ECLI:NL:GHARL:2026:1110

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
24 februari 2026
Publicatiedatum
24 februari 2026
Zaaknummer
200.363.867
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Tussenuitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 287a Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen afwijzing bevel tot instemming schuldregeling in minnelijk traject

Appellant heeft bij de rechtbank een verzoek ingediend om weigerachtige schuldeisers te bevelen in te stemmen met een schuldregeling in het kader van een minnelijk traject, naast een verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (wsnp). De rechtbank wees het verzoek af vanwege het aanzienlijke belang van de schuldeisers en de reële kans dat zij in de wsnp meer zouden ontvangen.

Appellant ging in hoger beroep en trok het verzoek tot toelating tot de wsnp in. Het hof nam kennis van het beroepschrift en hield een mondelinge behandeling waarbij partijen en schuldeisers verschenen, maar een schuldeiser niet. Het hof constateerde dat onvoldoende informatie beschikbaar was over de opbouw van het spaarsaldo, de volledigheid van de schuldenlijst, de status van belastingschulden en CJIB-schulden, en de inhoud en naleving van de schuldregelingsovereenkomst.

Het hof besloot de behandeling voort te zetten en bepaalde een nieuwe mondelinge behandeling waarbij ook de schuldhulpverlener van de gemeente wordt opgeroepen. Appellant moet aanvullende stukken overleggen, waaronder een actueel overzicht van belastingschulden, CJIB-schulden, de schuldregelingsovereenkomst, een recente VTLB-berekening en een overzicht van sollicitaties. De beslissing over het verzoek wordt aangehouden totdat deze informatie is verkregen.

Uitkomst: Het hof houdt de beslissing aan en verlangt aanvullende informatie en een nieuwe mondelinge behandeling.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.363.867
zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht 600038
arrest van 24 februari 2026
in de zaak van
[appellant]
die woont in [woonplaats]
hierna: [appellant]
advocaat: mr. C.C.W. Plaat
tegen

1.ASR Basis Ziektekostenverzekeringen N.V.

die is gevestigd in Amersfoort
hierna: ASR

2.CE Credit Management Invest Fund 1 B.V.

die is gevestigd in Groningen
hierna: CE Credit

3.[geïntimeerde3]

die woont in [woonplaats]
hierna: [geïntimeerde3]
(niet verschenen)
hierna gezamenlijk: de weigerachtige schuldeisers

1.De procedure bij de rechtbank

[appellant] heeft bij de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht (hierna: de rechtbank), tegelijk met een verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling (hierna: wsnp), een verzoek ingediend om de weigerachtige schuldeisers te bevelen in te stemmen met een schuldregeling als bedoeld in artikel 287a Fw. In het vonnis van 12 januari 2026 heeft de rechtbank dat laatste verzoek afgewezen.

2.De procedure bij het hof

2.1.
In het op 20 januari 2026 bij het hof binnengekomen beroepschrift heeft [appellant] hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van 12 januari 2026. Hij heeft het hof verzocht dat vonnis te vernietigen en te bepalen dat de weigerachtige schuldeisers alsnog worden bevolen om in te stemmen met de aangeboden schuldregeling.
2.2.
[appellant] heeft zijn verzoek om te worden toegelaten tot de wsnp bij de rechtbank ingetrokken. De rechtbank heeft de intrekking in een bericht van 17 februari 2026 aan het hof bevestigd.
2.3.
Het hof heeft daarnaast kennisgenomen van:
- het beroepschrift;
- het bericht van 10 februari 2026 namens [appellant] .
2.4.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 17 februari 2026. Daarbij is [appellant] verschenen, bijgestaan door mr. Plaat. Verder is namens CE Credit en ASR de heer [naam1] van de Landelijke Associatie Van Gerechtsdeurwaarders B.V. (LAVG) verschenen. [geïntimeerde3] is, hoewel opgeroepen per aangetekende post, niet verschenen. Op de mondelinge behandeling heeft mr. Plaat nog betaaloverzichten van de premies aan ASR over de laatste maanden overgelegd.

