In deze civiel-arbeidsrechtelijke zaak heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 17 maart 2026 het hoger beroep behandeld tegen een vonnis van de rechtbank Midden-Nederland. Het verzoek betrof een bevel tot dwangakkoord op grond van artikel 287a Faillissementswet. Het hof heeft eerst een tussenarrest gewezen waarin meer informatie werd verlangd over de schuldenlast, schuldregelingsovereenkomst, en inspanningen van appellant om werk te vinden.
Na ontvangst van aanvullende stukken en een mondelinge behandeling op 10 maart 2026 heeft het hof vastgesteld dat de schuldenlast in het aanbod onjuist was weergegeven, doordat een schuld aan de Belastingdienst niet was meegenomen. Hoewel de gemeente verklaarde dat zij het bedrag voor de Belastingdienst zou betalen, was het akkoord gebaseerd op onjuiste gegevens, waardoor schuldeisers geen juiste beoordeling konden maken.
Daarnaast oordeelde het hof dat de weigerachtige schuldeisers in redelijkheid hun instemming konden onthouden. Het aangeboden akkoord ontbeerde waarborgen zoals toezicht op de inspanningsverplichting die in een wsnp-traject wel gelden. Ook vertegenwoordigen de vorderingen van de weigerachtige schuldeisers een substantieel deel van de schuldenlast. Het hof kwalificeerde ASR als weigerachtige schuldeiser vanwege voorwaarden die niet acceptabel zijn.
Het hoger beroep werd afgewezen en het vonnis van de rechtbank bekrachtigd. Het hof zag geen aanleiding voor een kostenveroordeling tegen appellant. Tevens merkte het hof op dat de inspanningen en besparingen van appellant relevant kunnen zijn bij een eventueel nieuw wsnp-verzoek.