ECLI:NL:GHARL:2026:169

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
13 januari 2026
Publicatiedatum
13 januari 2026
Zaaknummer
200.345.466
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Tussenuitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 96 lid 1 RvArt. 150 RvArt. 151 RvArt. 157 lid 2 RvArt. 159 lid 2 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling eigendom en schenking aandelen in familiebedrijf na overlijden ouders

De zaak betreft een geschil tussen broers en zussen over de eigendom van aandelen in een bv die deel uitmaken van de nalatenschappen van hun ouders, die in 2022 zijn overleden. De appellant stelt dat vader de aandelen aan hem heeft geschonken via een wilsbeschikking van 9 april 2022, terwijl de andere erfgenamen dit betwisten en wijzen op het ontbreken van een notariële akte en de vereiste leveringsakte.

Het hof stelt vast dat de aandelen tot de ontbonden huwelijksgemeenschap behoren en dat zonder notariële akte geen juridische levering heeft plaatsgevonden. De appellant heeft onvoldoende onderbouwd dat hij economisch eigenaar is. Het hof overweegt dat een schenkingsovereenkomst mogelijk is gesloten, maar dat bewijslevering nodig is, met name over de echtheid van de handtekening op de wilsbeschikking.

Daarnaast is er discussie over de wilsbekwaamheid van vader ten tijde van de ondertekening, mede vanwege medische omstandigheden en medicatie. De tegenpartij stelt dat sprake is van misbruik van omstandigheden en wilsonbekwaamheid, wat vernietiging van de schenking zou rechtvaardigen. Het hof benoemt een handschriftdeskundige en stelt bewijsopdrachten vast om deze kwesties te onderzoeken. De beslissing over levering van aandelen wordt aangehouden totdat deze bewijsopdrachten zijn afgerond.

Uitkomst: Het hof wijst bewijsopdrachten toe en houdt de beslissing over de eigendom en levering van aandelen aan totdat de echtheid van de handtekening en andere bewijsstukken zijn onderzocht.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof: 200.345.466
zaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen: 10832973
arrest van 13 januari 2026
in de zaak van
[appellant]
die woont in [woonplaats1]
hierna: [appellant]
advocaat: mr. J.M. Peet
tegen

1.[geïntimeerde1]

die woont in [woonplaats2]
hierna: [geïntimeerde1]
(niet verschenen)

2. [geïntimeerde2]

die woont in [woonplaats2]
hierna: [geïntimeerde2]
(niet verschenen)

3. [geïntimeerde3]

die woont in [woonplaats2]
advocaat: mr. S.R. Baetens
hierna: [geïntimeerde3]

4. [geïntimeerde4]

die woont in [woonplaats3]
advocaat: mr. S.R. Baetens
hierna: [geïntimeerde4]

5. Mr. M. van der Meulen

in zijn hoedanigheid van executeur in de nalatenschappen van [de moeder] en [de vader]
die kantoor houdt in Rosmalen
advocaat: mr. J. van der Wende
hierna: de executeur

1.Het verloop van de procedure in hoger beroep

1.1.
Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit het arrest in het incident van 29 april 2025.
1.2.
Op 27 oktober 2025 heeft een mondelinge behandeling bij het hof plaatsgevonden. Daarvan is een verslag gemaakt dat aan het dossier is toegevoegd (het proces-verbaal). Aan het dossier is ook de brief van mr. Baetens van 20 november 2025 met zijn opmerkingen bij het proces-verbaal toegevoegd. Hierna hebben partijen het hof gevraagd opnieuw arrest te wijzen.

2.De kern van de zaak

2.1.
[appellant] , [geïntimeerde1] , [geïntimeerde2] , [geïntimeerde4] en [geïntimeerde3] zijn broers en zussen van elkaar en erfgenamen van hun moeder en vader die kort na elkaar in 2022 zijn overleden. Partijen twisten over de vraag of de aandelen in [de B.V.] B.V. (hierna: de bv) deel uitmaken van de nalatenschap van moeder of vader of dat vader voorafgaand aan zijn overlijden de aandelen aan [appellant] heeft geschonken.
2.2.
Partijen hebben het geschil, via een gezamenlijk ingediend verzoekschrift, aan de kantonrechter voorgelegd op de voet van artikel 96 lid 1 Rv Pro. In het bestreden vonnis is onder meer voor recht verklaard:
I. dat de (juridische) eigendom van de aandelen behoort tot de nalatenschappen van moeder en vader,
II. dat er bij leven van moeder en vader dan wel bij leven van vader geen rechtsgeldige overeenkomst van schenking van de aandelen of een deel daarvan aan [appellant] is gesloten en
III. dat er geen leveringsverplichting ter zake van de aandelen of een deel daarvan bestaat jegens [appellant] .
2.3.
[appellant] is het niet eens met de beslissing van de kantonrechter. [appellant] vordert in hoger beroep een verklaring voor recht (I.) dat hij juridisch eigenaar is van de aandelen, althans (II.) dat (een deel van) de aandelen aan hem zijn geschonken en (III.) dat een leveringsverplichting van (een deel van) de aandelen aan hem bestaat. [appellant] vordert ook de executeur en/of de andere erfgenamen bij toewijzing van II. en III. te verplichten mee te werken aan de levering van de aandelen.

