Art. 843a RvArt. 87 lid 6 RvArt. 4.4 Landelijk procesreglement civiele dagvaardingszakenArt. 195 RvArt. XIIA Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Hoger beroep inzake afwijzing vorderingen tot inzage gegevens op grond van artikel 843a Rv
In deze civiele kort gedingprocedure hebben [appellant] c.s. hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de voorzieningenrechter dat hun vorderingen tot inzage in een omvangrijke hoeveelheid documenten en gegevens van Utrecht Holdings, Universiteit Utrecht (UU) en Universitair Medisch Centrum Utrecht (UMCU) heeft afgewezen.
De vorderingen zijn ingesteld op grond van artikel 843a (oud) Rv en betreffen onder meer documenten over transacties en besluitvorming rond deelnemingen zoals Nodens, GenDx, Gadeta Founders, TigaTx Founders, Simibio, Ambracia en Laurentia Holding, alsmede correspondentie over onderzoeken en aansprakelijkstellingen. [appellant] c.s. stellen dat zij deze gegevens nodig hebben om zich te kunnen verweren in lopende en toekomstige procedures, waaronder een ontslagzaak.
Het hof heeft de vorderingen per onderdeel beoordeeld en geoordeeld dat [appellant] c.s. onvoldoende concreet en aannemelijk hebben gemaakt dat zij een rechtmatig belang hebben bij de gevraagde inzage. Veel vorderingen zijn te algemeen, betreffen niet voldoende bepaalde bescheiden of rusten op vermoedens zonder concrete aanwijzingen dat de gevraagde stukken bestaan. Ook is het spoedeisend belang niet altijd aannemelijk gemaakt, mede gelet op de lopende bodemprocedures waarin vergelijkbare verzoeken zijn gedaan.
Het hof bekrachtigt het vonnis van de voorzieningenrechter en wijst de vorderingen af. Tevens veroordeelt het hof [appellant] c.s. tot betaling van de proceskosten van Utrecht Holdings, UU en UMCU. De veroordelingen zijn uitvoerbaar bij voorraad.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis van de voorzieningenrechter en wijst de vorderingen tot inzage af wegens ontbreken van rechtmatig belang en onvoldoende onderbouwing.
Universiteit Utrecht Holding B.V., die is gevestigd in Utrecht,
UMC Utrecht Holding B.V., die is gevestigd in Utrecht,
die bij de rechtbank optraden als gedaagden,
hierna samen: Utrecht Holdingsen ieder afzonderlijk UUH en UMCUH,
advocaat: mr. M.W.E. Evers,
3. Universiteit Utrecht, die is gevestigd in Utrecht,
die bij de rechtbank optrad als gedaagde,
hierna: UU,
advocaat: mr. E.L. Pasma
4. Universitair Medisch Centrum Utrecht, die is gevestigd in Utrecht,
die bij de rechtbank optrad als gedaagde,
hierna: UMCU,
advocaat: mr. J.J. Rijken.
1. Het verloop van de procedure in hoger beroep
1.1 [appellant] c.s. hebben hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen het vonnis dat de voorzieningenrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, op 10 juli 2024 tussen partijen heeft uitgesproken. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
de dagvaardingen in hoger beroep van 6 augustus 2024;
de memorie van grieven en akte wijziging eis van [appellant] c.s.;
de memorie van antwoord van Utrecht Holdings;
de memorie van antwoord van UU;
de memorie van antwoord van UMCU.
1.2 Bij brief van 19 februari 2025 heeft mr. Evers bericht dat Utrecht Holdings in verband met de beslissing van dit hof in een vorige procedure tussen [appellant] c.s. en Utrecht Holdings [1] geen beroep meer doen op productie 103. Bij brief van 9 september 2025 heeft mr. Pasma bericht dat UU om dezelfde reden geen beroep meer doet op haar producties 8 tot en met 13.
1.3 Op 18 december 2025 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Daarvan is een verslag (het proces-verbaal) gemaakt. Voor deze zitting hebben partijen nog de volgende stukken ingediend:
de akte overlegging producties en wijziging eis van [appellant] c.s., ingediend op 5 december 2025;
de akte overlegging nadere producties van UU, ingediend op 5 december 2025;
de akte overlegging producties van Utrecht Holdings, ingediend op 8 december 2025;
de akte wijziging van eis van [appellant] c.s., ingediend op 15 december 2025.
1.4 Het hof heeft tijdens de mondelinge behandeling beslist dat de akte wijziging eis die gelijktijdig met de memorie van grieven is ingediend als onderdeel van de memorie van grieven wordt gezien en wordt toegelaten. De akte van 15 december 2025 wordt buiten beschouwing gelaten, omdat deze na de termijn van artikel 87 lid 6 RvPro en artikel 4.4 van het Landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de gerechtshoven is ingediend. Niet is gebleken dat de goede procesorde zich daartegen verzet. De eiswijzigingen die in deze akte zijn opgenomen moeten bovendien buiten beschouwing blijven, omdat deze in strijd met de tweeconclusieregel pas na de memorie van grieven zijn aangevoerd, terwijl niet is gebleken dat zich een van de in de rechtspraak aanvaarde uitzonderingen voordoet waarin dit is toegestaan. Dat geldt ook voor de eiswijzigingen in de akte van 5 december 2025. [appellant] c.s. hebben weliswaar vermeld dat de wijzigingen gevolg zijn van na het wisselen van de memories gebleken feiten en omstandigheden, waarbij zij hebben verwezen naar de dagvaardingen die Utrecht Holdings inmiddels in de bodemprocedures hebben uitgebracht, het voorlopig getuigenverhoor en de uitkomsten van een WOO-verzoek, maar zij hebben niet concreet gemaakt welke nieuwe feiten of omstandigheden daarin voorkomen en welke wijzigingen daardoor zijn ingegeven. Het hof ziet ook niet in dat het bij een deel van de wijzigingen slechts om een precisering/verduidelijking van de eis zou gaan. Voor zover de aktes een eisvermindering bevatten (doordat bepaalde vorderingen of onderdelen daarvan niet meer voorkomen), is dit wel toegestaan.
1.5 Op verzoek van partijen heeft het hof arrest bepaald.
2. De kern van de zaak
2.1 [appellant] c.s. vragen in dit kort geding om afschrift van of inzage in een grote hoeveelheid gegevens van Utrecht Holdings, UU en UMCU (hierna ook kortweg: inzage). Zij stellen deze nodig te hebben om zich te kunnen verweren in de door Utrecht Holdings gestarte of nog te starten procedures waarin zij schadevergoeding van hen vorderen en ook in de nog lopende ontslagzaak van [appellant] .
2.2 De voorzieningenrechter heeft deze vorderingen afgewezen. De bedoeling van het hoger beroep is dat de afgewezen vorderingen met een aantal wijzigingen alsnog worden toegewezen.
3. De feiten
3.1 Utrecht Holdings vormen samen het kennistransfer office van de UU en het UMCU. Zij richten zich op het gebruik en de commercialisering van academisch onderzoek en houden zich onder andere bezig met het investeren in technische startups en het houden van aandelen in (onder andere) zogenaamde spin-off companiesdie zijn gebaseerd op het intellectueel eigendom dat is gegenereerd door de UU of het UMCU. Utrecht Holdings hebben een Raad van Commissarissen (RvC). [naam1] , [naam2] en [naam3] waren lid van deze RvC in de relevante periode.
3.2 Uniper is de persoonlijke holdingmaatschappij van [appellant] . [appellant] is vanaf de oprichting van Uniper op 4 juni 2013 enig bestuurder en aandeelhouder van Uniper.
3.3 [appellant] was daarnaast in dienst van UU. Vanaf 1 juni 2002 tot 1 juni 2021 is hij gedetacheerd geweest vanuit UU bij Utrecht Holdings, de eerste jaren als Intellectual Property Manager en vanaf 26 juni 2009 tot 1 juni 2021 als bestuurder. Hij volgde in 2009 de heer [naam4] (hierna: [naam4] ) op als bestuurder. Tussen 26 juni 2009 en 1 juli 2014 was [appellant] daarnaast via UUH ook indirect bestuurder van één van haar deelnemingen, Nodens B.V. (hierna: Nodens). Vanaf 1 juli 2014 heeft Uniper het bestuur van Nodens overgenomen, tot 28 december 2021.
3.4 In november 2021 ontvingen Utrecht Holdings signalen van potentiële onregelmatigheden met betrekking tot (des)investeringen van Utrecht Holdings in enkele spin-off companies, meer specifiek in de deelnemingen Nodens en Genome Diagnostics B.V. (GenDx). Utrecht Holdings hebben Deloitte Forensic & Disputes Services B.V. (hierna: Deloitte) opdracht gegeven onderzoek te doen naar de mogelijke onregelmatigheden. Deloitte heeft een feitenonderzoek gedaan en [appellant] , leden van de RvC, waaronder [naam1] , [naam2] en [naam3] , (oud-)medewerkers en andere betrokken personen geïnterviewd. Op 23 november 2022 heeft Deloitte haar rapport aan Utrecht Holdings gestuurd.
3.5 Utrecht Holdings hebben [appellant] en Uniper bij brief van 27 januari 2023 aansprakelijk gesteld voor de door Utrecht Holdings geleden schade. Volgens Utrecht Holdings heeft [appellant] in de periode van 26 juni 2009 tot en met 1 juni 2021 de taak als bestuurder van Utrecht Holdings onbehoorlijk vervuld waarvan hem persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Ook Uniper heeft volgens Utrecht Holdings in deze kwesties onrechtmatig jegens hen gehandeld. Daarnaast is er strafrechtelijke aangifte gedaan tegen [appellant] .
3.6 Er zijn eerdere procedures geweest tussen een aantal van de hier betrokken partijen. Zo heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Gelderland, locatie Arnhem, in procedures tussen Utrecht Holdings en [appellant] c.s. op 13 juni 2023 uitspraak gedaan. Aan die zaak is een door Utrecht Holdings onder [appellant] c.s. gelegd bewijsbeslag vooraf gegaan. Utrecht Holdings vroegen op basis van artikel 843a Rv afgifte van alle bescheiden die betrekking hebben op de kwesties Nodens, GenDx, ‘TigaTx’, ‘Sea Otter’, ‘Simibio’, ‘Ambracia’ en ‘Laurentia’ (projecten waarbij Utrecht Holdings en [appellant] waren betrokken). Deze vorderingen zijn vrijwel geheel toegewezen. [appellant] c.s. hebben hoger beroep ingesteld. Bij arrest van 15 oktober 2024 [2] heeft dit hof het vonnis van de voorzieningenrechter in die zaak grotendeels bekrachtigd en alleen op enkele specifieke onderdelen vernietigd. Verder heeft de kantonrechter van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, bij beschikking van 20 oktober 2023 vastgesteld dat het ontslag op staande voet dat UU heeft gegeven aan [appellant] terecht was. [3] Daartegen loopt nog een hoger beroep bij dit hof.
4. Het oordeel van het hof
Wat vorderen [appellant] c.s. in hoger beroep?
4.1 Gelet op de in rov. 1.4 vermelde beslissingen gaat het hof uit van de eis zoals die met de eiswijziging bij gelegenheid van de memorie van grieven is komen te luiden, met de eisverminderingen die volgen uit de later ingediende aktes van [appellant] c.s. (van 5 en 15 december 2025). Het hof zal dan ook recht doen op deze versie van de eis. Omwille van de duidelijkheid is de tekst hierna integraal opgenomen in een bijlage bij dit arrest.
4.2 Samengevat vorderen [appellant] c.s. dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en geïntimeerden zal veroordelen:
(A) om afschrift te verstrekken van of inzage te verlenen in bescheiden zoals nader omschreven, uit bepaalde periodes of met een bepaalde vindplaats, over een reeks onderwerpen met verdere aanduidingen:
ten aanzien van Utrecht Holdings: inzake Nodens, GenDx, Gadeta Founders, TigaTx Founders, Simibio, Ambracia c.s., Laurentia Holding, de meldingen en onderzoeken en aansprakelijkstellingen van derden, en diversen (de opruiming en vernietiging van een deel van het archief van Utrecht Holdings in april 2022, het overleg van de RvC over de positie en functie van [appellant] uit de periode 1 april-30 juni 2021 en de op 25 mei 2021 gehouden vergadering);
ten aanzien van UU: inzake Nodens, diversen (de verzekeringspolis voor de aansprakelijkheid van UU en de correspondentie tussen UU en haar verzekeraar over de aansprakelijkstellingen van [appellant] c.s. door Utrecht Holdings en UU), de meldingen en onderzoeken en de aansprakelijkstellingen van derden, en andere diversen (het overleg van de RvC over de positie en functie van [appellant] uit de periode 1 april 2021- 30 juni 2021, en de op 25 mei 2021 gehouden vergadering);
ten aanzien van UMCU: inzake Nodens, GenDx, de meldingen en onderzoeken en aansprakelijkstellingen van derden, en diversen (het overleg van de RvC over de positie en functie van [appellant] uit de periode 1 april 2021 - 30 juni 2021 en de op 25 mei 2021 gehouden vergadering);
(B) tot betaling van een dwangsom van € 2.500, althans een door het Hof te bepalen dwangsom, voor elke dag of deel daarvan dat de betreffende geïntimeerde niet voldoet aan het van deze geïntimeerde gevorderde, nadat het arrest aan de betreffende geïntimeerde is betekend en deze geïntimeerde het ten aanzien van hem gewezen arrest niet volledig nakomt binnen de door het hof in goede justitie te stellen termijn;
(C) in de kosten van dit geding, een en ander te voldoen binnen 14 dagen na dagtekening van het arrest.
4.3 Het hof zal de vorderingen hierna verder bespreken. Eerst zal het hof het beoordelingskader weergeven en daarna zal het een oordeel geven over de toewijsbaarheid van het gevorderde. Voor zover nodig komen daarbij ook de 14 bezwaren (grieven) die [appellant] c.s. tegen het vonnis hebben aangevoerd aan bod.
