ECLI:NL:GHARL:2026:1672

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
18 maart 2026
Publicatiedatum
18 maart 2026
Zaaknummer
Wahv 200.359.236/01
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Wijma
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:21 AwbArt. 1:38 BWArt. 1:441 BWArt. 6 WahvArt. 3:41 Awb
Verwijzingen
16 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen niet-ontvankelijkverklaring beroep verkeersboete onder bewind

De betrokkene, die onder bewind staat, stelde beroep in tegen een verkeersboete. De kantonrechter verklaarde het beroep niet-ontvankelijk omdat geen machtiging van de bewindvoerder was overgelegd. Het hof oordeelt dat dit bevoegdheidsgebrek reparabel is en dat de kantonrechter de bewindvoerder had moeten betrekken. Daarom vernietigt het hof deze beslissing.

Vervolgens beoordeelt het hof het beroep inhoudelijk. De betrokkene had het beroep te laat ingediend, ruim na de zeswekentermijn. De betrokkene voerde aan dat hij de beschikking niet had ontvangen omdat zijn bewindvoerder deze niet had doorgegeven. Het hof stelt echter dat het niet doorsturen van poststukken door de bewindvoerder voor rekening van de betrokkene komt.

Daarom verklaart het hof het beroep ongegrond wegens termijnoverschrijding. De redelijke termijn van berechting in eerste aanleg is overschreden, maar dit leidt niet tot een inhoudelijke beoordeling van de sanctie. Het hof wijst erop dat het CJIB de tweede verhoging heeft teruggedraaid en dat betalingsregelingen mogelijk zijn.

Uitkomst: Het hof vernietigt de niet-ontvankelijkverklaring maar verklaart het beroep ongegrond wegens termijnoverschrijding.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.359.236/01
CJIB-nummer
: 219956831
Uitspraak d.d.
: 18 maart 2026
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank MiddenNederland van 31 juli 2025, betreffende

[betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats].

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard.

Het verloop van de procedure

De betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht. Daarbij is gevraagd om de zaak op een zitting van het hof te behandelen.
De advocaat-generaal heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid in daarop te reageren.
Op 29 december 2025 is nog een brief van de betrokkene ontvangen.
De zaak is behandeld op de zitting van 4 maart 2026. De betrokkene is verschenen.
De advocaat-generaal is vertegenwoordigd door mr. [naam].