3.Het oordeel van het hof

3.1.
Het hof zal beslissen dat eerst moet worden beoordeeld of vader het document dat volgens [appellant] moet worden beschouwd als een aanbod tot schenking heeft ondertekend. Het hof heeft daarom het voornemen om een (handschrift)deskundige te benoemen. Zo nodig zullen daarna andere bewijsopdrachten volgen. Dat wordt hierna uitgelegd.
3.2.
Het hof zal omwille van de duidelijkheid in plaats van gerechtigdheid tot aandelen (met partijen) spreken over de eigendom daarvan.
De eigendom van de aandelen (I.)
3.3.
Volgens [appellant] is hij juridisch eigenaar van alle aandelen, dan wel van een gedeelte daarvan. Vader heeft de aandelen aan hem geschonken met een stuk dat de titel
‘WILSBESCHIKKING’draagt en dateert van 9 april 2022 (hierna: de wilsbeschikking). In deze wilsbeschikking is onder meer opgenomen:
“Sinds 2019 ben ik, onder begeleiding van fiscalist [naam1] en accountant [naam2] , bezig de overdracht van mijn bedrijf en aandelen in [naam B.V.] BV en [de B.V.] BV te regelen onder de BOR voorwaarden. Op 15-11-2021 is mijn finale verzoek ingediend en thans door inspecteur [naam3] in behandeling onder nummer (…).
In verband met mijn plotseling afnemende medische conditie kan ik de reguliere procedure niet nog langer afwachten en verklaar ik hierbij dat ik deze overdracht per heden wil effectueren.
Aldus door mij verklaar en ondertekend in volle bewustzijn uit vrije wil,
Te Jeroen Bosch Ziekenhuis ’s-Hertogenbosch op 9 april 2022 11.05u
[de vader]
(…)”
Deze tekst is getypt, met uitzondering van de tijdsaanduiding (11.05u). Die is met de hand op het stuk geschreven.
3.4.
Voor zover [appellant] geen juridisch eigenaar is, is hij in ieder geval economisch eigenaar, zo vindt hij.
3.5.
[geïntimeerde3] en [geïntimeerde4] (en bij de rechtbank ook [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] ) wijzen erop dat voor de levering van aandelen door schenking een notariële akte vereist is. Die akte is er niet, zodat [appellant] geen juridisch eigenaar van de aandelen is geworden. Daarnaast heeft [appellant] volgens hen onvoldoende onderbouwd dat hij de economisch eigenaar van de aandelen is.
3.6.
Het hof oordeelt daarover als volgt. Moeder en vader hebben in 2013 hun huwelijksvermogensregime houdende een uitsluiting van iedere gemeenschap van goederen gewijzigd, zodat vanaf toen een algehele gemeenschap van goederen bestond. Daartoe behoorden de aandelen in de bv. Moeder en vader hebben in 2013 ook testamenten gemaakt. In de testamenten is de wettelijke verdeling buiten toepassing verklaard. Vader en moeder hebben elkaar voor 1/100e deel van hun nalatenschap tot erfgenaam benoemd en hun kinderen gezamenlijk voor het resterende deel.
3.7.
Moeder is [in] 2022 overleden. Daardoor is de huwelijksgemeenschap ontbonden en is een bijzondere gemeenschap ontstaan (artikelen 3:189 - 3:194 BW), waarin als deelgenoten vader (50,5% onverdeeld aandeel) en de kinderen (ieder 9,9% onverdeeld aandeel) optraden. Vader is overleden op 10 april 2022 met achterlating van zijn vijf kinderen als zijn enige erfgenamen, ieder voor een gelijk deel. Daardoor is ieder van de kinderen, onder wie [appellant] , voor één vijfde (20%) onverdeeld aandeel gerechtigd in de ontbonden huwelijksgemeenschap van hun ouders. Zolang de aandelen niet zijn verdeeld en geleverd aan een van de deelgenoten, behoren die aandelen tot de ontbonden huwelijksgemeenschap en heeft ieder van de deelgenoten, en dus ook [appellant] , één vijfde onverdeeld aandeel in de aandelen in de bv.
3.8.
Voor de levering van aandelen ter uitvoering van een overeenkomst van schenking (verkrijging onder bijzondere titel) is een notariële akte vereist (artikel 2:196 BW Pro). Tussen partijen staat vast dat zo’n notariële leveringsakte waarbij aandelen ten titel van schenking aan [appellant] zijn overgedragen niet is verleden. Het overige vier vijfde (80%) onverdeeld aandeel in de ontbonden huwelijksgemeenschap is daarom niet door [appellant] in juridische eigendom verkregen.
3.9.
[appellant] heeft daarnaast zijn stelling dat hij economisch eigenaar van de aandelen is geworden onvoldoende onderbouwd. Met het begrip economische eigendom wordt in de praktijk gedoeld op het bestaan van een aantal verbintenisrechtelijke rechten en verplichtingen met betrekking tot een goed, die niet in alle gevallen dezelfde inhoud behoeven te hebben. [1] Hij heeft niet goed toegelicht wat vader heeft gedaan om tussen hen een economische eigendomsverhouding te laten ontstaan en welke verbintenisrechtelijke rechten en verplichtingen er zijn ontstaan ten aanzien van de aandelen in de bv. Hij heeft aan zijn stelling bovendien geen gevolgen verbonden in de door hem gevorderde verklaring voor recht die alleen ziet op de juridische eigendom van de aandelen.