Spoedeisend belang
4.4 In een kort geding moet het hof beoordelen of de partij die de voorlopige voorziening vraagt nog een spoedeisend belang heeft bij de gevorderde voorlopige voorziening. Die vraag moet worden beantwoord aan de hand van een afweging van de belangen van partijen, beoordeeld naar de toestand ten tijde van de uitspraak van het hof. [4]
4.5 [appellant] c.s. hebben op dit punt aangevoerd dat Utrecht Holdings al bijna twee jaar doende zijn met het voorbereiden van de aansprakelijkheidsprocedure en al anderhalf jaar beschikken over de documentatie die zij op grond van hun exhibitievordering hebben verkregen. Het is volgens hen van belang dat zij toegang krijgen tot de relevante informatie aan de zijde van geïntimeerden, zodat zij op basis daarvan hun verweer nader kunnen voorbereiden en zich op hun rechtspositie kunnen beraden. Zij noemen daarbij dat de te verkrijgen informatie omvangrijk zal zijn, zodat zij ook ruime tijd nodig zullen hebben om deze te bestuderen. Verder wijzen zij op het belang van een level playing field.
4.6 Het hof stelt vast dat Utrecht Holdings inmiddels bij dagvaardingen van 21 februari 2025 aansprakelijkheidsprocedures tegen [appellant] c.s. aanhangig hebben gemaakt bij de rechtbank Gelderland over de kwesties Nodens en GenDx en bij dagvaarding van 2 mei 2025 tegen [appellant] over de kwestie Gadeta Founders en TigaTx Founders. [appellant] c.s. hebben in deze procedures incidentele conclusies ingediend waarin zij verzoeken tot inzage op grond van artikel 195 (nieuw) Rv hebben gedaan. Deze verzoeken in de bodemprocedures overlappen grotendeels de vorderingen die [appellant] c.s. in dit kort geding in hoger beroep hebben ingesteld. De rechtbank heeft bij vonnis in incident van 5 november 2025 in de drie gevoegde zaken een mondelinge behandeling in de incidenten bevolen. Zoals [appellant] c.s. ter zitting in dit hoger beroep hebben verklaard, zal deze mondelinge behandeling plaatsvinden op 18 mei 2026. Naar het oordeel van het hof kan bij deze stand van zaken niet worden gezegd dat het spoedeisend belang van [appellant] c.s. bij het verkrijgen van inzage in de bedoelde informatie om deze reden ontbreekt. Voor zover nodig zal het hof hierna nog beoordelen of het vereiste spoedeisend belang bij de afzonderlijke vorderingen bestaat. Toetsingskader van artikel 843a (oud) Rv en algemene opmerking
4.7 Deze zaak is bij het hof aanhangig gemaakt voordat op 1 januari 2025 de Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht in werking trad. Op grond van artikel XIIA van die wet blijft ten aanzien van de verdere behandeling van deze zaak daarom het recht van toepassing zoals dat gold vóór 1 januari 2025. [5] De inzagevorderingen die in deze zaak zijn ingesteld moeten dus ook in hoger beroep worden beoordeeld aan de hand van artikel 843a (oud) Rv.
4.8 Artikel 843a lid 1 (oud) Rv bepaalt dat hij die daarbij rechtmatig belang heeft, op zijn kosten inzage, afschrift of uittreksel kan vorderen van bepaalde bescheiden aangaande een rechtsbetrekking waarin hij of zijn rechtsvoorgangers partij zijn, van degene die deze bescheiden te zijner beschikking of onder zijn berusting heeft. Het moet gaan om stukken waarbij een partij een direct en concreet belang heeft. De eiser moet in zijn vordering concreet aangeven om welke bescheiden het gaat. Daarbij moet sprake zijn van bestaande bescheiden, die de ander onder zich heeft of met een redelijke inspanning beschikbaar kan krijgen. Het recht is toegekend aan degene die partij is bij een rechtsbetrekking en de vordering moet betrekking hebben op bescheiden over die rechtsbetrekking. Dat kan ook een rechtsbetrekking uit onrechtmatige daad of onbehoorlijke taakvervulling van een bestuurder zijn. Het artikel biedt niet de mogelijkheid voor het opvragen van bescheiden waarvan een partij slechts vermoedt dat zij bestaan en dat zij wel eens steun zouden kunnen geven aan zijn stellingen. Ten slotte kan degene die de bescheiden tot zijn beschikking heeft, weigeren aan de vordering te voldoen als daarvoor gewichtige redenen zijn of als redelijkerwijs aangenomen kan worden dat een behoorlijke rechtsbedeling ook zonder verschaffing van de gevraagde gegevens is gewaarborgd.
4.9 [appellant] c.s. stellen in deze zaak een reeks vorderingen in tot inzage in tal van naar hun aard omschreven bescheiden, waarbij het veelal gaat om alle gegevens over een bepaald onderwerp in een bepaalde periode, waarbij de veronderstelling is dat deze gegevens – voor zover ze bestaan – steun zouden kunnen geven aan hun standpunt, althans relevant zouden kunnen zijn voor het krijgen van een volledig beeld van de situaties waar het om gaat. Daar is het inzagerecht echter niet voor bedoeld. Tegen deze achtergrond zal het hof hierna per vordering beoordelen of aan de vereisten voor toewijzing is voldaan. Bij de weergave van de vorderingen wordt de nummering in de akte van 7 januari 2015 aangehouden. Onderdelen die door de eisverminderingen zijn vervallen, worden overgeslagen (dat betreft onder meer de vorderingen inzake de klokkenluidersmeldingen en inzake het lek naar en de communicatie met de media, die in de laatste aktes wijziging eis niet meer voorkomen).
Vorderingen ten aanzien van Utrecht Holdings
1.1. Inzake Nodens
4.10 Het gaat bij deze kwestie kort gezegd om het volgende. Nodens was een deelneming van UUH (en aanvankelijk ook Buys Ballotfonds B.V.). In de periode 2006 tot en met 2015 hebben verschillende transacties plaatsgevonden in aandelen Nodens. [appellant] was daarbij betrokken als bestuurder van UUH en Nodens. De aandelentransacties hebben ertoe geleid dat UUH en Buys Ballotfonds (bestuurd door UUH) hun aandelenbelang in Nodens hebben afgebouwd en Hereswint Investments B.V. (hierna: Hereswint) 100% van de aandelen in Nodens verkreeg. Hereswint is een vennootschap waarvan de aandelen worden gehouden door de echtgenotes van [appellant] en [naam4] , een oud-buurman/vriend van [naam4] en diens zus. Volgens Utrecht Holdings was de RvC hiervan niet op de hoogte. Het verwijt dat Utrecht Holdings maken, komt erop neer dat [appellant] zich bij de vervulling van zijn bestuurstaak niet (uitsluitend) richtte op de belangen van Utrecht Holdings, maar (vooral) op zijn eigen belangen en zich daardoor ten koste van Utrecht Holdings heeft verrijkt. [appellant] c.s. betwisten dat. Zij stellen dat het belang van [appellant] parallel liep met de belangen van Utrecht Holdings en dat de RvC bekend was met alle belangen.
4.11 [appellant] c.s. hebben een aantal inzagevorderingen ingesteld over dit onderwerp. Als algemene toelichting hebben zij daarbij gegeven dat aannemelijk is dat er meer bescheiden (hebben) bestaan waaruit blijkt dat de RvC op de hoogte was van details zoals de identiteit van de aandeelhouders van Hereswint en de financiële gevolgen van de besluiten omtrent Nodens. Zij stellen daarbij dat zij geen toegang hebben tot de archieven en administratie van Utrecht Holdings en dat zij het tot op heden moeten doen met informatie uit andere bron.
4.12 Vordering 1.1 (a) heeft betrekking op alle bestanden of correspondentie waarbij tenminste één van de volgende personen betrokken is: [naam3] , [naam5] , [naam6] of de toenmalig voorzitter van het CvB van de UU ( [naam7] ), uit de periode van 1 mei 2009 tot en met 29 juni 2009, over de benoeming van [appellant] als bestuurder van UUH, UMCUH en Stichting Incubator. In de ‘notitie vereisten 843a Rv’ (productie 74, hierna: de notitie) hebben zij hiervoor aangevoerd dat [appellant] en [naam3] ten tijde van de benoeming van [appellant] als bestuurder van Utrecht Holdings hebben besproken dat [appellant] ’ echtgenote ( [naam8] ) een aandelenbelang in Hereswint heeft. Volgens [appellant] c.s. is het aannemelijk dat [naam3] een verslag van dit gesprek heeft teruggekoppeld aan onder andere [naam5] , [naam6] of [naam7] of dat de inhoud van het gesprek anderszins is vastgelegd. Utrecht Holdings hebben dat echter gemotiveerd betwist. Zij hebben erop gewezen dat uit geen van de voor hen beschikbare stukken volgt dat de RvC of aandeelhouders ervan op de hoogte waren dat [appellant] (en [naam4] ) via hun echtgenotes achter Hereswint zaten. Dat dit wel is besproken en op enigerlei wijze is vastgelegd, hebben [appellant] c.s. tegenover deze betwisting onvoldoende aannemelijk gemaakt. Het blijft op dit punt bij een algemene veronderstelling, mede gebaseerd op uitgangspunten van good governance, maar waarvoor geen concrete aanknopingspunten bestaan en dat is onvoldoende. Artikel 843a Rv dient er immers niet toe om stukken op te vragen waarvan slechts wordt vermoed dat ze bestaan en wordt gedacht dat ze van pas zouden kunnen komen. Naar voorlopig oordeel van het hof is bij deze stand van zaken onvoldoende gebleken dat [appellant] c.s. een rechtmatig belang hebben bij inzage in de gevraagde stukken en dat deze stukken bestaan.
4.13 Vordering 1.1 (b) ziet op alle bescheiden uit de periode 1 januari 2008 tot en met april 2010 die betrekking hebben op het uitstappen van UUH uit Nodens en/of Bioceros en de keuze om de aandelen van Buys Ballotfonds in Nodens niet over te nemen. Ook hier hebben [appellant] c.s. hun rechtmatige belang bij het verkrijgen van deze algemeen omschreven gegevens onvoldoende toegelicht. In de notitie hebben zij hierover slechts opgemerkt dat zij meer inzicht willen krijgen in hoe de besluitvorming van de RvC plaatsvond en wat daaraan voorafging. Dat is te algemeen om een direct en concreet belang bij het verkrijgen van deze informatie te kunnen aannemen. Daarbij is de omschrijving dermate ruim en weinig specifiek dat ook geen sprake is van voldoende bepaalde bescheiden.
4.14 Vordering 1.1 (c) betreft de waardebepaling die volgens [appellant] c.s. is gemaakt in de eerste week van januari 2010 van de door Buys Ballotfonds gehouden aandelen Nodens. Daargelaten dat niet duidelijk is geworden dat Utrecht Holdings de beschikking hebben over een document dat betrekking heeft op deze waardebepaling, hebben [appellant] c.s. ook hierbij onvoldoende toegelicht welk rechtmatig belang zij hebben bij verstrekking hiervan.
4.15 Met vordering 1.1 (d) vragen [appellant] c.s. naar alle communicatie tussen de RvC-leden en aantekeningen, bijlagen en notulen van RvC-vergaderingen uit de periode 1 november 2010 tot en met 8 februari 2011 over de verwerving op 8 februari 2011 door Utrecht Holdings van alle aandelen die [naam9] hield in Nodens. In de notitie hebben zij aangegeven dat de gevorderde bescheiden meer inzicht zullen bieden in de vraag op basis van welke informatie de besluitvorming door de RvC plaatsvond. Ook dit is te algemeen om een rechtmatig belang bij het verkrijgen van deze informatie te kunnen aannemen. Verder hebben Utrecht Holdings alle RvC-notulen uit deze periode al overgelegd. [appellant] c.s. hebben niet onderbouwd dat er meer stukken zijn over dit onderwerp uit de genoemde periode. Gelet daarop is op dit punt ook geen sprake van bepaalde bescheiden die [appellant] c.s. nog niet hebben en waarvan aannemelijk is dat Utrecht Holdings er wel over beschikken.
4.16 Vordering 1.1 (e) betreft de waardebepaling die volgens [appellant] c.s. is gemaakt op 1 december 2010 van de door [naam9] gehouden aandelen Nodens en ten behoeve van de door hem gestelde, beoogde package dealinzake Nodens en Bioceros. Tijdens de mondelinge behandeling is namens [appellant] c.s. toegelicht dat het belang bij het verkrijgen van deze waardebepaling is dat deze inzichtelijk maakt of een combinatie van een lage koopprijs en agio objectief gerechtvaardigd was en in lijn was met de zakelijke waardering van het belang van [naam9] . Utrecht Holdings hebben daartegenover echter aangevoerd dat het niet als package dealaan de RvC is gepresenteerd en dat de agiostorting mede ten goede kwam aan Hereswint. [appellant] c.s. hebben daarop niet meer gereageerd. Gelet daarop valt zonder nadere toelichting niet in te zien dat [appellant] c.s. een direct en concreet belang hebben bij deze informatie. Verder is, net als bij vordering 1.1 (c), onvoldoende duidelijk geworden dat Utrecht Holdings beschikken over een document dat daarop betrekking heeft.
4.17 Met vordering 1.1 (f) vragen [appellant] c.s. alle communicatie op tussen de RvC-leden over de e-mail van 30 september 2015 van [appellant] aan de RvC-leden inzake Nodens. In deze e-mail werden drie alternatieven voorgelegd met betrekking tot Nodens, waaronder de mogelijkheid om te worden uitgekocht door Hereswint. In de notitie is hierover opgemerkt dat aan de hand van deze bescheiden nader kan worden vastgesteld op basis van welke informatie de RvC zijn besluit hierover heeft genomen. Dat is echter te vaag en algemeen om een rechtmatig belang van [appellant] c.s. bij het verkrijgen van deze informatie aan te kunnen nemen. Bovendien is ook hierbij de vraag of er stukken zoals bedoeld bestaan. [appellant] c.s. hebben zelf de e-mail van [appellant] van 4 november 2015 aan [naam10] , [naam3] , [naam1] , [naam2] en [naam11] overgelegd die op de e-mail van 30 september 2015 is gevolgd. Zij hebben niet onderbouwd dat over deze berichten schriftelijk is gecommuniceerd tussen de leden van de RvC. Dat de commissarissen onderling contact hadden over onderwerpen die aan de RvC werden voorgelegd, is daarvoor onvoldoende. Dat over een ander onderwerp een keer mails tussen de commissarissen zijn verstuurd (toen in november 2017 akkoord moest worden gegeven voor een transactie inzake GenDx), is daarvoor ook niet toereikend (ook niet bij de andere vorderingen die hierna worden besproken). Bij gebrek aan concrete aanknopingspunten is dan ook onvoldoende duidelijk dat dergelijke bescheiden bestaan. Hetzelfde geldt voor vordering 1.1 (g). Daarmee vragen [appellant] c.s. om alle notities die zijn gemaakt van het periodiek overleg dat heeft plaatsgevonden op 5 oktober 2015 tussen [naam1] , [naam10] , [naam11] , [appellant] en [naam12] , waarbij over de eventuele exit uit Nodens zou zijn gesproken. Ook hierbij ontbreekt de onderbouwing dat dergelijke notities bestaan en Utrecht Holdings erover beschikt. Daarbij moet worden bedacht dat [appellant] zelf heeft verklaard dat van de periodieke overleggen geen notulen werden opgesteld. Dat sluit natuurlijk niet uit dat er wel (persoonlijke) aantekeningen van kunnen zijn gemaakt, maar dat dit daadwerkelijk is gebeurd en Utrecht Holdings erover beschikken, is slechts speculatie.
