over en maakt die tot de zijne. Hetgeen belanghebbende daarover in hoger beroep nog naar voren heeft gebracht, maakt dat niet anders. Gelet op de hiervoor – onder 2.7 – vastgestelde feiten, is de nog te verrekenen persoonsgebonden aftrek in volgende jaren ultimo 2018 terecht berekend op € 39.731 en dus tot de juiste hoogte vastgesteld.
SlotsomOp grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond.

5.Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

6.Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P. van der Wal, voorzitter en lid van de vijftiende enkelvoudige belastingkamer, in tegenwoordigheid van drs. S. Darwinkel als griffier.
De beslissing is op
8 april 2026in het openbaar uitgesproken.
De griffier, De voorzitter,
(S. Darwinkel) (P. van der Wal)
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.