Is een aanbod tot schenking van aandelen gedaan? (II.)
3.10.
Als de aandelen niet in juridische of economische zin aan [appellant] zijn overgedragen, is er volgens hem in ieder geval een rechtsgeldige overeenkomst van schenking tot stand gekomen. Uit de tekst van de wilsbeschikking (rechtsoverweging 3.3) in samenhang met de gebeurtenissen die voor het overlijden van vader (en moeder) hebben plaatsgevonden volgt dat vader aan [appellant] een aanbod heeft gedaan om aandelen aan hem te schenken, zo meent hij. Zijn ouders waren sinds 2020 bezig met het organiseren van de overdracht van de aandelen en zij hadden de wens dat het familiebedrijf zou worden voortgezet door (een van) hun kinderen. Daarnaast heeft [appellant] in de jaren 1979 tot en met 2005 in het familiebedrijf gewerkt en daarvoor structureel een te laag salaris ontvangen en heeft hij geen pensioen opgebouwd. Dat gaf vader (en moeder) aanleiding om de aandelen in de bv aan [appellant] te schenken. [appellant] verwijst naar een door zijn vader ondertekende machtiging van 7 mei 2020, waarin onder meer is vermeld:
“Hierbij verklaart [de vader] . (…) dat zijn zoon [appellant] (…) op kosten van de BV met de accountant, de fiscalist en de notaris de procedure in gang mag zetten teneinde:
1) (…)
2) De fiscale consequenties te onderzoeken van de geruisloze overdracht van de aandelen van de Onroerend Goed BV, nominaal € 21.000, en daarmee inherent het eigendom van het pand (…), aan [appellant] als zijnde de netto uitbetaling van het uitgestelde loon, goodwill en pensioen over de periode 1979-2005.
3) Als ingangsdatum wordt 2 januari 2021 nagestreefd, tenzij [de vader] voortijdig komt te overlijden, bijvoorbeeld door ziekte. In dat laatste geval vindt de overdracht plaats op een datum vóór het overlijden.”
3.11.
Op 20 maart 2021 heeft een familiegesprek plaatsgevonden. Daarbij waren vader, moeder, [appellant] , [geïntimeerde2] , [geïntimeerde4] en de heer [naam1] , verbonden aan [naam4] , aanwezig. Tijdens het familiegesprek is onderzocht of de kinderen het familiebedrijf wilden voortzetten. Volgens [appellant] bleek in september/oktober 2021 dat hij de enige was die daarin geïnteresseerd was. Hij verwijst naar een stuk met als opschrift ‘opdrachtverstrekking’ dat is gericht aan de heer [naam1] en ondertekend door vader. Daarin is onder meer opgenomen:
“Hierbij verzoek ik u op zo kort mogelijke termijn de fiscale consequenties uit te werken en zo nodig de toestemming van de belastinginspecteur te verkrijgen voor het overdragen van alle aandelen [de B.V.] BV (…), onder algehele kwijting over en weer en onder toepassing van de Bedrijfsopvolgingsregeling (BOR, geruisloos doorschuiven) aan de huidige directeur [de vader] (…) op een fiscaal zo gunstig mogelijke wijze.”
3.12.
In een brief van 15 november 2021 heeft de heer [naam1] de Belastingdienst aangeschreven. Uit die brief blijkt volgens [appellant] de expliciete wens van vader en moeder om de aandelen van de bv aan [appellant] te schenken. In de brief is onder meer vermeld:
“ [de vader] wenst 100% van zijn aandelen [de B.V.] BV te schenken aan zijn zoon [appellant] De voorgenomen schenking vindt plaats in januari 2022.
(…)VerzoekOp grond van bovenstaande verzoek ik u, namens [de vader] en [appellant] de voorgenomen aandelenoverdracht waarbij artikel 4.22 Wet IB 2001 toepassing vindt niet als vervreemding aan te merken voor het in artikel 4.22 lid 2 Wet IB 2001 omschreven deel van de overdrachtsprijs.
(…)”
3.13.
Omdat de gezondheid van vader verslechterde is hij in de ochtend van 9 april 2022 naar het ziekenhuis gebracht. Volgens [appellant] heeft zijn vader daar tegen hem gezegd dat hij de overdracht van de aandelen nog wilde regelen. Hij maakte zich er in de maanden daarvoor al zorgen over dat de Belastingdienst zo traag was. Vader maakte zich zorgen over de continuïteit van het bedrijf en stelde voor het op papier te zetten. [appellant] is naar huis gefietst en heeft de tekst van de wilsbeschikking opgesteld. Nadat [appellant] het document aan zijn vader heeft voorgelezen en het aan zijn vader heeft laten zien heeft zijn vader zijn handtekening gezet. [appellant] heeft op het document het tijdstip van ondertekening genoteerd.
3.14.