4.18 Vordering 1.1 (h) betreft alle bescheiden ter zake de besluitvorming in 2014 om [appellant] /Uniper UUH te laten opvolgen als bestuurder van Nodens. In de notitie stellen [appellant] c.s. op dit punt dat [appellant] op vier momenten in 2014 met [naam3] en [naam11] heeft besproken dat hij vanaf 2014 door Nodens werd betaald voor zijn werkzaamheden als bestuurder (waarmee zij bestrijden dat [appellant] dit heeft verhuld). Zij verwachten dat de gevraagde bescheiden een vollediger beeld zullen geven over de informatie waarover de RvC/Utrecht Holdings beschikten. Ook dit is te algemeen om een rechtmatig belang van [appellant] c.s. bij het verkrijgen van deze informatie aan te kunnen nemen. Verder is de omschrijving te ruim en te weinig specifiek om van bepaalde bescheiden te kunnen spreken.
4.19 Vordering 1.1 (i) ziet op de in het archief van Utrecht Holdings opgeslagen kopieën van akten waarbij Nodens en/of Hereswint partij zijn, met een aanduiding van de archiefdoos waarin deze stukken zitten. Ook hierbij hebben [appellant] c.s. onvoldoende duidelijk gemaakt welk rechtmatig belang zij hebben bij inzage in deze stukken. In de notitie hebben zij hierover vermeld dat Utrecht Holdings hen allerlei verwijten maken over transacties waarbij Nodens en/of Hereswint partij zijn, maar dat zij niet beschikken over volledige informatie over deze transacties en de stellingen van Utrecht Holdings daarom niet alle goed kunnen beoordelen. Volgens [appellant] c.s. zijn de bescheiden nodig om een volledig beeld te krijgen van deze transacties (bijvoorbeeld wie heeft getekend, wat er in de aktes staat en wat is vermeld over de controles door de notaris). Daarmee hebben zij echter onvoldoende concreet gemaakt welke aktes over welke transacties zij missen, waarover Utrecht Holdings wel beschikken. Gelet daarop hebben zij het rechtmatig belang bij verstrekking van kopieën van deze aktes onvoldoende aannemelijk gemaakt. De gevraagde stukken zijn daarmee ook onvoldoende afgebakend, zodat niet aan de eis van bepaalde bescheiden is voldaan.
4.20 Vordering 1.1. (j) heeft ook betrekking op een akte die volgens [appellant] c.s. is opgeslagen in het archief van Utrecht Holdings, namelijk de akte van aandelenoverdracht van Hereswint van 23 februari 2006 met bijlagen. Naar het hof begrijpt, kennen [appellant] c.s. deze akte al, maar willen zij inzichtelijk maken over welke informatie de RvC en Utrecht Holdings beschikten. Die uitleg volstaat echter niet. Utrecht Holdings wijzen er immers op dat, ook als de naam van de echtgenote van [appellant] in een document in een archiefkast te vinden zou zijn geweest, dat nog niet betekent dat iemand dan zou hebben moeten weten dat dit de echtgenote van [appellant] was, laat staan dat de commissarissen en aandeelhouders dan van deze betrokkenheid bij Hereswint op de hoogte waren. Die tegenwerping is begrijpelijk. Gelet daarop valt niet goed in te zien dat [appellant] c.s. rechtmatig belang hebben bij inzage, enkel om bevestigd te krijgen dat dit stuk in het archief van Utrecht Holdings zit.
4.21 Met vordering 1.1 (k) vragen [appellant] c.s. naar alle bescheiden houdende documentatie en correspondentie van Utrecht Holdings uit de periode 2008-2010 die betrekking heeft op de eventuele exit van UUH uit Nodens, Bioceros en BBF. Deze vordering komt nagenoeg overeen met vordering 1.1 (b). Daarvoor geldt dan ook wat hiervoor is overwogen over die vordering (zie rov. 4.13).
4.22 Met vordering 1.1 (l) vragen [appellant] c.s. ten slotte om alle bescheiden inzake Hereswint uitgewisseld op RvC niveau. Deze omschrijving is zo ruim (onbegrensd in tijd en naar concreet onderwerp) en abstract (welk soort documentatie er is of naar redelijke verwachting zou moeten zijn) dat geen sprake is van voldoende bepaalde bescheiden.
1.2. Inzake GenDx
4.23 GenDx was een spin-offvan UMCUH. Bij haar oprichting in 2005 werden de aandelen gehouden door UMCUH, EchiumBio Holding B.V. (hierna: EchiumBio) en twee anderen. [naam13] was – tot 2018 via zijn persoonlijke vennootschap EchiumBio – bestuurder van GenDx. In het voorjaar van 2017 toonde investeringsmaatschappij Battery Ventures interesse in GenDx. De onderhandelingen met Battery Ventures eindigden in oktober 2017 zonder resultaat. In november 2017 deed [naam13] het aanbod de door UMCUH gehouden aandelen in GenDx in te kopen. Dit leidde ertoe dat UMCUH in december 2017 haar aandelen in GenDx verkocht aan GenDx. Utrecht Holdings verkochten kort daarna ook hun aandelen in KimerDx aan GenDx. In november 2018 verkreeg Uniper een aandelenbelang in GenDx. Uniper was daarvoor al bezoldigd adviseur van de GenDx-groep (GenDx, KimerDx en twee kleine andere vennootschappen) geworden. In 2019 is 33% van de aandelen in de GenDx-groep verkocht aan investeerder Ampersand. In 2022 is 100% van de aandelen in GenDx overgenomen door Eurobio Scientific SA.
4.24 Het verwijt dat Utrecht Holdings op dit punt maken, is dat [appellant] eind 2017/begin 2018 heeft bewerkstelligd dat Utrecht Holdings hun aandelen in GenDx en KimerDx hebben verkocht aan GenDx, waarbij [appellant] al voor de transactie was toegezegd dat [appellant] zelf (via Uniper) een deel van de ingekochte aandelen kon verkrijgen, tegen dezelfde prijs als waartegen Utrecht Holdings waren uitgestapt met nog een korting. Volgens Utrecht Holdings had [appellant] hierdoor een eigen financieel belang bij de transactie (het doorgaan ervan en een zo laag mogelijke prijs), wat hij voor Utrecht Holdings heeft verzwegen, en heeft hij de RvC onjuist en onvolledig geïnformeerd over de waarde van GenDx. De prijs die Utrecht Holdings ontvingen steekt schril af bij de waarderingen waarmee [appellant] en [naam13] rekenden in het kader van de interesse van Battery Ventures en waartegen kort na de exit van Utrecht Holdings een daadwerkelijke transactie werd gedaan. [appellant] c.s. betwisten deze verwijten. Zij voeren aan dat, toen [naam13] het bod op de aandelen in GenDx deed, nog volstrekt onzeker was of [appellant] aandeelhouder van GenDx zou worden. Verder stellen zij dat [appellant] wel degelijk alle relevante informatie aan de RvC heeft verstrekt.
4.25 Ook over dit onderwerp hebben [appellant] c.s. een aantal inzagevorderingen ingesteld. Als toelichting daarop hebben zij gegeven dat het aannemelijk is dat er meer bescheiden bestaan waaruit blijkt dat de RvC op de hoogte was van de (financiële) gevolgen van zijn besluiten en dat de RvC wel degelijk voldoende volledig en tijdig is geïnformeerd door [appellant] over alle voor de besluitvorming relevante zaken. Zij vragen zich af welk contact de commissarissen onderling hebben gehad en hoe zij hun verzoek aan UMCU om toestemming te geven voor de verkoop van de aandelen in GenDx hebben onderbouwd.
4.26 Met vordering 1.2 (a) vragen [appellant] c.s. naar alle bescheiden die betrekking hebben op het overleg van 22 augustus 2017 tussen [appellant] en [naam2] , RvC-lid van Utrecht Holdings en [naam14] , Raad van Bestuur-lid van UMCU. Volgens [appellant] c.s. werd in dat overleg als doel aangegeven een positief resultaat voor 2017 en werd geïnstrueerd dat te bewerkstelligen door een exit van Utrecht Holdings uit GenDx. Zij verwijzen daarvoor naar aantekeningen van [appellant] van dat overleg. Utrecht Holdings betwisten dit. Concrete indicaties dat er stukken over dit overleg bestaan, hebben [appellant] c.s. daartegenover niet gegeven. Gelet daarop kan ook hierbij niet worden aangenomen dat sprake is van bepaalde bescheiden waarover Utrecht Holdings beschikken.
4.27 Vordering 1.2 sub (b) is gericht op een kopie van de brief met het voorstel van [naam13] van 21 november 2017 die volgens [appellant] c.s. is opgeslagen in het papieren archief van Utrecht Holdings (in een bepaalde ordner). [appellant] c.s. hebben echter niet toegelicht welk rechtmatig belang zij hebben bij het verkrijgen van dit stuk. Dat had wel op hun weg gelegen, zeker nu zij de brief van [naam13] over dit onderwerp zelf hebben overgelegd (productie 34 bij de inleidende dagvaarding).
4.28 Met vordering 1.2 (e) vragen [appellant] c.s. om alle bescheiden uit de periode 1 januari 2017 tot en met 31 december 2017 betreffende GenDx. Met deze globale omschrijving en de algemene toelichting die zij erbij hebben gegeven, hebben [appellant] c.s. echter onvoldoende duidelijk gemaakt dat zij een direct en concreet belang hebben bij verstrekking van deze gegevens. De omschrijving is verder zo ruim en weinig specifiek dat ook geen sprake is van bepaalde bescheiden.
4.29 Vordering 1.2 (h) betreft alle bescheiden die betrekking hebben op de RvC-vergadering van 11 september 2015. Volgens [appellant] c.s. is tijdens die vergadering gesproken over zijn advieswerk voor GenDx en de beloning daarvoor vanuit GenDx en is daarvoor toestemming gegeven. Zij verwijzen daarbij naar de aantekeningen van [appellant] van die vergadering en de verklaring van [naam11] (destijds bestuurder van Utrecht Holdings). Utrecht Holdings betwisten dit. [appellant] c.s. hebben zelf de vergaderstukken voor deze vergadering overgelegd (productie 46 bij de inleidende dagvaarding). Daarover beschikken zij dus al. Verder is niet in geschil dat van deze vergadering geen notulen zijn gemaakt. Dat er nog wel andere stukken over deze vergadering bestaan, is speculatie. Gelet daarop valt niet aan te nemen dat deze stukken bestaan en dat Utrecht Holdings erover beschikken.
1.3. Inzake Gadeta Founders
4.30 Gadeta Founders is in 2015 opgericht door een onderzoeker van UMCU (via zijn holding), [naam9] (via de holding DBBC van hem en zijn zonen), Utrecht Holdings en een derde. In augustus 2017 hebben Utrecht Holdings (onder verantwoordelijkheid van [appellant] ) ieder een lening van € 500.000 verstrekt aan Gadeta Founders. In ruil daarvoor verkregen zij ook preferente aandelen A in Gadeta Founders. In april 2018 hebben Utrecht Holdings 50% van de door hen gehouden aandelen A en verstrekte leningen (en een deel van hun gewone aandelen) verkocht aan de andere aandeelhouders van Gadeta Founders, grotendeels aan DBBC. [appellant] en Latenstein Beheer B.V., de vennootschap van zijn vader, hebben daarvoor een lening verstrekt aan [naam9] ter financiering van de overname van de belangen die Utrecht Holdings overdroegen aan DBBC. In ruil daarvoor verkregen [appellant] en Latenstein, naast het recht op aflossing van de lening met rente, een recht op 60% van de winst die DBBC verkreeg op de van Utrecht Holdings overgenomen aandelen.
4.31 Het verwijt van Utrecht Holdings is dat [appellant] namens Utrecht Holdings een transactie heeft gedaan waarvan hij en zijn vader zelf het meest profiteerden. Volgens Utrecht Holdings tuigden [appellant] en [naam9] daartoe een schijnconstructie op, terwijl al hoge winsten werden verwacht. [appellant] c.s. bestrijden dat. In verband daarmee hebben zij twee inzagevorderingen ingesteld die in hoger beroep tot het volgende zijn beperkt.
4.32 Vordering 1.3 (a) betreft alle papieren documenten en alle papieren correspondentie en alle e-mailcorrespondentie met bijlagen van [naam3] aan de overige RvC leden over Gadeta en Elevate Health met betrekking tot zijn overleg met [appellant] op 15 september 2017, een overleg voorafgaand aan de RvC-vergadering van die dag. Naar het hof begrijpt, verwijzen [appellant] c.s. daarmee naar hun stelling dat in deze RvC-vergadering aan de orde is gesteld dat Gadeta Founders naar verwachting in februari 2018 in liquiditeitsnood zou komen te verkeren. Daarvoor verwijzen zij naar een opmerking in de vergaderstukken voor deze RvC-vergadering over dit onderwerp. [appellant] c.s. hebben echter niet gesteld wat uit de bedoelde correspondentie van [naam3] met de andere leden van de RvC naar voren zou kunnen of moeten komen over deze kwestie. Gelet daarop hebben zij niet duidelijk gemaakt welk rechtmatig belang zij hebben bij de gevorderde inzage op dit punt. Bovendien hebben zij niet onderbouwd dat er correspondentie tussen [naam3] en de andere RvC-leden hierover bestaat, zodat ook niet valt aan te nemen dat Utrecht Holdings daarover beschikken.
