Uitspraak
20 april 2017, 16/3688 (aangevallen uitspraak)
OVERWEGINGEN
BESLISSING
- bepaalt dat van het Uwv een griffierecht van € 501,- wordt geheven;
Centrale Raad van Beroep
Betrokkene, onder bewind gesteld door de kantonrechter, maakte bezwaar tegen een UWV-besluit over haar Wajong-uitkering. Het bezwaar werd door betrokkene zelf ingediend, niet door haar bewindvoerder, wat het UWV aanleiding gaf het bezwaar niet-ontvankelijk te verklaren wegens bevoegdheidsgebrek en overschrijding van de bezwaartermijn.
De rechtbank oordeelde echter dat de bewindvoerder het bezwaar na afloop van de termijn alsnog kon bekrachtigen, waardoor het bezwaar tijdig was ingediend en het UWV het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk had verklaard. Het UWV ging hiertegen in hoger beroep.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt het oordeel van de rechtbank. De Raad legt uit dat uit de relevante BW-artikelen volgt dat de bewindvoerder de onder bewind gestelde betrokkene in en buiten rechte vertegenwoordigt, en dat een bevoegdheidsgebrek door de bewindvoerder ook na afloop van de bezwaartermijn hersteld kan worden. Hierdoor is het bezwaar van betrokkene tijdig en ontvankelijk. Het UWV moet een nieuwe beslissing op bezwaar nemen, waartegen alleen beroep bij de Raad mogelijk is.
Uitkomst: Het bezwaar van betrokkene is ontvankelijk verklaard en het UWV moet een nieuwe beslissing nemen.