[appellant] concludeert dat gelet op deze gebeurtenissen de ondertekende wilsbeschikking moet worden uitgelegd als een aanbod tot schenking. Die schenking heeft [appellant] stilzwijgend aanvaard. Aan de overeenkomst van schenking zijn de erfgenamen door het overlijden van vader als rechtsopvolgers gebonden. Er bestaat daarom een verplichting voor zijn broers en zussen om de aandelen aan hem te leveren ter uitvoering van de rechtsgeldige overeenkomst van schenking.
3.15.
Volgens [geïntimeerde3] en [geïntimeerde4] bestaat voor de erfgenamen geen verplichting tot levering van de aandelen aan [appellant] . Dat standpunt hebben [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] bij de rechtbank ook ingenomen. Omdat de aandelen door het overlijden van moeder onderdeel zijn gaan uitmaken van een bijzondere gemeenschap was vader niet bevoegd om zonder toestemming van de andere deelgenoten over de aandelen te beschikken (artikel 3:190 lid 1 BW Pro). Hij heeft daarom geen aandelen aan [appellant] kunnen schenken. Daarnaast volgt uit de tekst van de wilsbeschikking niet dát vader wilde schenken, wat, aan wie, hoe en wanneer. Hun ouders hadden niet de bedoeling [appellant] de aandelen te schenken en zij betwisten dat [appellant] de enige was die het familiebedrijf wilde voortzetten. Vader en moeder hadden de bedoeling hun kinderen gelijk te behandelen en [appellant] had juist geen aanspraak meer op achterstallige betalingen. Dat volgt volgens hen onder meer uit een bepaling in de aanvullende testamenten van 20 juli 2016 van moeder en vader, waarin is opgenomen (in het testament van vader is in plaats van het woord ‘echtgenoot’, het woord ‘echtgenote’ opgenomen):
“Aangezien mijn oudste zoon, [appellant] (…) door omstandigheden afhankelijk was van financiële ondersteuning van mij en mijn echtgenoot, maar wij alle onze kinderen zoveel mogelijk gelijk wensen te behandelen, bepaal ik dat het erfdeel van mijn zoon wordt verminderd met een bedrag van (…) (€ 37.500,00), zodat hij (…) in totaal (…) (€ 75.000,00) minder ontvangt dan mijn andere kinderen.”
3.16.
Vader heeft de machtiging van 7 mei 2020 waarnaar [appellant] verwijst (rechtsoverweging 3.10) een dag later weer ingetrokken. [geïntimeerde3] en [geïntimeerde4] hebben de machtiging overgelegd met daarop de handgeschreven notitie:
“08-05-2020 Bij deze trek ik deze machtiging in”. Daarna volgt de handtekening van vader. [geïntimeerde3] en [geïntimeerde4] (en bij de rechtbank ook [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] ) wijzen daarnaast op correspondentie uit het verleden van vader aan [appellant] waarin hij zijn onvrede uit over het
“disfunctioneren”van [appellant] . In een verklaring van een vriendin van vader en moeder worden
“de problemen met [appellant] ”beschreven. In haar verklaring concludeert ze onder meer:
“ [de moeder] wilde dat de zaak eerlijk werd verdeeld tussen de kinderen evenals dat dit de wens was van [de vader] , ook al wilde hij niets regelen. Ik kan mij dan ook absoluut niet voorstellen dat het bedrijf aan [appellant] zou zijn geschonken voor het overlijden van beide ouders of dat dat na het overlijden van de langstlevende zou gebeuren. Ik heb de ouders daar ook nooit over gehoord, terwijl wij wel vaak hebben gesproken over het verdelen van de zaak. Nog los van het feit dat [de vader] niks wilde regelen, omdat hij voorzag dat dit voor hem te heftig zou worden, ging [de vader] gebukt onder de enorme druk van [appellant] die hem of allerlei manieren kon manipuleren en intimideren”.
3.17.
[geïntimeerde3] en [geïntimeerde4] betwisten ook de echtheid van de handtekening op de wilsbeschikking.
3.18.
Het hof stelt voorop dat vader tijdens leven niet alleen bevoegd was over de aandelen in de bv te beschikken (artikel 3:170 lid 3 BW Pro) en ook niet zonder toestemming van de overige deelgenoten over zijn (onverdeeld) aandeel in de aandelen kon beschikken (artikel 3:190 lid 1 BW Pro). Het ontbreken van beschikkingsbevoegdheid heeft echter geen gevolgen voor de rechtsgeldigheid van een verbintenisrechtelijke overeenkomst van schenking. Dat vader niet (alleen of zonder toestemming) beschikkingsbevoegd was heeft niet tot gevolg dat geen rechtsgeldige schenkingsovereenkomst tot stand kan zijn gekomen. Daar komt bij dat de erfgenamen als rechtsopvolgers onder algemene titel van vader in beginsel gebonden zijn aan door vader aangegane overeenkomsten en gehouden zijn deze na te komen (artikel 4:182 lid 2 BW Pro). Dit geldt ook voor een overeenkomst van schenking die vader met [appellant] zonder de vereiste medewerking of toestemming van de andere deelgenoten heeft gesloten. [2]
3.19.