4.33 Vordering 1.3 (b) heeft betrekking op alle notities, notulen en e-mails van de RvC en de afzonderlijke RvC-leden van Utrecht Holdings aan elkaar of aan de aandeelhouders van Utrecht Holdings of derden over de transactie in maart/april 2018 waarbij Utrecht Holdings aandelen Gadeta Founders en leningen hebben overgedragen aan andere aandeelhouders. [appellant] c.s. hebben echter niet onderbouwd dat er meer bescheiden hierover (moeten) bestaan dan die waarover zij zelf al beschikken. De omschrijving is verder ook zo ruim en weinig specifiek dat geen sprake is van bepaalde bescheiden waarover Utrecht Holdings beschikken. Wat in de notitie is aangevoerd – dat de gevorderde bescheiden een vollediger beeld opleveren van de motieven en informatie op basis waarvan de RvC heeft besloten tot deze transactie – is verder ook zo algemeen dat hieraan niet het vereiste rechtmatige belang bij het verkrijgen van deze informatie kan worden ontleend.
1.4. Inzake TigaTx Founders
4.34 TigaTx Founders is opgericht in 2018. Utrecht Holdings, DBBC en een derde verkregen gewone aandelen en preferente aandelen A in deze vennootschap. Utrecht Holdings hebben een agiostorting gedaan en daarnaast in 2019 en 2020 onder leiding van [appellant] converteerbare leningen verstrekt aan TigaTx Founders. Gelijktijdig met de laatste lening van Utrecht Holdings heeft DBBC ook een converteerbare lening aan TigaTx Founders verstrekt. Deze is gefinancierd met een geldlening die [appellant] aan DBBC heeft verstrekt, met een borgstelling van [naam9] . [appellant] verkreeg daarvoor, naast een recht op aflossing van de lening met rente, recht op 100% van de winst zijnde iedere betaling die DBBC zou ontvangen in relatie tot de converteerbare lening aan TigaTx Founders. Verder heeft TigaTx Founders in 2020, met medewerking van [appellant] , gewone en preferente aandelen uitgegeven aan Cellpoint Founders, in ruil waarvoor TigaTx Founders aandelen in het kapitaal van Cellpoint Founders verkreeg (de zogenoemde aandelenswap).
4.35 Utrecht Holdings concluderen dat [appellant] als bestuurder van Utrecht Holdings aan TigaTx Founders in de opstartfase diverse leningen heeft laten verstrekken (die deels zijn afgewaardeerd) en kapitaalstortingen heeft laten doen, terwijl hij zelf tegelijkertijd via een schijnconstructie een eigen economisch belang heeft verkregen in deze vennootschap. Volgens Utrecht Holdings was daardoor opnieuw sprake van belangenverstrengeling, die [appellant] niet heeft gemeld. Naar zij stellen, is verder niet gebleken hoe de aandelenswap in hun belang was en wat de rechtvaardiging of noodzaak daarvan was. [appellant] c.s. bestrijden echter dat [appellant] een tegenstrijdig belang had en dat Utrecht Holdings is benadeeld door de aandelenswap.
4.36 De inzagevordering die zij in verband hiermee instellen – vordering 1.4 (a) – is gericht op alle papieren documenten en correspondentie en alle e-mailcorrespondentie met bijlagen van 1 juni 2022 tot en met 31 december 2024 betrekking hebbend op de aandelenruil tussen TigaTx Founders en Cellpoint (Founders) en het door TigaTx Founders uitgekeerde dividend aan haar aandeelhouders waaronder Utrecht Holdings. [appellant] c.s. hebben aanvankelijk volstaan met de toelichting dat de enige wijze waarop zij zich tegen de vage beschuldigingen van Utrecht Holdings op dit punt kunnen verweren is dat Utrecht Holdings afschriften van alle bescheiden die zij daarover hebben aan hen verstrekken. In de notitie hebben zij toegevoegd dat aan de hand van de gevraagde stukken kan worden beoordeeld over welke informatie Utrecht Holdings en de RvC inzake de aandelenruil beschikten. Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep hebben zij nog nader aangevoerd dat de stukken zullen aantonen hoe de aandelenswap met Cellpoint Founders en de latere verkoop van aandelen hebben geleid tot een dividenduitkering aan de aandeelhouders van TigaTx, waaronder Utrecht Holdings. Volgens hen zal daaruit blijken dat de door [appellant] ondersteunde structuur aanzienlijke winst voor Utrecht Holdings heeft opgeleverd. De gevraagde stukken zijn in hun visie relevant voor de beoordeling of er überhaupt sprake kan zijn van benadeling door een vermeend eigen belang van [appellant] . Het is voor het hof echter niet duidelijk waarom de gevraagde stukken nodig zijn om het door [appellant] c.s. bedoelde resultaat van de transacties te kunnen laten zien. Dat zij rechtmatig belang hebben bij inzage in dit geheel van stukken, is daarom niet gebleken. Verder is de omschrijving ook zo ruim en weinig specifiek dat geen sprake is van bepaalde bescheiden.
1.5. Inzake Simibio
4.37 Simibio is opgericht in 2009 door DBBC. Utrecht Holdings hebben in 2010 een aandelenbelang genomen in Simibio. Verder hebben zij (onder meer) in 2012 en 2013 leningen aan Simibio verstrekt. De looptijd van deze leningen is in 2016 verlengd, waarbij DBBC en [naam9] zich garant hebben gesteld voor de terugbetaling. Eind 2016 hebben [naam11] en [appellant] de leningen als oninbaar aangemerkt en besloten af te zien van het inroepen van de garantstelling van DBBC en [naam9] . In 2017 is Simibio ontbonden.
4.38 Het verwijt van Utrecht Holdings is dat [appellant] geen actie namens hen heeft ondernomen om de leningen met rente te incasseren, in ieder geval door DBBC en [naam9] als garantstellers aan te spreken. [appellant] c.s. bestrijden dat, door erop te wijzen dat het bestuur en de aandeelhouders van Simibio in 2017 hebben vastgesteld dat Simibio niet meer levensvatbaar was en daarom hebben besloten deze vennootschap te liquideren, en dat er gegronde redenen waren om DBBC/ [naam9] niet aan te spreken.
4.39 [appellant] c.s. hebben diverse inzagevorderingen over deze kwestie ingesteld. Vordering 1.5 (a) ziet op alle bescheiden met betrekking tot de impairmentanalyses van deelnemingen en leningen van Utrecht Holdings van december 2016 t/m maart 2017. Vordering 1.5 (b) betreft de definitief vastgestelde notulen van de RvC vergaderingen over de periode 1 januari 2017 tot en met 14 september 2017. Vordering 1.5 (c) gaat over de kwartaalrapportages en lening-overzichten die aan de RvC zijn verstrekt in de periode 2014-2017 en waarin één of meer van de leningen aan Simibio voorkomen. Vordering 1.5 (e) betreft ten slotte de bankafschriften van UUH van 1 oktober 2011 tot en met 31 januari 2012 (ter controle van aflossing van de eerder in 2011 aan Simibio verstrekte lening). Het hof heeft in het eerdere kort geding over de inzagevorderingen van Utrecht Holdings geoordeeld dat Utrecht Holdings het gestelde onrechtmatig handelen van [appellant] bij deze kwestie onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt, zodat ook onvoldoende aannemelijk is dat tussen hen op dit punt een rechtsbetrekking bestaat (zie rov. 5.170 van het arrest van 15 oktober 2024). Utrecht Holdings hebben aangevoerd dat deze kwestie nog in onderzoek is. Om die reden is hierover ook nog geen procedure aanhangig gemaakt. Nu het dus nog maar de vraag is of Utrecht Holdings [appellant] c.s. voor deze kwestie zullen aanspreken, is onvoldoende duidelijk dat [appellant] c.s. een spoedeisend belang hebben om zich tegen een vordering van Utrecht Holdings op dit punt te kunnen verweren. Verder is niet gebleken dat dit voor de arbeidszaak wel speelt. [appellant] c.s. hebben niet concreet gemaakt dat zij nog wel een ander spoedeisend belang hebben bij hun inzagevorderingen over deze kwestie. Dat maakt al dat deze vorderingen niet toewijsbaar zijn.
1.6. Inzake Ambracia c.s.
4.40 Ambracia is opgericht in 2016 in het kader van de Bioceros/Epirus-transactie. Daarbij is een assetvan Bioceros overgedragen aan Ambracia, waarna de aandelen in Ambracia zijn verdeeld onder de voormalige aandeelhouders van Bioceros die hun aandelen in het kader van de genoemde transactie hadden verkocht. Hetzelfde geldt voor vier andere entiteiten die in dat kader zijn opgericht (de zogenoemde Clustervennootschappen). Onder deze aandeelhouders waren UUH, Nodens en DBBC. Eind 2016 heeft UUH 11% van haar aandelen in Ambracia en de Clustervennootschappen verkocht aan Nodens (waarvan Hereswint inmiddels 100% aandeelhouder was). Volgens Utrecht Holdings was [appellant] zowel als bestuurder van UUH als van Nodens hierbij betrokken. De aandelen in een van de Clustervennootschappen zijn in 2018 verkocht aan Polpharma Group B.V.
4.41 Het verwijt van Utrecht Holdings is dat [appellant] zich, ondanks zijn persoonlijke belangen bij Nodens en Hereswint, niet heeft onthouden van beraadslaging en besluitvorming over deze transactie en niet heeft gezorgd voor optimalisatie van de koopsom voor Utrecht Holdings. Zij wijzen er daarbij op dat Nodens met de verkoop van de aandelen in een van de Clustervennootschappen al meer ontving dan UUH voor de overdracht van haar aandelen in Ambracia en alle Clustervennootschappen samen heeft ontvangen. [appellant] c.s. bestrijden dat [appellant] hierbij verwijtbaar heeft gehandeld.
4.42 [appellant] c.s. hebben in verband met deze kwestie twee inzagevorderingen ingesteld. Vordering 1.6 (a) betreft de overwegingen en besluitvorming door Utrecht Holdings (vertegenwoordigd door [naam11] ) van op of rond 2 april 2016 en 13 mei 2016 om te participeren in Ambracia. Vordering 1.6 (b) ziet op de overwegingen, waardebepaling en besluitvorming door Utrecht Holdings (vertegenwoordigd door [naam11] ) van op of rond 6 en 16 december 2016 om de aandelenbelangen in Ambracia en de Clustervennootschappen te verkopen. Ook hiervoor geldt dat Utrecht Holdings deze kwestie nog in onderzoek hebben, zodat het nog maar de vraag is of [appellant] c.s. hiervoor zullen worden aangesproken. Tegen deze achtergrond is onvoldoende gebleken dat [appellant] c.s. een spoedeisend belang hebben bij deze inzagevorderingen (vgl. rov. 4.39). Deze vorderingen zijn daarom al niet toewijsbaar. Bovendien is niet voldaan aan het vereiste van voldoende bepaalde bescheiden, omdat niet (voldoende duidelijk) naar bestaande stukken wordt gevraagd.
1.7. Inzake Laurentia Holding BV
4.43 Een omschrijving van deze kwestie is in de processtukken niet gegeven. In het arrest van dit hof van 15 oktober 2024, waar Utrecht Holdings zich op beroepen, is er wel iets over gezegd (zie rov. 5.152 en verder van dat arrest). Kort gezegd houdt dit in dat Laurentia Holding B.V. (hierna: Laurentia) in 2020 is opgericht door onder andere Clinquest en UUH, waarbij UUH de grootste aandeelhouder werd. Clinquest en UUH hebben de bij de oprichting van Laurentia verkregen converteerbare cumulatief preferente aandelen volgestort door inbreng van de IP-rechten die zij hadden verkregen van Enceladus Pharmaceuticals B.V, een vennootschap waarin UUH sinds 2005 een aandelenbelang had en aan wie UU en UUH in 2008 IP hadden overgedragen tegen een aanspraak op royalties. UUH heeft verder bij de oprichting en in 2021 investeringen in Laurentia gedaan.
4.44 [appellant] c.s. zijn in eerste aanleg niet op deze kwestie ingegaan en hebben er geen vorderingen over ingesteld, naar zij aangaven omdat hen onduidelijk is wat [appellant] in dat verband wordt verweten. In hoger beroep hebben zij alsnog twee inzagevorderingen hierover ingesteld. Vordering 1.7 (b) gaat over de “ to do list” waarover Utrecht Holdings zeggen te beschikken en waarop vermeld zou staan “indekken Laurentia”. Vordering 1.7 (c) betreft alle bescheiden houdende correspondentie en documentatie uit de periode 1 juni 2021 tot en met 1 september 2022 met betrekking tot de overwegingen, de prijsbepaling en de besluitvorming door het bestuur, de RvC en de aandeelhouder van UUH inzake de verkoop van de aandelen van UUH in Laurentia. Enige toelichting op deze vorderingen ontbreekt echter. Zeker nu Utrecht Holdings hebben aangegeven dat deze kwestie nog in onderzoek is, is niet gebleken dat [appellant] c.s. een spoedeisend belang hebben bij hun inzagevorderingen op dit punt (vgl. rov. 4.39). Deze vorderingen zijn daarom al niet toewijsbaar. Bovendien is bij deze stand van zaken niet aannemelijk geworden dat aan de vereisten van artikel 843a Rv is voldaan.
1.8. Inzake de meldingen en onderzoeken en aansprakelijkheidstellingen van derden
4.45 [appellant] c.s. hebben verder een aantal inzagevorderingen ingesteld die betrekking hebben op het onderzoek naar mogelijke onregelmatigheden bij Utrecht Holdings en de aansprakelijkstelling van [appellant] c.s.
4.46 Dit betreft in de eerste plaats het onderzoek van Deloitte. Vordering 1.8 (a) is gericht op alle correspondentie uit de periode van 1 januari 2023 tot met 1 april 2024 tussen Deloitte en aan haar gelieerde ondernemingen enerzijds en UU/Utrecht Holdings/UMCUH anderzijds, waaronder de correspondentie en documentatie met betrekking tot de totstandkoming en uitvoering van de opdracht aan Deloitte in 2021 tot het uitvoeren van een onderzoek. Vordering 1.8 (b) heeft betrekking op alle niet-openbare informatie waarop het door Deloitte opgestelde rapport van 23 november 2022 is gebaseerd. Vordering 1.8 (c) ziet op alle correspondentie met en/of interviewverslagen van Deloitte met een aantal personen en alle documenten in verband daarmee. [appellant] c.s. hebben als toelichting op deze vorderingen gegeven dat inmiddels duidelijk is dat cruciale informatie niet in het Deloitte-rapport is opgenomen. Volgens hen duidt dit erop dat Utrecht Holdings belangrijke informatie voor Deloitte hebben achtergehouden. Zij merken verder op dat in het rapport niet staat dat Utrecht Holdings tijdens het onderzoek door Deloitte dossiers hebben vernietigd. Zij willen alle documenten ontvangen die Utrecht Holdings aan Deloitte hebben verstrekt, ook om inzicht te krijgen in welke documenten juist niet zijn gedeeld met Deloitte met betrekking tot Nodens, Hereswint en GenDx terwijl zij daar wel over beschikten of zouden moeten beschikken. Verder willen zij kunnen controleren of hetgeen in het rapport is vermeld over de interviews met de RvC-leden een juiste en volledige weergave is van wat er is verklaard.