3.De motivering van de beslissing in hoger beroep

Het verzoek en het oordeel van de rechtbank
3.1.
Volgens de bij het verzoekschrift gevoegde schuldenlijst bedraagt de totale schuldenlast van [appellant] € 14.756,97, bestaande uit alleen concurrente schulden. Die schuldenlast is volgens [appellant] ontstaan doordat hij vanwege langdurige ziekte lage inkomsten en hoge kosten had. Omdat een baan in loondienst moeilijk te krijgen was, is [appellant] een onderneming gestart. Daaruit heeft hij geen inkomsten gegenereerd. De onderneming is in 2024 uitgeschreven uit de Kamer van Koophandel.
3.2.
[appellant] heeft met tussenkomst van de Gemeente [gemeentenaam] aan zijn crediteuren een schuldregeling aangeboden. In het aanbod is onder meer opgenomen:
Wat is het betalingsvoorstel?
Met meneer [appellant] hebben we een schuldregelingsovereenkomst voor maximaal 18 maanden afgesloten. We verwachten dat we in deze periode € 0,00 voor u kunnen reserveren. Dit is 0% van uw vordering. Ons betalingsvoorstel is een prognose. Het gereserveerde bedrag kan lager of hoger uitvallen als er iets wijzigt in de (financiële) situatie van meneer [appellant] .
Totaal te verdelen bovenmatig saldo: 0,00 euro
Indien het voorstel €0 bedraagt: bij aanvang van het schuldregelingstraject is het mogelijk dat er op dat moment geen afloscapaciteit is, waardoor de initiële prognose op €0 uitkomt. Echter, is er gekozen voor een schuldbemiddeling omdat het een realistisch scenario is dat er gedurende de regeling wel afloscapaciteit ontstaat.”
3.3.
Ten tijde van het aanbod ontving [appellant] een uitkering op grond van de Participatiewet. Met het voorstel hebben 11 van de 14 schuldeisers ingestemd. De weigerachtige schuldeisers hebben in totaal een vordering van € 5.204,71 op [appellant] , zo volgt uit de bij het verzoekschrift gevoegde schuldenlijst (ASR € 4.154,28; CE Credit € 165,84 en [geïntimeerde3] € 884,59). Dat komt neer op 35% van de totale schuldenlast.
3.4.
[appellant] is (nadat het aanbod was gedaan) op 1 december 2025 als chauffeur in loondienst getreden voor 30 uur per week. Daarmee genereert hij een inkomen van ongeveer € 1.900 netto per maand, afhankelijk van onregelmatigheidstoeslagen. Volgens de laatste berekening (over de periode juli-december 2025) bedraagt zijn vrij te laten bedrag € 1.565,27 per maand op basis van een inkomen van € 1.805,05.
3.5.
De rechtbank heeft het verzoek om de weigerachtige schuldeisers te bevelen in te stemmen met de aangeboden schuldregeling afgewezen. De rechtbank weegt mee dat zij een aanmerkelijk belang (35%) hebben in de totale schuldenlast en dat schuldeisers mogelijk weinig tot niets ontvangen, terwijl de kans reëel is dat zij in de wsnp meer zullen ontvangen.
Het juridisch kader
3.6.
Op grond van artikel 287a lid 5 Fw kan de rechter het verzoek tot bevel om instemming met een aangeboden schuldregeling toewijzen als de weigerachtige schuldeisers in redelijkheid niet tot weigering van instemming met de schuldregeling hebben kunnen komen, in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen het belang dat de schuldeisers hebben bij de uitoefening van hun bevoegdheid tot weigering en de belangen van de schuldenaar of van de overige schuldeisers die door die weigering worden geschaad. [1] Daarnaast geldt hierbij als uitgangspunt dat het iedere schuldeiser in beginsel vrijstaat te verlangen dat zijn vordering volledig wordt voldaan, zodat niet snel geoordeeld kan worden dat een schuldeiser in redelijkheid niet tot de hiervoor bedoelde weigering heeft kunnen komen.
Het standpunt van [appellant]
3.7.
Volgens [appellant] heeft hij er alles aan gedaan om een oplossing te vinden voor zijn schuldenproblematiek. Hij heeft betaald werk gevonden en spant zich in zijn uren uit te breiden tot 36 uur per week. [geïntimeerde3] en CE Credit benadelen de overige schuldeisers die wel hebben ingestemd met het schuldregeling. [appellant] zou met gebruikmaking van een saneringskrediet een bedrag van € 4.665, dat hij in 18 maanden zou kunnen sparen, direct aan zijn schuldeisers kunnen uitkeren. Dat bedrag zou vanwege de kosten die samenhangen met een wsnp niet beschikbaar zijn als [appellant] tot de wsnp zou worden toegelaten. Bovendien heeft ASR wel ingestemd met de aangeboden schuldregeling, zo vindt [appellant] . Zij hebben daaraan alleen de voorwaarde verbonden dat de verschuldigde maandpremies tijdig zouden worden voldaan en dat is tot nu toe gebeurd, waarbij hij verwijst naar de betaaloverzichten die op de mondelinge behandeling zijn overgelegd.
Het hof heeft meer informatie nodig
3.8.
Het hof heeft meer informatie nodig voor de beantwoording van de vraag of de weigerachtige schuldeisers in redelijkheid tot weigering van hun instemming hebben kunnen komen en zal daarom een nieuwe mondelinge behandeling bepalen. Daarvoor zal – naast [appellant] en de weigerachtige schuldeisers – de (schuldhulpverlener van de) gemeente [gemeentenaam] , worden opgeroepen. Dat wordt hierna uitgelegd.
3.9.
Het is voor het hof niet duidelijk geworden wanneer [appellant] is gestart met het sparen in het kader van zijn minnelijk traject en hoe de opbouw van het spaarsaldo is verlopen. Die informatie is wel relevant voor de beoordeling van het verzoek omdat aan de hand van die informatie een vergelijking kan worden gemaakt met de situatie dat [appellant] zou worden toegelaten tot de wsnp (mede gelet op een eventueel alternatief aanvangsmoment van het wsnp-traject). In het verzoekschrift is opgenomen dat [appellant] € 68 per maand kon sparen toen hij een uitkering op grond van de Participatiewet ontving. Daarnaast volgt daaruit dat het spaarsaldo in december 2025 € 365,28 bedroeg. [appellant] verklaarde op de mondelinge behandeling dat hij dacht al in januari 2025 te zijn begonnen met sparen in het kader van een minnelijk traject. Gelet op de spaarcapaciteit zou er dan in december 2025 een hoger spaarsaldo aanwezig moeten zijn dan € 365,28. [appellant] verklaarde dat hij denkt dat er tussentijds een deel van het spaarsaldo is gebruikt om een schuld aan Vitens te betalen, maar hij heeft aangeven dat niet zeker te weten. Hij maakt gebruik van budgetbeheer en ondanks dat hij daarbij is betrokken en daarover wordt geïnformeerd, begrijpt hij naar eigen zeggen niet altijd wat er speelt. Het hof gaat ervan uit dat de schuldhulpverlener van de gemeente [gemeentenaam] , en/of de budgetbeheerder nadere inlichtingen kan verstrekken over de ingangsdatum van het minnelijke traject, het moment waarop [appellant] is gestart met sparen in het minnelijk traject en de opbouw van het spaarsaldo.