[appellant] betoogt nog dat vader wel bevoegd was om over zijn aandeel in de ontbonden huwelijksgemeenschap (van 50,5%) te beschikken, ondanks dat hij zijn benoeming tot afwikkelingsbewindvoerder niet had aanvaard. De eisen van de redelijkheid en billijkheid maken volgens [appellant] dat zijn broers en zussen verplicht zijn om hun toestemming te verlenen voor de levering van de aandelen aan [appellant] . Omdat de erfgenamen van vader gehouden zijn tot nakoming van een door hem aangegane overeenkomst, ook als vader daartoe onbevoegd was, heeft [appellant] naar het oordeel van het hof geen belang bij beoordeling van de vraag of vader al dan niet bevoegd was om over de aandelen in de ontbonden huwelijksgemeenschap te beschikken.
3.20.
Op [appellant] rusten de stelplicht en bewijslast van het bestaan van de overeenkomst van schenking (artikel 150 Rv Pro). [appellant] heeft, mede gelet op de door hem gestelde gebeurtenissen voorafgaand aan 9 april 2022, voldoende gemotiveerd gesteld dat vader met de wilsbeschikking van 9 april 2022 een aanbod tot schenking heeft gedaan, dat [appellant] stilzwijgend heeft aanvaard. Dat al vóór 9 april 2022 een overeenkomst van schenking tot stand is gekomen, zoals [appellant] op de mondelinge behandeling heeft aangevoerd, is niet voldoende gemotiveerd gesteld. De gebeurtenissen van voor 9 april 2022 waarnaar [appellant] heeft verwezen geven weliswaar de indruk dat vader onderzoek deed naar de fiscale consequenties van een schenking van aandelen aan [appellant] , maar daaruit kan geen aanbod tot schenking worden begrepen.
3.21.
Anderzijds hebben [geïntimeerde4] en [geïntimeerde3] voldoende gemotiveerd betwist dat van een schenkingsovereenkomst sprake is. Bij deze stand van zaken komt het aan op bewijslevering. Het hof overweegt om [appellant] toe te laten te bewijzen dat met de wilsbeschikking van 9 april 2022 een aanbod tot schenking van aandelen aan hem is gedaan, dat hij stilzwijgend heeft aanvaard, zodat tussen hem en zijn vader een overeenkomst van schenking tot stand is gekomen. Om proceseconomische redenen gaat het hof daar gelet op het hierna overwogene nog niet toe over.
3.22.
De wilsbeschikking waarop [appellant] zich beroept is aan te merken als een onderhandse akte. Een dergelijke akte levert, behoudens tegenbewijs, dwingend bewijs op van wat in de akte is vastgelegd (zie artikel 151 en Pro 157 lid 2 Rv). Als [appellant] erin slaagt te bewijzen dat de wilsbeschikking een aanbod tot schenking van aandelen van vader inhoudt, levert de wilsbeschikking daarvan daarom dwingend bewijs op. Echter, nu [geïntimeerde3] en [geïntimeerde4] de echtheid van de ondertekening van de wilsbeschikking door vader niet erkennen, levert de akte op grond van artikel 159 lid 2 Rv Pro geen bewijs op zolang niet bewezen is van wie de ondertekening afkomstig is. [appellant] wordt daarom eerst in de gelegenheid gesteld om het bewijs te leveren dat de handtekening op de wilsbeschikking van vader afkomstig is. Daartoe zal het hof een handschriftdeskundige benoemen.
Moet het (vermeende) aanbod tot schenking worden vernietigd? (II.)
3.23.
Als de handtekening op de wilsbeschikking van vader afkomstig blijkt te zijn en daarnaast komt vast te staan dat de wilsbeschikking een aanbod tot schenking inhoudt, betogen [geïntimeerde3] en [geïntimeerde4] (en bij de rechtbank ook [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] ) dat vader bij de ondertekening van de wilsbeschikking onbekwaam was om over zijn wil te beschikken. Zij wijzen erop dat vader ernstig ziek was en in het ziekenhuis zware verdovende medicatie toegediend kreeg. Zij hebben een kopie van het verpleegkundig dossier overgelegd, waarop is te zien dat vader op 9 april 2022 rond 9.30 uur zware pijnstilling (Fentanyl) heeft gekregen. Volgens de verklaring van [geïntimeerde1] had hij op 9 april 2022 een zware nacht zonder slaap achter de rug en had hij hevige pijn. Hij heeft na het vertrek van [appellant] toen [geïntimeerde1] bij hem in het ziekenhuis kwam direct aangegeven dat hij iets had getekend en niet wist wat. [geïntimeerde1] heeft [appellant] daarop een bericht gestuurd met de vraag een foto van het ondertekende document naar haar te zenden, waarop [appellant] heeft gereageerd:
“Ligt thuis.”. Vader was door zijn geestelijke en lichamelijke gezondheid niet in staat om de gevolgen van zijn vermeende aanbod tot schenking te overzien. Ook gelet op de waarde van de schenking, die volgens [geïntimeerde3] en [geïntimeerde4] veel hoger is dan de waarde van de andere goederen uit de nalatenschappen samen, is uitgesloten dat vader aandelen aan [appellant] heeft willen schenken. Vanwege de wilsonbekwaamheid van vader op het moment van de vermeende ondertekening van de wilsbeschikking moet het aanbod tot schenking worden vernietigd.