4.47 Naar het oordeel van het hof hebben [appellant] c.s. hun vermoeden dat Utrecht Holdings informatie voor Deloitte hebben achtergehouden, tegenover de gemotiveerde betwisting door Utrecht Holdings (inhoudende dat Deloitte toegang heeft verkregen tot hun administratie en tot alle informatie die zij heeft verzocht), onvoldoende onderbouwd. Dat informatie over een in februari 2019 gezonden brief over vermeende misstanden en signalen die tussen 2017 en 2019 door verschillende medewerkers zijn afgegeven niet is vermeld in het Deloitte-rapport, is daarvoor onvoldoende. Dit levert dan ook geen rechtmatig belang op voor [appellant] c.s. om alle correspondentie tussen Deloitte en UU/Utrecht Holdings en alle aan Deloitte beschikbaar gestelde documentatie verstrekt te krijgen. Dat geldt ook voor de wens van [appellant] c.s. om inzicht te krijgen in de opdracht omdat, als zou blijken dat is verzocht om enkel selectief te zoeken naar belastende feiten, dit van invloed is geweest op het feitenonderzoek en daarmee op de inhoud van het rapport. Meer dan een (theoretische) mogelijkheid wordt daarmee immers niet genoemd. Daarbij hebben Utrecht Holdings erop gewezen dat de inhoud van de opdracht blijkt uit het Deloitte-rapport zelf. De enkele wens om te kunnen controleren of de resultaten van de door Deloitte gehouden interviews correct zijn weergeven in het rapport, leidt ook niet tot een rechtmatig belang bij verstrekking van alle correspondentie met de geïnterviewde personen en de interviewverslagen. Daar komt bij dat, zoals Utrecht Holdings terecht opmerken, de aansprakelijkstellingen niet alleen zijn gebaseerd op het Deloitte-rapport, maar op alle inmiddels beschikbare informatie, waaronder ook de stukken die zijn verkregen uit het bewijsbeslag bij [appellant] (waarover hij zelf ook beschikt). De onderliggende stukken zijn ook al overgelegd, zodat [appellant] c.s. daarover beschikken. Daarom valt niet in te zien dat [appellant] c.s. een direct en concreet belang hebben bij de gevraagde informatie om zich tegen de verwijten van Utrecht Holdings te kunnen verweren. Bij deze vorderingen is in wezen dan ook sprake van een fishing expedition.
4.48 In de tweede plaats vragen [appellant] c.s. om stukken over de besluitvorming om Deloitte opdracht te geven tot het onderzoek en om te gaan procederen tegen [appellant] c.s. en [naam4] . Zo is vordering 1.8 (e) gericht op alle bescheiden met betrekking tot de besluitvorming van de RvC, Utrecht Holdings, UU en/of UMCU om in 2021 een onderzoek te laten uitvoeren met betrekking tot mogelijke onregelmatigheden binnen Utrecht Holdings en vordering 1.8 (f) op alle bescheiden met betrekking tot hun besluitvorming in 2023 om tot aansprakelijkstelling en procedures tegen [appellant] c.s. en [naam4] over te gaan. Als toelichting daarop hebben [appellant] c.s. gegeven dat zij duidelijkheid willen krijgen over de gang van zaken omtrent het oorspronkelijke standpunt van Utrecht Holdings over de kwesties en het hoe en waarom van het gewijzigde standpunt in 2021. Naar het hof begrijpt, doelen zij daarmee op hun vermoeden dat de RvC de opdracht tot het onderzoek heeft verstrekt en de aansprakelijkstelling, aangifte en ontslag hebben laten volgen omdat een verschil van mening was ontstaan met betrokkenen bij UMCU over de UMCUH-deelneming in Julius Clinical Research B.V. (over het voorgenomen ontslag van de bestuurder van deze B.V., de heer [naam15] , waar de RvC tegen was), [appellant] daarom zijn functie als bestuurder bij UMCUH had neergelegd en onderhandelingen over beëindiging van zijn dienstverband met UU niet tot een overeenkomst hadden geleid, dit waar eerdere meldingen van klokkenluiders kennelijk geen reden waren om zo’n onderzoek te laten doen.
4.49 Ook op dit punt hebben [appellant] c.s. hun vermoedens, tegenover de gemotiveerde betwisting door Utrecht Holdings c.s., onvoldoende onderbouwd. Daarbij deelt het hof het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter dat het Utrecht Holdings vrijstond om naar aanleiding van de in 2021 ontvangen signalen onderzoek in te stellen. Zij hoeven niet te verantwoorden waarom zij dat naar aanleiding van eerdere meldingen niet hebben gedaan. Dit leidt dan ook niet tot een rechtmatig belang bij inzage in stukken over de besluitvorming ten aanzien van het onderzoek. Hetzelfde geldt voor de besluitvorming over de daarop gevolgde aansprakelijkstelling. Daarbij wordt nog opgemerkt dat [appellant] c.s. in de memorie van grieven (randnummer 54) zelf te kennen hebben gegeven dat zij het verzoek om de interne beraadslaging en besluitvorming over de aansprakelijkstelling in deze procedure niet handhaven. Daarnaar gevraagd is namens [appellant] c.s. verklaard dat het hen niet gaat om de overwegingen van Utrecht Holdings, maar om de vraag wat men toen al wist. Dat zij een rechtmatig belang hebben bij inzage in de bedoelde stukken, is daarmee echter niet duidelijker geworden. Daarbij ziet het hof ook niet in dat [appellant] c.s. deze informatie nodig hebben om zich inhoudelijk te kunnen verweren tegen de verwijten die Utrecht Holdings hen maken (wat het meest concrete belang voor [appellant] c.s. zou zijn bij het verkrijgen van de informatie). Ook hierbij gaat het dan ook in wezen om een fishing expedition.
4.50 Verder vragen [appellant] c.s. met vordering 1.8 (g) naar alle bescheiden met betrekking tot de besluitvorming van de RvC en/of het bestuur van Utrecht Holdings waarbij en op basis waarvan is besloten en/of toestemming is verleend om inzake de kwestie GenDx een vordering tegen GenDx of Eurobio in te stellen althans te onderzoeken. De toelichting hierop is dat Utrecht Holdings aan Eurobio, de koper van de GenDx-groep, zouden hebben meegedeeld dat zij een claim overwegen in te stellen tegen Eurobio dan wel GenDx met betrekking tot de kwestie GenDx, die mede betrekking zou hebben op de geldigheid van de inkoop door GenDx van de door UMCUH gehouden aandelen GenDx. Het standpunt dat de transactie ongeldig zou zijn, is volgens [appellant] c.s. van grote invloed op de schadevordering die Utrecht Holdings op hen stellen te hebben. Zij willen daarom het bestuursbesluit of RvC-besluit hebben waarin is besloten of toestemming is verleend om inzake de kwestie GenDx een vordering tegen Eurobio in te stellen of te onderzoeken, om daaruit op te kunnen maken wat de grondslag daarvoor is.
4.51 Naar het oordeel van het hof zijn deze stellingen te weinig concreet en te speculatief om aan te kunnen nemen dat de stukken zoals door [appellant] c.s. bedoeld bestaan en dat zij een rechtmatig belang hebben om er kennis van te kunnen nemen.
4.52 Vervolgens vragen [appellant] c.s. met vordering 1.8 (h) om alle communicatie die er vanaf 1 januari 2023 is geweest tussen het bestuur en/of de RvC van Utrecht Holdings of hun afzonderlijke leden en [naam16] . [naam16] is het onderzoeksbureau dat in opdracht van Utrecht Holdings een persoonsgericht onderzoek uitvoert naar [appellant] . Volgens [appellant] c.s. is namens [naam16] verklaard dat de opdracht van Utrecht Holdings is te zoeken naar belastend materiaal. Zij vinden dat niet legitiem en willen daarom helderheid krijgen over de precieze onderzoeksopdracht. Verder zeggen [appellant] c.s. van derden te hebben vernomen dat [naam16] al eerder, op of rond 8 maart 2023 (de datum van het bewijsbeslag), betrokken is geweest bij een onderzoek naar de rol van [appellant] bij Stichting Incubator en/of Utrecht Holdings en dat in het kader van dat onderzoek bestanden zijn gekopieerd van een computer die in gebruik was bij [appellant] en van een cloud servervan Stichting Incubator. Zij willen nagaan of dat juist is, naar het hof begrijpt om de beschuldiging van Utrecht Holdings te kunnen weerleggen dat [appellant] ten tijde van het bewijsbeslag documenten is gaan verwijderen.
4.53 Utrecht Holdings hebben voor de onderzoeksopdracht verwezen naar de brief van [naam16] aan [appellant] van 29 november 2023 (productie 22 bij conclusie van antwoord zijdens Utrecht Holdings), waarin onder meer is vermeld: “ De Raad van Commissarissen van Utrecht Holdings heeft opdracht gegeven aan [naam16] B.V.[…] tot het uitvoeren van een persoonsgericht onderzoek naar mogelijke onregelmatigheden in relatie tot het door u gevoerde bestuur van Utrecht Holdings in de periode van 26 juni 2009 - 1 juni 2021, en voor zover relevant in de periode na uw bestuurlijk functioneren. De onderzoeksvraag is of er onregelmatigheden zijn aangetroffen buiten de hierna genoemde vier kwesties die buiten scope zijn om de redenen hierna genoemd. De bedoelde vier kwesties die buiten de scope van het onderzoek vallen zijn:[hier volgt een opsomming van de kwesties Nodens, GenDx, Gadeta Founders en TigaTx Founders, zoals beschreven in het rapport van Deloitte en de aansprakelijkstellingen aan [appellant] ; opmerking hof]. Het doel van het persoonsgerichte onderzoek is het verkrijgen van inzicht in de relevante feiten en omstandigheden die ten grondslag liggen aan de mogelijke onregelmatigheden, alsmede het inzichtelijk maken van de financiële gevolgtrekkingen van deze mogelijke onregelmatigheden.”
4.54 Deze omschrijving geeft geen aanleiding voor de veronderstelling van [appellant] c.s. dat het onderzoek is beperkt tot belastende feiten (in die zin dat ontlastende informatie buiten beschouwing wordt gelaten). Uit hetgeen [appellant] c.s. hebben aangevoerd, volgt niet dat dit wel de werkelijke insteek van het onderzoek zou zijn. Gelet daarop is onvoldoende gebleken dat [appellant] c.s. rechtmatig belang hebben bij inzage in de communicatie tussen de RvC/het bestuur van Utrecht Holdings en [naam16] om helderheid over de onderzoeksopdracht te krijgen.
4.55 Utrecht Holdings betwisten verder dat [naam16] betrokken is geweest bij het bewijsbeslag. Zij hebben toegelicht dat [naam16] in een eerder stadium werkzaamheden heeft verricht ten behoeve van de controle van de jaarrekeningen met het oog op de gevolgen van eventuele fraude c.q. het niet naleven van wet- en regelgeving voor de financiële verslaglegging. Nadat op 6 april 2023 door een medewerker van de Stichting Incubator was geconstateerd dat zeer veel e-mailmappen misten, heeft [naam16] op 13 april 2023 geassisteerd bij het veilig stellen van de harde schijf van de desktop pc van [appellant] van de Stichting Incubator. Volgens Utrecht Holdings heeft [naam16] dus geen bestanden gekopieerd, maar de harde schijf veilig gesteld, waarna ingeschakelde ICT-experts hebben geprobeerd zoveel mogelijk van de verwijderde bestanden te herstellen. Op deze uitleg zijn [appellant] c.s. verder niet ingegaan. Gelet daarop ziet het hof ook geen grond om aan te nemen dat [appellant] c.s. met het oog hierop een rechtmatig belang hebben bij inzage in de communicatie tussen Utrecht Holdings en [naam16] .
4.56 Met vordering 1.8 (i) vragen [appellant] c.s. ten slotte naar alle communicatie tussen het bestuur van Utrecht Holdings en [naam9] van na 7 juli 2023 met betrekking tot Nodens, Gadeta, Gadeta Founders, TigaTx, TigaTx Founders, Cellpoint, Nyima en de leningen van [appellant] aan [naam9] . De toelichting hierop is dat Utrecht Holdings ook vele andere partijen heeft aangeschreven en vaak ook aansprakelijk heeft gesteld. Zo is ook [naam9] aangeschreven bij brief van 26 mei 2023. [naam9] heeft daarop gereageerd op 7 juli 2023. [appellant] c.s. weten niet of hierop nog is gereageerd door Utrecht Holdings. De brief van [naam9] van 7 juli 2023 bevestigt volgens [appellant] c.s. de situatie en gang van zaken zoals zij die uiteen hebben gezet. Zonder verdere toelichting, die ontbreekt, valt echter niet in te zien waarom dat zou betekenen dat [appellant] c.s. een rechtmatig belang hebben bij inzage in de communicatie die er na 7 juli 2023 mogelijk is geweest tussen Utrecht Holdings en [naam9] . In de notitie hebben [appellant] c.s. nog toegevoegd dat Utrecht Holdings contact zouden hebben gezocht met [naam9] en hem zouden hebben gesommeerd om geen rente, aflossing of andere betalingen aan [appellant] c.s. te doen, wat hen financieel benadeelt. Zij willen kunnen beoordelen wat hun rechtspositie in deze tegenover Utrecht Holdings is. Bij ontbreken van enige verdere onderbouwing levert dit echter geen rechtmatig belang voor [appellant] c.s. op.