3.10.
Daarnaast is het voor het hof nog onduidelijk of alle schuldeisers in de aangeboden schuldregeling zijn meegenomen. Bij het verzoekschrift is een document gevoegd met de titel ‘intake analyse’. Daarbij zit een schuldenoverzicht waarop in totaal voor een bedrag van € 36.711,32 aan schulden is opgenomen. Er wordt onder meer een schuld aan de Belastingdienst van ruim € 16.000 genoemd en een schuld aan het CJIB van ruim € 3.000. Die schulden (en ook andere daarop vermelde schulden) zijn niet vermeld op de schuldenlijst die bij het verzoekschrift is gevoegd met de totale schuldenlast van € 14.756,97, waar hiervoor al naar werd verwezen (in r.o. 3.1). In de aangeboden schuldregeling is uitgegaan van die laatstgenoemde totale schuldenlast. Op de mondelinge behandeling verklaarde [appellant] dat de schuld aan de Belastingdienst op nihil is gesteld behalve voor zover die schuld ziet op opgelegde boetes. In de aangeboden schuldregeling is opgenomen:
Wat is verder van belang?
(…) Hij[toevoeging hof: [appellant] ]
is toen een onderneming gestart maar heeft hier uiteindelijk nooit inkomsten uit gegenereerd. Om deze reden heeft meneer nooit aangiften ingediend terwijl hij aangifteplichtig was. Hierdoor zijn er ambtshalve aanslagen opgelegd waarvan nu de boetes nog openstaan. (…)”
Het hof heeft op de mondelinge behandeling aan [appellant] gevraagd of de schuld aan de Belastingdienst (voor zover die ziet op de boetes) nog openstaat. [appellant] gaf aan dat hij daarvan uitging, maar dat de trajectbegeleider van de gemeente en de sociaal raadsman die [appellant] op advies van de gemeente inschakelde, zich daarmee hebben beziggehouden. Die sociaal raadsman heeft vervolgens gerapporteerd aan de gemeente. Het is voor het hof daarom niet duidelijk of [appellant] op dit moment nog een schuld aan de Belastingdienst heeft. Die vraag zal op de nieuwe mondelinge behandeling aan de orde komen, waarbij het hof verlangt dat het al dan niet bestaan van die schuld en de eventuele hoogte daarvan met stukken wordt onderbouwd. Het hof verlangt daarnaast een gedocumenteerde onderbouwing van de status van de (al dan niet voormalige) schuld aan het CJIB. Op de nieuwe mondelinge behandeling zal ook in het algemeen het verband tussen het schuldenoverzicht van in totaal € 36.711,32 en de schuldenlijst van in totaal € 14.756,97 aan de orde komen.
3.11.
Tot slot verlangt het hof informatie over de schuldregelingsovereenkomst, de verplichtingen van [appellant] onder het minnelijk traject, de waarborgen die het minnelijk schuldsaneringstraject biedt, waaronder de (mate van) begeleiding door de gemeente [gemeentenaam] en de wijze waarop [appellant] de verplichtingen onder het minnelijk traject is nagekomen. ASR en CE Credit hebben erop gewezen dat [appellant] op dit moment 30 uur per week werkt. In de wsnp wordt een bewindvoerder benoemd die erop toeziet dat [appellant] zich inspant om het maximale voor zijn schuldeisers te sparen (onder meer door zich in te spannen om 36 uur per week te werken). De aangeboden schuldregeling zoals die is voorgelegd aan de schuldeisers betreft een zogeheten prognoseaanbod. Daarin is uitgerekend wat [appellant] , uitgaande van de financiële situatie ten tijde van het aanbieden van de schuldregeling, gedurende 18 maanden kan sparen. Ten tijde van het aanbod was de prognose dat geen spaarsaldo beschikbaar zou komen. Doordat [appellant] inmiddels in loondienst is, is de situatie gewijzigd en kan er mogelijk wel voor de schuldeisers gespaard worden. In het beroepschrift heeft [appellant] gebruikmaking van een saneringskrediet geopperd. Hij zou het bedrag dat hij op dit moment verwacht te kunnen sparen mogelijk direct kunnen uitkeren aan zijn schuldeisers, met gebruikmaking van een saneringskrediet. Niet gebleken is echter dat een aanbod waarbij gebruik wordt gemaakt van een saneringskrediet aan de schuldeisers is gedaan. Ook hierover wenst het hof op de nieuwe mondelinge behandeling meer duidelijkheid te verkrijgen, in die zin of deze optie definitief van de baan is of niet.
3.12.
Uitgaande van het prognosevoorstel zoals dat wel aan de schuldeisers is aangeboden, is het van belang dat gedurende de schuldregelingsovereenkomst van 18 maanden maximaal wordt gespaard voor de schuldeisers. Dat wil zeggen dat erop moet worden toegezien dat [appellant] zich inspant om 36 uur per week te werken of solliciteert naar een baan van 36 uur per week en dat de inkomsten die uitstijgen boven het vrij te laten bedrag worden gespaard voor de schuldeisers. In dat kader is een regelmatige vaststelling van het vrij te laten bedrag noodzakelijk. Uit de aangeboden schuldregeling volgt niet dat en op welke manier het schuldsaneringstraject van [appellant] voorziet in dergelijke vaststellingen en in toezicht op de naleving van verplichtingen. Het hof verlangt een kopie van de schuldregelingsovereenkomst en verwacht van de schuldhulpverlener van de gemeente [gemeentenaam] dat zij inlichtingen kan verstrekken over de inhoud van de schuldregelingsovereenkomst, de waarborgen die het minnelijk schuldsaneringstraject biedt en de wijze waarop [appellant] zijn verplichtingen daaronder is nagekomen..
3.13.
Het hof verlangt tot slot een recente VTLB-berekening op basis van het laatst verdiende loon en een overzicht van sollicitaties door [appellant] sinds het begin van het minnelijk traject.