3.24.
[appellant] betwist dat vader wilsonbekwaam was ten tijde van de ondertekening van de wilsbeschikking. De eerder die dag aan hem toegediende Fentanyl is slechts een pijnstiller die geen invloed had op zijn wilsbekwaamheid. Pas later op de dag heeft vader morfine toegediend gekregen. Vader wilde de eerder in gang gezette schenking effectueren voordat hij zou komen te overlijden. Omdat hij geen tijd meer had om een notaris te bezoeken, heeft hij [appellant] gevraagd dit op papier te zetten. Dat heeft [appellant] gedaan. Omdat de ondertekende wilsbeschikking bij [appellant] thuis lag en hij niet thuis was, was hij niet in de mogelijkheid een foto daarvan naar [geïntimeerde1] te sturen. [geïntimeerde1] heeft op verzoek van vader op 10 april 2022 aan [appellant] , [geïntimeerde2] en zichzelf nog € 10.000 overgeboekt met de omschrijving
“schenking”. Bij die schenking was alleen [geïntimeerde1] aanwezig. Als vader voor die schenking wilsbekwaam was, was hij dat ook voor de schenking van de aandelen, zo meent [appellant] . Bovendien blijkt uit die schenking, die niet aan [geïntimeerde3] en [geïntimeerde4] is gedaan, dat vader niet altijd noodzaak zag om alle kinderen gelijk te behandelen. Tot slot wijst [appellant] erop dat de dosis morfine op 10 april 2022 om 13.00 uur is verhoogd, wat feitelijk zag op het voortijdig beëindigen van zijn leven. Omdat de arts daartoe niet had kunnen overgaan als vader wilsonbekwaam was, was hij in ieder geval tot dat moment wilsbekwaam.
3.25.
Op [geïntimeerde3] en [geïntimeerde4] (en [geïntimeerde2] en [geïntimeerde1] ) rust de stelplicht en de bewijslast van de door hen gestelde wilsonbekwaamheid van vader bij de ondertekening van de wilsbeschikking. Daartoe moeten zij voldoende gemotiveerd stellen dat vaders geestvermogens ten tijde van de ondertekening van de wilsbeschikking gestoord waren en dat in verband daarmee de wil van vader tot het doen van een aanbod tot schenking van aandelen heeft ontbroken (zie artikel 3:34 BW Pro). Naar het oordeel van het hof hebben zij dat gedaan door een voldoende onderbouwde medische verklaring in het geding te brengen die deze stelling ondersteunt. [3] Anderzijds heeft [appellant] voldoende gemotiveerd betwist dat vader wilsonbekwaam was ten tijde van de ondertekening van de wilsbeschikking. Bij deze stand van zaken komt het ook op dit punt aan op bewijslevering. Het hof zal daarom [geïntimeerde3] en [geïntimeerde4] toelaten tot bewijslevering. Als [geïntimeerde3] en [geïntimeerde4] aantonen dat de geestelijke stoornis van vader een redelijke waardering van de bij het aanbod tot schenking betrokken belangen belette of als zij aantonen dat de wilsverklaring van vader onder invloed van de geestelijke stoornis is gedaan, wordt de wil van vader geacht te hebben ontbroken. Om proceseconomische redenen zal het hof ook tot deze bewijsopdracht pas overgaan nadat is beslist op de vraag of de handtekening op de wilsbeschikking van vader afkomstig is (rechtsoverweging 3.22).
3.26.
Het hof merkt nog op dat als vader op 10 april 2022 door de behandelend arts bekwaam werd bevonden om beslissingen te nemen over zijn levenseinde (in verband met de ophoging van de morfine) dat nog niet betekent dat hij daarmee ook wilsbekwaam was ten aanzien van beslissingen die (mogelijk) grote gevolgen hadden voor zijn vermogen en nalatenschap (de schenking van aandelen). Die beslissingen zijn immers verschillend van karakter. Dit gegeven maakt daarom niet dat [geïntimeerde3] en [geïntimeerde4] hun stelling op dit punt onvoldoende hebben gemotiveerd. Voor zover vader op 10 april 2022 nog heeft besloten een bedrag van € 10.000 te schenken aan [appellant] , [geïntimeerde2] en [geïntimeerde1] maakt ook dat niet dat in het kader van de schenking van aandelen geen sprake zou kunnen zijn van wilsonbekwaamheid. Dat [geïntimeerde3] , [geïntimeerde4] , [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] van die schenking geen punt maken, houdt geen erkenning in van de wilsbekwaamheid van vader ten aanzien van de schenking van aandelen.
Kan de (vermeende) overeenkomst van schenking worden vernietigd? (II.)
3.27.