1.10. Divers
4.57 De eerste drie inzagevorderingen onder dit kopje hebben betrekking op de opruiming van het archief van Utrecht Holdings in april 2022. Vordering 1.10 (a) ziet op alle bescheiden betreffende de besluitvorming over de opruiming en vernietiging van een deel van het archief van Utrecht Holdings in deze maand. Vordering 1.10 (b) heeft betrekking op alle bescheiden waaruit blijkt welke documenten daarbij zijn vernietigd of zijn geselecteerd voor vernietiging. Vordering 1.10 (c) betreft alle bescheiden waaruit blijkt welke documenten daarbij zijn vernietigd of zijn geselecteerd voor vernietiging met betrekking tot Buys Ballotfonds, Nodens, Hereswint, Bioceros, PanGenetics, Sea Otter, Ambracia c.s. en Simibio. [appellant] c.s. hebben aangevoerd dat Utrecht Holdings beschikten over administratie en archiefstukken in verschillende ordners met betrekking tot Nodens, PanGenetics, BBF, GenDx, Simibio, Ambracia, Sea Otter, Gadeta Founders en TigaTx Founders. Zij vinden dat duidelijk moet worden welke informatie tijdens het Deloitte-onderzoek, in april 2022, is vernietigd en waarom. Daarbij wijzen zij erop dat [appellant] bij e-mail van 7 april 2022 aan zijn opvolger mevrouw [naam17] heeft gevraagd niets te vernietigen dat van belang kan zijn.
4.58 Utrecht Holdings hebben aangevoerd dat toen [appellant] per 1 juni 2021 aftrad als haar bestuurder het project ter digitalisering van de administratie van Utrecht Holdings naar onder andere Effacts had plaatsgevonden onder verantwoordelijkheid van [appellant] . Het fysieke archief waarop [appellant] c.s. doelen, lag ten tijde van de verhuizing van Utrecht Holdings in april 2022 nog in de oude kantoorruimte. Deze documenten zijn bij de verhuizing geordend en gesorteerd, waarbij zijn weggegooid: (i) in de administratie door de boekhouder ingeboekte documenten ouder dan 2011), (ii) aanwezige kopieën van ongetekende (concept) overeenkomsten en (iii) niet te classificeren papieren zonder status en handtekening en onleesbare papieren. Volgens Utrecht Holdings betreft dit een heel beperkt deel van het archief, nadat reeds digitalisering van de administratie had plaatsgevonden. Zij betwisten moedwillig relevante informatie te hebben vernietigd. Verder wijzen zij erop dat [appellant] na zijn aftreden nog geruime tijd toegang heeft gehad tot het oude kantoor en dus ook tot het fysieke archief, ook gedurende het Deloitte-onderzoek.
4.59 Wat er van de discussie hierover tussen partijen verder ook zij, in elk geval is niet duidelijk geworden dat de bescheiden waarnaar [appellant] c.s. met hun voormelde vorderingen vragen, bestaan. [appellant] c.s. betogen weliswaar dat de door UU en het UMCU gepubliceerde selectielijst in de zin van de Archiefwet bewijst dat Utrecht Holdings weten welke bescheiden in april 2022 zijn vernietigd en welke zijn gespaard, maar daarin kunnen zij niet worden gevolgd. Utrecht Holdings voeren immers aan dat deze selectielijst niet voor hen geldt, aangezien de Archiefwet van toepassing is op overheidsorganen, wat Utrecht Holdings niet zijn. [appellant] c.s. betogen weliswaar dat dit anders is omdat Utrecht Holdings een belangrijk deel van de valorisatietaken van UU en UMCU uitvoeren en sprake is van grote verwevenheid, maar daarmee is nog niet duidelijk dat het wettelijke regime dat voor UU en UMCU geldt ook op hen van toepassing is. Maar hoe dan ook kan hieruit op zichzelf niet worden afgeleid dat Utrecht Holdings de bedoelde wetenschap hebben, laat staan dat de door [appellant] c.s. gevraagde documentatie hierover bestaat. Wat [appellant] c.s. over de eigen bewaarplicht van Utrecht Holdings aanvoeren, maakt dat ook niet anders.
4.60 Met vordering 1.10 (d) vragen [appellant] c.s. verder naar correspondentie, notities en notulen (inclusief bijlagen bij deze stukken) uit de periode van 1 april 2021 tot 30 juni 2021 met betrekking tot de positie en functie van [appellant] , afkomstig van of gericht aan leden van de RvC, leden van het College van Bestuur van de UU, leden van de Raad van Bestuur van het UMCU en leden van het bestuur van Utrecht Holdings. Het gaat hierbij om de periode rondom het terugtreden van [appellant] als bestuurder van Utrecht Holdings. [appellant] c.s. hebben echter niet toegelicht wat de relevantie van deze stukken is. Voor zover zij doelen op de kwestie met de heer [naam15] , geldt wat daarover is overwogen in rov. 4.48 en 4.49. Gelet daarop is niet gebleken dat [appellant] c.s. een rechtmatig belang hebben bij inzage in deze stukken. Bovendien is de omschrijving dermate ruim dat ook geen sprake is van voldoende bepaalde bescheiden waarvan inzage wordt gevraagd.
4.61 Vordering 1.10 (e) ziet tot slot op correspondentie en notulen van vergaderingen en in verband daarmee gewisselde bescheiden verband houdende met de op 25 mei 2021 gehouden vergadering met als deelnemers [naam17] , [naam18] , [naam1] , [naam14] , [appellant] , het bestuur van de UU en het bestuur van UMCU. [appellant] c.s. hebben in de inleidende dagvaarding gesteld dat [appellant] na de kwestie [naam15] zijn functie als bestuurder van UMCUH heeft neergelegd en dat Utrecht Holdings vervolgens in een op 25 mei 2021 gehouden gezamenlijke aandeelhoudersvergadering hebben besloten dat hij zijn functie niet alleen bij UMCUH maar ook bij UUH diende neer te leggen. Een verdere toelichting op hun vordering om inzage te krijgen in stukken die met die vergadering verband houden hebben zij echter niet gegeven. Gelet daarop is niet gebleken dat [appellant] c.s. een rechtmatig belang hebben bij inzage in de bedoelde stukken. Bovendien is ook hierbij niet voldaan aan het vereiste dat het om bepaalde – bestaande – bescheiden moet gaan.
Vorderingen ten aanzien van UU
2.1. Inzake Nodens
4.62 Vordering 2.1 (a) is gericht op alle bescheiden houdende correspondentie en documentatie uit de periode 1 januari 2006 tot en met 31 maart 2006 met betrekking tot Nodens en Hereswint waaronder op de e-mail servers van de UU de e-mails van [mailadres1] , [mailadres2] , [mailadres3] , [mailadres4] , [mailadres5] en [mailadres6] . Het hof begrijpt dat deze vordering verband houdt met de stelling van [appellant] c.s. dat [appellant] en [naam4] hun betrokkenheid bij Hereswint niet hebben verhuld. Zij wijzen er daarbij op dat [naam4] tegenover Deloitte heeft aangegeven dat hij met [naam19] heeft gesproken over de privé-investering en dat in de notulen van 22 februari 2006 is vermeld dat de RvC instemde met de nieuwe investeerder. Zij voeren verder aan dat de e-mailcorrespondentie in die tijd – ook met betrekking tot de oprichting van Hereswint en de investering van Hereswint in Nodens – verliep via de werk e-mailadressen van [appellant] en [naam4] (via de UU e-mailserver). Daarmee hebben zij echter nog niet genoegzaam toegelicht dat zij een rechtmatig belang hebben bij inzage in alle mogelijke stukken uit de genoemde periode over de twee genoemde onderwerpen. Van voldoende bepaalde bescheiden is daarbij, gelet op de ruime omschrijving en het verder niet toegelichte tijdvak van enkele maanden, ook geen sprake.
4.63 Vordering 2.1 (b) ziet op alle bescheiden houdende correspondentie en documentatie uit de periode 1 mei 2009 t/m 29 juni 2009 met betrekking tot de benoeming van [appellant] als bestuurder van UUH, UMCUH/Stichting Incubator, waaronder maar niet beperkt tot correspondentie tussen de RvC-leden [naam3] , [naam5] (tevens rector magnificus en CvB lid van de UU), [naam6] (tevens voorzitter RvB van het UMC Utrecht) en [naam7] (voorzitter College van Bestuur van de UU). Deze vordering komt overeen met vordering 1.1 (a) ten aanzien van Utrecht Holdings. Wat in rov. 4.12 over die vordering is overwogen, is van overeenkomstige toepassing op de vordering ten aanzien van UU.
4.64 Vordering 2.1 (c) betreft alle bescheiden houdende correspondentie en documentatie tussen [naam5] en [appellant] met betrekking tot Nodens, Hereswint, Buys Ballotfonds en de benoeming van [appellant] in de periode oktober 2009 tot en met februari 2010. Hiervoor geldt hetzelfde als is overwogen ten aanzien van vordering 2.1 (a). Gelet op de ruime en weinig specifieke omschrijving en het verder niet toegelichte tijdvak van een aantal maanden is geen sprake van voldoende bepaalde bescheiden waarvan inzage wordt gevraagd.
4.65 Vordering 2.1 (d) is gericht op alle bescheiden houdende correspondentie en documentatie tussen de RvC-leden en aantekeningen en notulen van RvC-vergaderingen in de periode oktober 2010 tot en met 8 februari 2011 over de verwerving op 8 februari 2011 door Utrecht Holdings van alle aandelen die [naam9] hield in Nodens, alsmede die over de stand van zaken bij Bioceros. Deze vordering komt grotendeels overeen met vordering 1.1 (d) ten aanzien van Utrecht Holdings. Wat in rov. 4.15 over die vordering is overwogen, is van overeenkomstige toepassing op de vordering ten aanzien van UU (ook waar het de stand van zaken bij Bioceros betreft die bij vordering 1.1 (d) niet wordt genoemd).
4.66 Vordering 2.1 (e) heeft betrekking op alle brieven, notities en e-mails uitgewisseld tussen de RvC-leden over de e-mail van 30 september 2015 inzake Nodens. Deze vordering komt overeen met vordering 1.1 (f) ten aanzien van Utrecht Holdings. Wat in rov. 4.17 over die vordering is overwogen, is van overeenkomstige toepassing op de vordering ten aanzien van UU. Dat bij vordering 1.1 (f) wordt gevraagd naar ‘alle communicatie’ en bij vordering 2.1 (e) naar ‘alle brieven, notities en e-mails’ maakt daarbij geen verschil.
4.67 Vordering 2.1 (f) ziet op alle Bescheiden betreffende het periodiek overleg dat heeft plaatsgevonden op 5 oktober 2015 tussen [naam1] , [naam10] , [naam11] , [appellant] , [naam12] . Deze vordering komt overeen met vordering 1.1 (g) ten aanzien van Utrecht Holdings. Wat in rov. 4.17 over die vordering is overwogen, is van overeenkomstige toepassing op de vordering ten aanzien van UU. Dat bij vordering 1.1 (g) wordt gevraagd naar ‘alle notities’ en bij vordering 2.1 (f) naar ‘alle bescheiden’ maakt daarbij geen verschil.
2.2. Inzake Divers
4.68 Vordering 2.2 (a) betreft de verzekeringspolis voor de aansprakelijkheid van UU inclusief de aansprakelijkheid voor fouten die zijn gemaakt of handelen of nalaten door haar werknemers en de correspondentie tussen UU en haar verzekeraar over de aansprakelijkstellingen van [appellant] c.s. door Utrecht Holdings en UU. [appellant] c.s. hebben deze vordering aldus toegelicht dat het een verplichting is van UU om openheid te geven hoe de risico’s op aansprakelijkheid voor fouten van haar werknemers of functionarissen zijn gedekt en dat ook moet kunnen worden onderzocht of aan [appellant] in de polissen een eigen recht wordt verleend. Daarmee is echter nog niet duidelijk dat [appellant] c.s. een spoedeisend belang hebben bij deze inzagevordering. Ook is onvoldoende duidelijk welk rechtmatig belang dit voor [appellant] c.s. in het geschil met Utrecht Holdings en/of UU oplevert.
2.4. Inzake de meldingen en onderzoeken en de aansprakelijkstellingen van derden
4.69 Vordering 2.4 (b) ziet op alle bescheiden houdende correspondentie tussen Deloitte en aan haar gelieerde ondernemingen enerzijds en UU/UUH/UMCUH anderzijds, inclusief bijlagen, met betrekking tot de totstandkoming en uitvoering van de opdracht aan Deloitte in 2021 tot het uitvoeren van een onderzoek. Deze vordering komt overeen met vordering 1.8 (a) ten aanzien van Utrecht Holdings (alleen ontbreekt de aanduiding van een periode). Wat in rov. 4.46 over die vordering is overwogen, is van overeenkomstige toepassing op de vordering ten aanzien van UU.
4.70 Vordering 2.4 (c) is gericht op alle bescheiden met betrekking tot de besluitvorming van Utrecht Holdings, UU en UMCU om in 2021 een onderzoek uit te laten voeren met betrekking tot mogelijke onregelmatigheden binnen Utrecht Holdings. Vordering 2.4 (d) betreft alle bescheiden met betrekking tot de besluitvorming van Utrecht Holdings, UU en UMCU in 2022-2024 om tot aansprakelijkstelling en procedures tegen [appellant] c.s. en [naam4] over te gaan, waaronder de communicatie tussen Utrecht Holdings en de RvC en betrokkenen van de UU. Deze vorderingen komen overeen met vorderingen 1.8 (e) en (f) ten aanzien van Utrecht Holdings (alleen is de periode bij vordering 2.4 (d) nog ruimer dan bij vordering 1.8 (f): ‘2022-2024’ in plaats van ‘2023’). Wat in rov. 4.48 en 4.49 over deze vorderingen is overwogen, is van overeenkomstige toepassing op de vorderingen ten aanzien van UU.
2.5. Divers
4.71 Vordering 2.5 (a) betreft alle bescheiden houdende correspondentie, notities en notulen inclusief bijlagen bij deze stukken uit de periode 1 april 2021- 30 juni 2021 met betrekking tot het overleg van de RvC over de positie en functie van [appellant] , zowel binnen de RvC als van de RvC met het bestuur van de UU en het UMCU en Utrecht Holdings. Deze vordering komt overeen met vordering 1.10 (d) ten aanzien van Utrecht Holdings. Wat in rov. 4.60 over die vordering is overwogen, is van overeenkomstige toepassing op de vordering ten aanzien van UU.