De beoordeling

1. De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene niet-ontvankelijk verklaard, omdat de betrokkene onder bewind staat en geen machtiging van zijn bewindvoerder is overgelegd, waaruit blijkt dat hij bevoegd is om beroep in te stellen tegen de beslissing van de officier van justitie.
2. De betrokkene is het niet eens met deze beslissing. Hij vindt het belachelijk dat hij afhankelijk is van zijn bewindvoerder om beroep te kunnen instellen tegen een verkeersboete. Hij is namelijk prima in staat om zichzelf te verdedigen.
3. In artikel 8:21, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), dat naar het oordeel van het hof in Mulderprocedures naar analogie dient te worden toegepast, is voor zover relevant bepaald dat natuurlijke personen, onbekwaam om in rechte te staan, in het geding worden vertegenwoordigd door hun vertegenwoordigers naar burgerlijk recht. In het tweede lid van dat artikel is bepaald dat deze personen zelf in het geding kunnen optreden, indien zij tot redelijke waardering van hun belangen in staat kunnen worden geacht.
4. In artikel 1:38 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) is voor zover relevant bepaald dat tijdens het bewind het beheer over de onder bewind staande goederen niet toekomt aan de rechthebbende, maar aan de bewindvoerder en dat de rechthebbende slechts met medewerking van de bewindvoerder over de onder het bewind staande goederen kan beschikken. Voorts is in artikel 1:441 van Pro het BW bepaald dat de bewindvoerder bij de vervulling van zijn taak de rechthebbende in en buiten rechte vertegenwoordigt.
5. Gelet op de bovengenoemde artikelen had de betrokkene zich in de procedure bij de kantonrechter in beginsel moeten laten vertegenwoordigen door zijn bewindvoerder. Nu het beroep bij de kantonrechter niet door de bewindvoerder is ingesteld, maar door de betrokkene zelf, is sprake van een bevoegdheidsgebrek. Dit betreft echter een bevoegdheidsgebrek dat reparabel is en dat ook nog na afloop van de beroepstermijn kan worden hersteld (vgl. de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 7 november 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:3480). Hieruit volgt dat een onder bewind gestelde rechthebbende wel zelf een rechtsmiddel kan instellen, maar dat de bewindvoerder dit als formele partij dient te bekrachtigen, hetgeen ook nog kan na afloop van de beroepstermijn.
6. Uit het dossier blijkt niet dat de kantonrechter de bewindvoerder van de betrokkene in rechte heeft proberen te betrekken, door hem aan te schrijven of voor de zitting op te roepen om als formele procespartij de procedure over te nemen, dan wel het beroep te bekrachtigen. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter daarom vernietigen. Dit brengt mee dat de overige gronden van de betrokkene tegen die beslissing geen bespreking meer behoeven. Vervolgens zal het hof overgaan tot de beoordeling van het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie.
7. In hoger beroep is de betrokkene ter zitting verschenen. Op grond van de behandeling ter zitting stelt het hof vast dat de betrokkene tot redelijke waardering van zijn belangen in staat kan worden geacht. De uitzonderingssituatie van artikel 8:21, tweede lid, van de Awb is dus van toepassing. Dit brengt mee dat de betrokkene in deze procedure zelf in het geding kan optreden.
8. De officier van justitie heeft het beroep tegen de inleidende beschikking niet-ontvankelijk verklaard, omdat het te laat is ingesteld.
9. Tegen de inleidende beschikking kan binnen zes weken beroep worden ingesteld. Dat volgt uit artikel 6, eerste lid, van de Wahv en de artikelen 3:41, 6:7 en 6:8 van de Awb. De termijn voor het instellen van beroep begint op de dag die volgt op de dag waarop de beschikking aan de betrokkene is toegestuurd.
10. Artikel 6:11 van Pro de Awb bepaalt – kort gezegd – dat een te laat ingesteld beroep tóch ontvankelijk kan zijn, wanneer het de betrokkene niet kan worden toegerekend dat te laat beroep is ingesteld.
11. De inleidende beschikking is op 4 maart 2019 aan de betrokkene toegestuurd. De beroepstermijn eindigde dus op 15 april 2019. Het beroepschrift is op 30 december 2021 via het Digitaal Loket ingediend. Het beroep is dan ook niet tijdig ingesteld.
12. De betrokkene voert aan dat hij de inleidende beschikking niet heeft ontvangen, omdat zijn bewindvoerder die niet aan hem heeft doorgestuurd.
13. Het is vaste rechtspraak van het hof dat het niet (tijdig) doorsturen van poststukken door de bewindvoerder, kennelijk als gevolg van het ontbreken van afspraken hierover tussen de betrokkene en de bewindvoerder, een omstandigheid betreft waarvan de gevolgen voor rekening van de betrokkene dienen te komen (vgl. het arrest van het hof van 22 maart 2017, ECLI:NL:GHARL:2017:2398). Door de betrokkene is niets aangevoerd wat aanleiding geeft om hierover in deze zaak anders te oordelen. Het komt daarom voor rekening van de betrokkene dat hij de inleidende beschikking niet heeft ontvangen.
14. Dit betekent dat niet kan worden geoordeeld dat het te laat instellen van beroep de betrokkene niet kan worden toegerekend. De officier van justitie heeft het beroep tegen de inleidende beschikking dan ook terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het hof zal het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie daarom ongegrond verklaren.
15. Het voorgaande brengt mee dat het hof het hof de bezwaren van de betrokkene tegen de opgelegde sanctie niet kan behandelen.
16. Het hof stelt ambtshalve vast dat de redelijke termijn van berechting als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) in eerste aanleg is overschreden. De betrokkene is op 17 september 2018 staande gehouden en de procedure in eerste aanleg is eerst geëindigd met de beslissing van de kantonrechter van 31 juli 2025. De periode tussen 15 april 2019 en 30 december 2021 wordt daarbij aan de betrokkene toegerekend, omdat niet tijdig beroep is ingesteld tegen de inleidende beschikking en niet kan worden geoordeeld dat dit de betrokkene niet kan worden toegerekend. Nu het hof niet toekomt aan de beoordeling van de sanctie (vgl. ov. 16 van het arrest van het hof van 28 juli 2023, gepubliceerd op rechtspraak.nl met vindplaats: ECLI:NL:GHARL:2023:6369), zal het hof volstaan met de vaststelling de redelijke termijn van berechting eerste aanleg is overschreden.
17. Ter informatie van de betrokkene merkt het hof nog op dat de advocaat-generaal in het verweerschrift heeft aangegeven dat hij gelet op de bijzondere omstandigheden van het geval het CJIB de opdracht heeft gegeven om in deze zaak de tweede verhoging ongedaan te maken. Dit betekent dat de betrokkene in deze zaak alleen het bedrag van de sanctie, de administratiekosten en de eerste verhoging moet betalen. Indien hij dit bedrag niet (in één keer) kan voldoen, kan hij contact opnemen met het CJIB om te informeren naar de mogelijkheden van het treffen van een betalingsregeling.

De beslissing

Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Starreveld als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.