[geïntimeerde3] en [geïntimeerde4] (en bij de rechtbank ook [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] ) stellen zich daarnaast op het standpunt dat [appellant] misbruik van omstandigheden heeft gemaakt, zodat de overeenkomst van schenking, áls die tot stand is gekomen, op die grond moet worden vernietigd. Zij wijzen er, naast de omstandigheden die zijn genoemd in rechtsoverweging 3.23, op dat vader ten tijde van de vermeende ondertekening van de wilsbeschikking opgenomen was in het ziekenhuis en terminaal was. Hij had een plotseling snel afnemende medische conditie, zo volgt ook uit de wilsbeschikking, en hij kampte al jaren met een afnemende cognitieve gesteldheid. Vader had een leeftijd van 89 jaar en hij was recent weduwnaar geworden. Vader was altijd uiterst secuur met zijn financiën en hij zou nooit een kind willen bevoordelen ten opzichte van zijn andere kinderen. Dat volgt ook uit het testament van vader (zie rechtsoverweging 3.15). De notaris die vader vaker bijstond wist niet van de schenking en hij is niet gebeld om op het laatste moment een akte van schenking en levering van de aandelen in de bv of een testament op te maken. Bij de vermeende ondertekening van de wilsbeschikking was bovendien alleen [appellant] aanwezig. Gelet op de omkering van de bewijslast (artikel 7:176 BW Pro) is het aan [appellant] om te bewijzen dat van misbruik van omstandigheden geen sprake was. Volgens [geïntimeerde3] en [geïntimeerde4] moet de vermeende overeenkomst van schenking bovendien worden vernietigd wegens benadeling van schuldeisers (actio pauliana).
3.28.
[appellant] betwist dat bij de ondertekening van de wilsbeschikking sprake was van misbruik van omstandigheden, waarbij hij verwijst naar zijn standpunt zoals weergegeven in rechtsoverweging 3.24. Vader wist wat hij deed en de schenking, die al veel eerder in gang was gezet, was niet complex. Gelet op de waardering van de aandelen van de bv op € 1 kan daarnaast geen sprake zijn van benadeling van schuldeisers. De overeenkomst kan volgens [appellant] daarom niet worden vernietigd met een beroep op misbruik van omstandigheden of de actio pauliana.
3.29.
Het hof oordeelt daarover als volgt. Van misbruik van omstandigheden in de zin van artikel 3:44 lid 4 BW Pro is sprake “wanneer iemand die weet of moet begrijpen dat een ander door bijzondere omstandigheden, zoals noodtoestand, afhankelijkheid, lichtzinnigheid, abnormale geestestoestand of onervarenheid, bewogen wordt tot het verrichten van een rechtshandeling, het tot stand komen van die rechtshandeling bevordert, ofschoon hetgeen hij weet of moet begrijpen hem daarvan zou behoren te weerhouden.” De vraag waar het om gaat is of de wil van vader is beïnvloed door het bestaan van de bijzondere omstandigheden, terwijl [appellant] met die omstandigheden bekend was en die bekendheid [appellant] had moeten weerhouden van het bevorderen van de totstandkoming van de overeenkomst van schenking.
3.30.
Op grond van artikel 7:176 BW Pro geldt dat als de schenker (of zijn rechtsopvolger onder algemene titel) feiten stelt waaruit volgt dat de schenking door misbruik van omstandigheden is tot stand gekomen, bij een beroep op vernietigbaarheid de bewijslast van het tegendeel in beginsel rust op de begiftigde. Door [geïntimeerde3] en [geïntimeerde4] zijn voldoende feiten gesteld waaruit volgt dat de schenking door misbruik van omstandigheden tot stand is gekomen. [appellant] heeft gesteld dat geen sprake is van misbruik van omstandigheden. Gelet op de omkering van de bewijslast is het aan [appellant] om te bewijzen dat de schenking niet door misbruik van omstandigheden tot stand is gekomen. [appellant] wordt daarom (zo nodig) toegelaten dat te bewijzen. Om proceseconomische redenen zal het hof ook tot deze bewijsopdracht pas overgaan nadat is beslist op de vraag of de handtekening op de wilsbeschikking van vader afkomstig is (rechtsoverweging 3.22).
3.31.
De beslissing op het beroep op actio pauliana houdt het hof aan totdat duidelijk is of een overeenkomst van schenking tot stand is gekomen die niet voor vernietiging in aanmerking komt op grond van misbruik van omstandigheden. Voor de beantwoording van de vraag of vernietiging van de vermeende overeenkomst van schenking op grond van actio pauliana mogelijk is, is denkbaar dat een deskundige moet worden benoemd om de waarde van de aandelen te bepalen.
III. Bestaat een leveringsverplichting van aandelen aan [appellant] ?
3.32.
Pas als het hof heeft beslist dat sprake is van een (niet-vernietigbare) overeenkomst van schenking, zal het hof beslissen op de vraag of een leveringsverplichting van aandelen aan [appellant] bestaat. De standpunten van partijen op dit punt behoeven daarom op dit moment geen bespreking en de beslissing daarop wordt aangehouden.