4.72 Vordering 2.5 (b) ziet op alle bescheiden houdende correspondentie en notulen van vergaderingen en in verband daarmee gewisselde bescheiden verband houdende met de op 25 mei 2021 gehouden vergadering met als deelnemers [naam17] , [naam18] , [naam1] , [naam14] , [appellant] , het bestuur van de UU en het bestuur van UMCU. Deze vordering komt overeen met vordering 1.10 (e) ten aanzien van Utrecht Holdings. Wat in rov. 4.61 over die vordering is overwogen, is van overeenkomstige toepassing op de vordering ten aanzien van UU.
Vorderingen ten aanzien van UMCU
3.1. Inzake Nodens
4.73 Vordering 3.1 (a) betreft alle bescheiden houdende correspondentie en documentatie uit de periode 1 juni 2009 t/m 29 juni 2009 met betrekking tot de benoeming van [appellant] als bestuurder van UUH, UMCUH/Stichting Incubator, waaronder maar niet beperkt tot correspondentie tussen een of meer van de volgende personen: de RvC-leden [naam3] , [naam5] , [naam6] en [naam7] (voorzitter College van Bestuur van de UU). Deze vordering komt overeen met vordering 1.1 (a) ten aanzien van Utrecht Holdings. Wat in rov. 4.12 over die vordering is overwogen, is van overeenkomstige toepassing op de vordering ten aanzien van UMCU.
3.2. Inzake GenDx
4.74 Vordering 3.2 (a) is gericht op alle bescheiden die betrekking hebben op het overleg van 22 augustus 2017 tussen [appellant] en [naam2] , RvC-lid van Utrecht Holdings en [naam14] , Raad van Bestuur-lid van UMCU (in welk overleg als doel werd aangegeven een positief resultaat voor 2017 en dat te bewerkstelligen door een exit van Utrecht Holdings uit GenDx). Deze vordering komt overeen met vordering 1.2 (a) ten aanzien van Utrecht Holdings. Wat in rov. 4.26 over die vordering is overwogen, is van overeenkomstige toepassing op de vordering ten aanzien van UMCU.
4.75 Vordering 3.2 (b) ziet op alle bescheiden betreffende het overleg dat [appellant] op 8 december 2017 met de heer [naam2] heeft gehad en van het overleg dat de heer [naam2] met de aandeelhouder UMCU heeft gehad over de exit van UMCUH uit GenDx. Volgens [appellant] c.s. heeft [appellant] op de genoemde datum de exit meer in detail met RvC-lid [naam2] besproken, heeft [naam2] toen bevestigd dat hij met de Raad van Bestuur van het UMCU in overleg was getreden en dat ook zij met de verkoop van GenDx akkoord ging, vond [naam2] de context voor een exit en de timing goed en was de prijs ook akkoord. [appellant] heeft daarna een schriftelijk aandeelhoudersbesluit opgesteld en aan [naam2] en [naam14] gestuurd, waarna [naam2] de exit ook formeel met de Raad van Bestuur van het UMCU heeft besproken. Wat de beraadslagingen tijdens dat overleg zijn geweest en hoe de besluitvorming door de Raad van Bestuur tot stand is gekomen, weet [appellant] verder niet. Welk rechtmatig belang [appellant] c.s. hebben bij de gevraagde informatie is daarmee echter nog niet duidelijk. Bovendien is niet toegelicht welke stukken hierover zouden moeten bestaan. Van voldoende bepaalde bescheiden is hierbij daarom ook geen sprake.
4.76 Vordering 3.2 (c) heeft betrekking op alle bescheiden houdende interne correspondentie en documentatie waaronder notulen van Raad van Bestuur-vergaderingen met betrekking tot de verkoop van het aandelenbelang in GenDx in de periode 2017-2023 ; dit inclusief maar niet beperkt tot correspondentie tussen [naam2] en [naam14] in de periode augustus 2017 tot december 2018 en de toetsen door de afdeling Juridische Zaken en de afdeling Financiën. Ook hierbij hebben [appellant] c.s. onvoldoende toegelicht welk direct en concreet belang zij hebben bij inzage in al deze informatie. Bovendien is gelet op de ruime en weinig specifieke omschrijving en de lange periode waarover inzage wordt gevraagd niet voldaan aan het vereiste dat het moet gaan om voldoende bepaalde bescheiden. Wat betreft de toetsen van de afdelingen Juridische zaken en Financiën is, gelet op de betwisting door het UMCU, ook niet aannemelijk gemaakt dat deze (en stukken daarover) bestaan.
3.3. Inzake de meldingen en onderzoeken en aansprakelijkstellingen van derden
4.77 Vordering 3.3 (b) is gericht op alle bescheiden met betrekking tot de besluitvorming van Utrecht Holdings, UU en UMCU om in 2021 een onderzoek uit te laten voeren met betrekking tot mogelijke onregelmatigheden binnen Utrecht Holdings. Vordering 3.3 (c) betreft alle bescheiden met betrekking tot de besluitvorming van Utrecht Holdings, UU en UMCU in 2023 om tot aansprakelijkstelling en procedures tegen [appellant] c.s. en [naam4] over te gaan, waaronder de communicatie tussen Utrecht Holdings en de RvC en betrokkenen van de UU. Deze vorderingen komen overeen met vorderingen 1.8 (e) en (f) ten aanzien van Utrecht Holdings. Wat in rov. 4.48 en 4.49 over deze vorderingen is overwogen, is van overeenkomstige toepassing op de vorderingen ten aanzien van UMCU.
3.4. Divers
4.78 Vordering 3.4 (a) betreft alle bescheiden houdende correspondentie, notities en notulen (inclusief bijlagen bij deze stukken) uit de periode 1 april 2021 - 30 juni 2021 met betrekking tot het overleg van de RvC over de positie en functie van [appellant] , zowel binnen de RvC als van de RvC met het bestuur van de UU en het UMCU en Utrecht Holdings. Deze vordering komt overeen met vordering 1.10 (d) ten aanzien van Utrecht Holdings. Wat in rov. 4.60 over die vordering is overwogen, is van overeenkomstige toepassing op de vordering ten aanzien van UMCU.
4.79 Vordering 3.4 (b) ziet op alle bescheiden houdende correspondentie en notulen van vergaderingen en in verband daarmee gewisselde bescheiden verband houdende met de op 25 mei 2021 gehouden vergadering met als deelnemers [naam17] , [naam18] , [naam1] , [naam14] , [appellant] , het bestuur van de UU en het bestuur van UMCU. Deze vordering komt overeen met vordering 1.10 (e) ten aanzien van Utrecht Holdings. Wat in rov. 4.61 over die vordering is overwogen, is van overeenkomstige toepassing op de vordering ten aanzien van UMCU.
De conclusie
4.80 Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de inzagevorderingen van [appellant] c.s. niet toewijsbaar zijn. Het hoger beroep slaagt dus niet. Wat partijen hierover verder nog hebben aangevoerd, behoeft geen bespreking meer omdat dit niet kan leiden tot een ander resultaat.
4.81 Omdat [appellant] c.s. in het ongelijk worden gesteld, zal het hof hen veroordelen tot betaling van de proceskosten in hoger beroep. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak en de wettelijke rente daarover. De rente is verschuldigd vanaf veertien dagen na die betekening. [6]
4.82 De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).
5. De beslissing
Het hof:
5.1 bekrachtigt het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht van 10 juli 2024;
5.2 veroordeelt [appellant] c.s. tot betaling van de volgende proceskosten van Utrecht Holdings:
€ 798 aan griffierecht
€ 2.580 aan salaris van de advocaat van Utrecht Holdings (2 procespunten x appeltarief II);
5.3 veroordeelt [appellant] c.s. tot betaling van de volgende proceskosten van UU:
€ 798 aan griffierecht
€ 2.580 aan salaris van de advocaat van Utrecht Holdings (2 procespunten x appeltarief II);
5.4 veroordeelt [appellant] c.s. tot betaling van de volgende proceskosten van UMCU:
€ 798 aan griffierecht
€ 2.580 aan salaris van de advocaat van Utrecht Holdings (2 procespunten x appeltarief II);
5.5 bepaalt dat al deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag. Als niet op tijd wordt betaald, dan worden die kosten verhoogd met de wettelijke rente;
5.6 verklaart de proceskostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
5.7 wijst af wat verder is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. H.L. Wattel, C.M.E. Lagarde en N.M. Brouwer, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 24 maart 2026.
Bijlage bij het arrest van 24 maart 2026
PETITUM VAN [appellant] C.S.
dat het uw hof behage om, bij arrest uitvoerbaar bij voorraad, het vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Midden-Nederland gewezen op 10 juli 2024 met rol/zaaknummer C/1 6/572687 KG ZA 24-162 op de in de Memorie van Grieven vermelde gronden voorzover gewezen jegens geïntimeerden te vernietigen, en opnieuw rechtdoende:
geïntimeerden te veroordelen:
(A) om binnen een door uw Hof in goede justitie te bepalen termijn na betekening van het in dezen te wijzen arrest aan [appellant] en Uniper primairafschrift te verstrekken van- en subsidiairinzage te verlenen in de hierna na hun naam genoemde bescheiden, waarbij onder bescheiden (‘ Bescheiden’) het volgende dient te worden verstaan:
brieven, faxberichten, e-mails, Teams-berichten, agenda-uitnodigingen, Teams-uitnodigingen, Zoom-uitnodigingen, documenten, notulen, telefoonnotities, aantekeningen, Excel-bestanden, memoranda en tekstbestanden, in papieren vorm of digitaal aanwezig op een desktop of laptop of op een centrale data schijf van de geïntimeerde aanwezig of opgeslagen of in de Cloud aanwezig of opgeslagen waaronder in het Effacts-systeem,
met dien verstande dat de digitale bescheiden aanwezig op harde schijven van computers zijn beperkt tot die van een desktop of laptop of l-pad die in gebruik is (geweest) bij één of meer RvC-leden en één of meer Bestuursleden en één of meer medewerkers van Utrecht Holdings, en de e-mails, Teams- berichten, agenda-uitnodigingen, Teams-uitnodigingen, Zoomuitnodigingen zijn beperkt tot de emailaccounts die op hun naam staan of hebben gestaan;
sms-berichten, WhatsApp-berichten en Signal-berichten waartoe toegang kan worden verkregen via de door één van de geïntimeerden aan RvC-leden en/of Bestuursleden beschikbaar gestelde mobiele telefoons
met uitzondering van Bescheiden gericht aan of afkomstig van één of meer van de advocaten van geïntimeerden of andere in artikel 843a lid 3 Rv bedoelde personen;
1.TEN AANZIEN VAN UTRECHT HOLDINGS
1.1.
inzake Nodens
( a) alle digitale en papieren bestanden of correspondentie waarbij tenminste één van de volgende personen betrokken is: [naam3] , [naam5] , [naam6] of de toenmalig voorzitter van het College van Bestuur van de UU ( [naam7] ) uit de periode 1 mei 2009 t/m 29 juni 2009 m.b.t. de benoeming van [appellant] als bestuurder van UUH, UMCUH, Stichting Incubator;
( b) alle Bescheiden uit de periode 1 januari 2008 tot en met april 2010 die betrekking hebben op het uitstappen van UUH uit Nodens en/of Bioceros en de keuze om de aandelen van Buys Ballotfonds in Nodens niet over te nemen;
( c) de waardebepaling gemaakt in de 1e week van januari 2010 van de door Buys Ballotfonds gehouden aandelen Nodens BV welke is opgeslagen in het papieren archief van UHS, in de archiefdoos met markering “Bioceros/Nodens - 2014/2015";
( d) alle communicatie tussen de RvC-leden en aantekeningen, bijlagen en notulen van RvC-vergaderingen uit de periode 1 november 2010 tot en met 8 februari 2011 over de verwerving op 8 februari 2011 door Utrecht Holdings van alle aandelen die [naam9] hield in Nodens;
( e) de waardebepaling gemaakt 1 december 2010 van de door [naam9] gehouden aandelen Nodens BV en t.b.v. de beoogde package deal welke is opgeslagen in het papieren archief van UHS in de archiefdoos met markering “Bioceros/Nodens - 2014/2015”;
( f) alle communicatie tussen de RvC-leden over de e-mail van 30 september 2015 van [appellant] aan de RvC-leden inzake Nodens;
( g) alle notities die zijn gemaakt van het periodiek overleg dat heeft plaatsgevonden op 5 oktober 2015 tussen [naam1] , [naam10] , [naam11] , [appellant] en [naam12] ;
( h) alle Bescheiden terzake de besluitvorming in 2014 om [appellant] /Uniper UUH te laten opvolgen als bestuurder van Nodens;
( i) de in het archief van Utrecht Holdings opgeslagen kopieën van akten waarbij Nodens en/of Hereswint partij zijn (archiefdoos met markering ‘Bioceros/Nodens 2014/2015’);
( j) de akte van aandelenoverdracht van Hereswint Investments BV van 23 februari 2006 inclusief de bijlagen welke is opgeslagen in het papieren archief van UHS, in de archiefdoos met markering “Bioceros/Nodens 2014/2015”;
( k) alle Bescheiden houdende documentatie en correspondentie van Utrecht Holdings uit de periode 2008-2010 die betrekking heeft op de eventuele exit van UUH uit Nodens, Bioceros en BBF;
( l) alle Bescheiden inzake Hereswint uitgewisseld op RvC niveau;
1.2.
inzake GenDx
( a) alle Bescheiden die betrekking hebben op het overleg van 22 augustus 2017 tussen [appellant] en [naam2] , RvC-lid van Utrecht Holdings en [naam14] , Raad van Bestuur-lid van UMCU (in welk overleg als doel werd aangegeven een positief resultaat voor 2017 en dat te bewerkstelligen door een exit van Utrecht Holdings uit GenDx);
( b) een kopie van de brief met het voorstel van [naam13] van 21 november 2017 zoals deze is opgeslagen in het papieren archief van Utrecht Holdings, een rode ordner met op de rug Genome Diagnostics BV;
( e) alle Bescheiden uit de periode 1 januari 2017 tot en met 31 december 2017 betreffende GenDx;
( h) alle Bescheiden betrekking hebbende op de RvC-vergadering van 11 september 2015;
1.3.
inzake Gadeta Founders
( a) alle papieren documenten en alle papieren correspondentie en alle emailcorrespondentie met bijlagen van [naam3] aan de overige RvC leden over Gadeta en Elevate Health met betrekking tot zijn overleg met [appellant] op 15 september 2017, een overleg voorafgaand aan de RvC vergadering van die dag;
( b) alle notities, notulen en e-mails van de RvC en de afzonderlijke RvC-leden van Utrecht Holdings aan elkaar of aan de aandeelhouders van Utrecht Holdings of derden over de transactie in maart/april 2018 waarbij Utrecht Holdings aandelen Gadeta Founders en leningen hebben overgedragen aan andere aandeelhouders;
1.4.
inzake TigaTx Founders
(a) alle papieren documenten en alle papieren correspondentie en alle emailcorrespondentie met bijlagen van 1 juni 2022 tot en met 31 december 2024 betrekking hebbend op de aandelenruil tussen TigaTx Founders en Cellpoint en het door TigaTx Founders uitgekeerde dividend aan haar aandeelhouders waaronder UUH en UMCUH;
1.5.
inzake Simibio
( a) alle bescheiden met betrekking tot de impairment analyses van deelnemingen en leningen van Utrecht Holdings van december 2016 t/m maart 2017;
( b) de definitief vastgestelde notulen van de RvC vergaderingen over de periode 1 januari 2017 tot en met 14 september 2017;
( c) de kwartaalrapportages en lening overzichten die aan de RvC zijn verstrekt in de periode 2014-2017 en waarin één of meer van de leningen verstrekt aan Simibio voorkomen;
( e) de bankafschriften van UUH van 1 oktober 2011 tot en met 31 januari 2012 (ter controle van aflossing van de aan Simibio op 19 oktober 2011 verstrekte leningen ad € 60.000);
1.6.
inzake Ambracia c.s.