4.De beslissing

Het hof:
4.1.
bepaalt dat de behandeling van de zaak zal worden voortgezet op dinsdag 10 maart 2026 om 9:15 uur, waarvoor naast partijen ook de gemeente [gemeentenaam] (Werk en Inkomen) als schuldhulpverlener zal worden opgeroepen, vertegenwoordigd door schuldregelaar mevrouw [naam2] of een andere persoon met kennis van het dossier. Tijdens deze mondelinge behandeling mogen partijen en de schuldhulpverlener van de gemeente een nadere toelichting geven op de zaak en zal het hof hen om inlichtingen vragen;
4.2.
bepaalt dat [appellant] uiterlijk vrijdag 6 maart 2026 om 16.00 uur aan het hof en aan de andere partijen in ieder geval de volgende bescheiden moet sturen:
  • een compleet, actueel en onderbouwd overzicht van de belastingschulden;
  • een compleet, actueel en onderbouwd overzicht van de CJIB-schulden;
  • een kopie van de schuldregelingsovereenkomst;
  • een actuele VTLB-berekening op basis van het laatst verdiende loon;
  • een overzicht van sollicitaties sinds het begin van het minnelijke traject.
4.3.
bepaalt dat de partij die zich tijdens de mondelinge behandeling op andere nieuwe stukken wil beroepen, kopieën daarvan uiterlijk vrijdag 6 maart 2026 aan het hof en aan de andere partijen moet sturen;
4.4.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. G.P. Oosterhoff, L. Janse en A.E. de Vos en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 24 februari 2026.

Voetnoten

1.Concl. A-G L. Timmermans, ECLI:NL:PHR:2012:BY0969, bij HR 14 december 2012 en