De bewijsopdrachten
3.33.
Om vast te stellen of de handtekening onder de wilsbeschikking van vader afkomstig is, heeft het hof het voornemen om een (handschrift)deskundige te benoemen. Het hof overweegt daartoe de heer [naam5] , handschriftdeskundige en documentexpert werkzaam bij het Nationaal Forensisch Onderzoeksbureau, als deskundige te benoemen. Deze heeft verklaard vrij te staan ten opzichte van partijen en hun advocaten en in staat te zijn om dit onderzoek te verrichten. Het hof wil de deskundige verzoeken in ieder geval de volgende vragen te beantwoorden:
  • Met welke mate van waarschijnlijkheid kunt u vaststellen of de handtekening op de wilsbeschikking van vader afkomstig is?
  • Geeft het onderzoek verder nog aanleiding tot opmerkingen die voor de beslissing van dit geschil van belang kunnen zijn?
3.34.
Op grond van de begroting van de voorgestelde deskundige (die aan partijen zal worden verstrekt) zal het hof het voorschot vaststellen op € 3.811,50. Volgens de hoofdregel van artikel 195 Rv Pro (oud) zal het hof bij daadwerkelijke benoeming van de deskundige bepalen dat [appellant] als eisende partij het voorschot voor de kosten van de deskundige moet dragen.
3.35.
De heer [naam5] heeft verklaard dat hij de volgende stukken nodig heeft voor zijn onderzoek:
  • de wilsbeschikking, bij voorkeur origineel, of een kopie in hoge resolutie;
  • minimaal vijf tot vijftien referentiehandtekeningen op officiële bij voorkeur originele documenten zoals paspoorten, overeenkomsten, akten of andere handgeschreven stukken. Het referentiemateriaal is bij voorkeur uit dezelfde periode als de wilsbeschikking.
[appellant] heeft de ondertekende wilsbeschikking bij het hof gedeponeerd. Het hof zal na de daadwerkelijke benoeming zorgdragen voor toezending van de wilsbeschikking aan de deskundige. Het hof zal partijen dan ook opdragen de verder voor het onderzoek benodigde stukken over te leggen.
3.36.
Partijen mogen zich bij akte uitlaten over het voornemen van het hof om een deskundige te benoemen en over de persoon van de deskundige (zoals het voorstel van het hof) en de verdere voorwaarden waaronder de opdracht aan de deskundige zou moeten worden verstrekt. Partijen mogen zich bij akte ook uitlaten over de door het hof voorgestelde vragen en zelf (aanvullende of vervangende) vragen formuleren. Om praktische redenen heeft het de voorkeur van het hof dat de advocaten voorafgaand aan de akten met elkaar overleggen over de te stellen vragen (en ook over de persoon van de deskundige), zodat zij op elkaars voorstellen in hun akte kunnen reageren.
3.37.
Nadat is beslist op de vraag of de handtekening op de wilsbeschikking van vader afkomstig is, komt het hof (zo nodig) toe aan de overige bewijsopdrachten. [appellant] wordt dan toegelaten te bewijzen dat met de wilsbeschikking van 9 april 2022 een aanbod tot schenking van aandelen aan hem is gedaan, dat hij stilzwijgend heeft aanvaard, zodat tussen hem en zijn vader een overeenkomst van schenking tot stand is gekomen. Daarnaast wordt [appellant] in de gelegenheid gesteld het tegendeel te bewijzen van het uitgangspunt dat de schenking door misbruik van omstandigheden tot stand is gekomen. Daarna (tegelijk met de contra-enquête) worden [appellant] en [geïntimeerde4] toegelaten te bewijzen dat een geestelijke stoornis bij vader aanwezig was op het moment van de ondertekening van de wilsbeschikking en dat in verband daarmee de wil van vader tot het verrichten van de rechtshandeling heeft ontbroken.

4.De beslissing

Het hof:
4.1.
verwijst de zaak naar de roldatum van 24 februari 2026 voor het nemen van een akte die partijen gelijktijdig mogen nemen met betrekking tot hetgeen is overwogen in rechtsoverweging 3.36;
4.2.
bepaalt dat uiterlijk twee weken voorafgaand aan de hiervoor in 4.1 genoemde roldatum waarop de gelijktijdige akten zullen worden overgelegd, de advocaten elkaar de akten toezenden, zodat over en weer op de inhoud kan worden gereageerd door in de eigen akte een beknopte reactie op te nemen;
4.3.
houdt verder iedere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. J.H. Lieber, H.L. Wattel en C.M.E. Lagarde, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 13 januari 2026.

Voetnoten

1.HR 5 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AN9687 (Vagobel/Geldnet), rov. 3.3.1.; HR 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:852, rov. 3.1.3.
2.HR 23 juni 1989, ECLI:NL:HR:1989:AD0830, NJ 1989/732 (Erven Gaasbeek).
3.HR 9 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2047, rov. 3.6.