( a) de overwegingen en besluitvorming door Utrecht Holdings (vertegenwoordigd in deze door dhr. [naam11] ) van op of rond 2 april 2016 en van op of rond 13 mei 2016 om te participeren in Ambracia;
( b) de overwegingen, waardebepaling en besluitvorming door Utrecht Holdings (vertegenwoordigd in deze door dhr. [naam11] ) van op of rond 6 december 2016 en van op of rond 16 december 2016 om de aandelenbelangen in Ambracia, Cluster40 Therapeutics B.V., Cluster152 Therapeutics B.V., Cluster270 Therapeutics B.V. en Cluster279 Therapeutics B.V te verkopen;
1.7.
Inzake Laurentia Holding BV
( b) de “to do list” waar Utrecht Holdings over aangeeft te beschikken en waarop vermeld
zou staan “indekken Laurentia”;
( c) Alle bescheiden houdende correspondentie en documentatie uit de periode 1 juni 2021 tot en met 1 september 2022 met betrekking tot de overwegingen, de prijsbepaling en de besluitvorming door het bestuur, de RvC en de aandeelhouder van UUH inzake de verkoop van de aandelen van UUH in Laurentia Holding BV;
1.8.
inzake de meldingen en onderzoeken en aansprakelijkheidstellingen van derden
( a) alle Bescheiden ontvangen en/of (op)gemaakt c.q. bewerkt vanaf 1 januari 2023 tot met 1 april 2024 houdende tussen Deloitte en aan haar gelieerde ondernemingen enerzijds en anderzijds UU en/of Utrecht Holdings en/of UMCUH gevoerde correspondentie inclusief bijlagen, waaronder de correspondentie en documentatie met betrekking tot de totstandkoming en uitvoering van de opdracht aan Deloitte in 2021 tot het uitvoeren van een onderzoek;
( b) alle Bescheiden houdende niet-openbare informatie waarop het door Deloitte opgestelde rapport van 23 november 2022 over het zogenaamde ‘Project Beetle’ is gebaseerd;
( c) alle correspondentie met en/of interviewverslagen van Deloitte met:
i. mevrouw [naam17] ;
ii. mevrouw [naam20] ;
iii. mevrouw [naam21] ;
iv. de heer [naam22] ;
v. de heer [naam13] ;
vi. de heer [naam23] ;
vii. de heer [naam18] ;
viii. de heer [naam3] ;
ix. de heer [naam1] ;
x. de heer [naam2] ;
xi. de heer [naam11] ;
xii. de heer [naam4] ;
xiii. de heer [naam24] ;
xiv. de heer [naam25] ;
xv. de heer [naam19] ;
en alle documenten in verband met het voorgaande;
( e) alle Bescheiden met betrekking tot de besluitvorming van de RvC en/of Utrecht Holdings en/of UU en/of UMCU om in 2021 een onderzoek uit te laten voeren met betrekking tot mogelijke onregelmatigheden binnen Utrecht Holdings;
( f) alle Bescheiden met betrekking tot de besluitvorming van de RvC en/of Utrecht Holdings en/of UU en/of UMCU in 2023 om tot aansprakelijkstelling van [appellant] en Uniper over te gaan en over te gaan tot het procederen tegen [appellant] , Uniper en/of [naam4] , waaronder de communicatie tussen Utrecht Holdings en de RvC en betrokkenen van de UU;
( g) alle Bescheiden met betrekking tot de besluitvorming van de RvC en/of het Bestuur van Utrecht Holdings waarbij en op basis waarvan is besloten en/of toestemming is verleend om inzake de kwestie GenDx een vordering tegen GenDx of Eurobio in te stellen, althans te onderzoeken;
( h) alle communicatie die er vanaf 1 januari 2023 tot en met de dag van vonniswijzen is geweest tussen het Bestuur- en/of de RvC Utrecht Holdings of hun afzonderlijke leden en [naam16] ;
( i) alle communicatie tussen het Bestuur van Utrecht Holdings en [naam9] van na 7 juli 2023 met betrekking tot Nodens, Gadeta, Gadeta Founders, TigaTx, TigaTx Founders, Cellpoint, Nyima en de leningen van [appellant] aan [naam9] ;
1.10.
Divers
( a) alle Bescheiden betreffende de besluitvorming over de opruiming en vernietiging van een deel van het archief van Utrecht Holdings in april 2022;
( b) alle Bescheiden waaruit blijkt welke documenten zijn vernietigd of zijn geselecteerd voor vernietiging in april 2022;
( c) alle Bescheiden waaruit blijkt welke documenten zijn vernietigd of zijn geselecteerd voor vernietiging in april 2022 met betrekking tot Buys Ballotfonds, Nodens, Hereswint Investments, Bioceros, Pangenetics, Sea Otter Investments, Ambracia c.s., en Simibio;
( d) correspondentie, notities en notulen inclusief bijlagen bij deze stukken, uit de periode 1 april-30 juni 2021 met betrekking tot de positie en functie van [appellant] , afkomstig van- of gericht aan leden van de RvC, leden van het College van Bestuur van de UU, leden van de Raad van Bestuur van het UMCU en leden van het bestuur van Utrecht Holdings;
( e) correspondentie en notulen van vergaderingen en in verband daarmee gewisselde Bescheiden verband houdende met de op 25 mei 2021 gehouden vergadering met als deelnemers [naam17] , [naam18] , [naam1] , [naam14] , [appellant] , het bestuur van de UU en het bestuur van UMCU;
2.TEN AANZIEN VAN UNIVERSITEIT UTRECHT
2.1.
Inzake Nodens
( a) alle bescheiden houdende correspondentie en documentatie uit de periode 1 januari 2006 t/m 31 maart 2006 m.b.t. Nodens en Hereswint Investments BV waaronder op de e-mail servers van de UU de e-mails van [mailadres1] , [mailadres2] , [mailadres3] , [mailadres4] , [mailadres5] en [mailadres6] ;
( b) alle Bescheiden houdende correspondentie en documentatie uit de periode 1 mei 2009 t/m 29 juni 2009 m.b.t. de benoeming van [appellant] als bestuurder van UUH, UMCUH/Stichting Incubator, waaronder maar niet beperkt tot correspondentie tussen de RvC-leden [naam3] , [naam5] (tevens rector magnificus en CvB lid van de UU), [naam6] (tevens voorzitter RvB van het UMC Utrecht) en [naam7] (voorzitter College van Bestuur van de UU);
( c) alle Bescheiden houdende correspondentie en documentatie tussen [naam5] en [appellant] met betrekking tot Nodens, Hereswint, Buys Ballotfonds en de benoeming van [appellant] in de periode oktober 2009 tot en met februari 2010;
( d) alle Bescheiden houdende correspondentie en documentatie tussen de RvC-leden en aantekeningen en notulen van RvC-vergaderingen in de periode oktober 2010 tot en met 8 februari 2011 over de verwerving op 8 februari 2011 door Utrecht Holdings van alle aandelen die [naam9] hield in Nodens, alsmede die over de stand van zaken bij Bioceros;
( e) alle brieven, notities en e-mails uitgewisseld tussen de RvC-leden over de e-mail van 30 september 2015 inzake Nodens;
( f) alle Bescheiden betreffende het periodiek overleg dat heeft plaatsgevonden op 5 oktober 2015 tussen [naam1] , [naam10] , [naam11] , [appellant] , [naam12] ;
2.2.
Inzake Divers
(a) de verzekeringspolis voor de aansprakelijkheid van UU inclusief de aansprakelijkheid voor fouten die zijn gemaakt of handelen of nalaten door haar werknemers en de correspondentie tussen UU en haar verzekeraar over de aansprakelijkstellingen van [appellant] en Uniper door Utrecht Holdings en UU;
2.4.
Inzake de meldingen en onderzoeken en de aansprakelijkstellingen van derden
( b) alle Bescheiden houdende correspondentie tussen Deloitte en aan haar gelieerde ondernemingen enerzijds en anderzijds UU en/of UUH en/of UMCUH, inclusief bijlagen, met betrekking tot de totstandkoming en uitvoering van de opdracht aan Deloitte in 2021 tot het uitvoeren van een onderzoek;
( c) alle Bescheiden met betrekking tot de besluitvorming van Utrecht Holdings, UU en UMCU om in 2021 een onderzoek uit te laten voeren met betrekking tot mogelijke onregelmatigheden binnen Utrecht Holdings;
( d) alle Bescheiden met betrekking tot de besluitvorming van Utrecht Holdings, UU en UMCU in 2022-2024 om tot aansprakelijkstelling van [appellant] en Uniper over te gaan en over te gaan tot het procederen tegen [appellant] , Uniper en [naam4] , waaronder de communicatie tussen Utrecht Holdings en de RvC en betrokkenen van de UU;
2.5.
Divers
( a) alle Bescheiden houdende correspondentie, notities en notulen inclusief bijlagen bij deze stukken uit de periode 1 april 2021 - 30 juni 2021 met betrekking tot het overleg van de RvC over de positie en functie van [appellant] , zowel binnen de RvC als van de RvC met het bestuur van de UU en het UMCU en Utrecht Holdings;
( b) alle Bescheiden houdende correspondentie en notulen van vergaderingen en in verband daarmee gewisselde Bescheiden verband houdende met de op 25 mei 2021 gehouden vergadering met als deelnemers [naam17] , [naam18] , [naam1] , [naam14] , [appellant] , het bestuur van de UU en het bestuur van UMCU;
3.TEN AANZIEN VAN UNIVERSITAIR MEDISCH CENTRUM UTRECHT
3.1.
Nodens
(a) alle Bescheiden houdende correspondentie en documentatie uit de periode 1 juni 2009 t/m 29 juni 2009 m.b.t. de benoeming van [appellant] als bestuurder van UUH, UMCUH/Stichting Incubator, waaronder maar niet beperkt tot correspondentie tussen een of meer van de volgende personen: de RvC-leden [naam3] , [naam5] , [naam6] en [naam7] (voorzitter College van Bestuur van de UU);
3.2.
Inzake GenDx
( a) alle Bescheiden die betrekking hebben op het overleg van 22 augustus 2017 tussen [appellant] en [naam2] , RvC-lid van Utrecht Holdings en [naam14] , Raad van Bestuur-lid van UMCU (in welk overleg als doel werd aangegeven een positief resultaat voor 2017 en dat te bewerkstelligen door een exit van Utrecht Holdings uit GenDx);
( b) alle Bescheiden betreffende het overleg dat [appellant] op 8 december 2017 met de heer [naam2] heeft gehad en van het overleg dat de heer [naam2] met de aandeelhouder UMCU heeft gehad over de exit van UMCUH uit GenDx;
( c) alle Bescheiden houdende interne correspondentie en documentatie waaronder notulen van Raad van Bestuur vergaderingen m.b.t. de verkoop van het aandelenbelang Genome Diagnostics/GenDx in de periode 2017-2023. Dit inclusief maar niet beperkt tot correspondentie tussen [naam2] en [naam14] in de periode augustus 2017 tot december 2018 en de toetsen door de afdeling Juridische Zaken en de afdeling Financiën;
3.3.
Inzake de meldingen en onderzoeken en aansprakelijkstellingen van derden
( b) alle Bescheiden met betrekking tot de besluitvorming van Utrecht Holdings, UU en UMCU om in 2021 een onderzoek uit te laten voeren met betrekking tot mogelijke onregelmatigheden binnen Utrecht Holdings;
( c) alle Bescheiden met betrekking tot de besluitvorming van Utrecht Holdings, UU en UMCU in 2023 om tot aansprakelijkstelling van [appellant] en Uniper over te gaan en over te gaan tot het procederen tegen [appellant] , Uniper en [naam4] , waaronder de communicatie tussen Utrecht Holdings en de RvC en betrokkenen van de UU;
3.4
Divers
( a) alle Bescheiden houdende correspondentie, notities en notulen inclusief bijlagen bij deze stukken uit de periode 1 april 2021 - 30 juni 2021 met betrekking tot het overleg van de RvC over de positie en functie van [appellant] , zowel binnen de RvC als van de RvC met het bestuur van de UU en het UMCU en Utrecht Holdings;
( b) alle Bescheiden houdende correspondentie en notulen van vergaderingen en in verband daarmee gewisselde Bescheiden verband houdende met de op 25 mei 2021 gehouden vergadering met als deelnemers [naam17] , [naam18] , [naam1] , [naam14] , [appellant] , het bestuur van de UU en het bestuur van UMCU;
zowel primair als subsidiair en ten aanzien van alle gedaagden:
(B) tot betaling van een dwangsom van € 2.500, althans een door het Hof te bepalen dwangsom, voor elke dag of deel daarvan dat de betreffende geïntimeerde niet voldoet aan het van deze geïntimeerde gevorderde, voor zover dat bij arrest is toegewezen, nadat het arrest aan de betreffende geïntimeerde is betekend en deze geïntimeerde het ten aanzien van hem gewezen arrest niet volledig nakomt binnen de door het hof in goede justitie te stellen termijn;
(C) in de kosten van dit geding, een en ander te voldoen binnen 14 dagen na dagtekening van het arrest.