Belanghebbende kreeg voor het jaar 2018 een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd met een forfaitair belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 40.122. De rechtbank had het beroep van belanghebbende gegrond verklaard en de aanslag verminderd tot een forfaitair inkomen van € 16.294. De inspecteur stelde hiertegen hoger beroep in.
Het geschil betrof de vraag of belanghebbende aannemelijk had gemaakt dat het werkelijk rendement op haar vermogen in 2018 lager was dan het forfaitaire rendement van € 38.807 zoals vastgesteld bij beschikking rechtsherstel. Het hof volgde de jurisprudentie van de Hoge Raad van 6 juni 2024, waarin is bepaald dat het werkelijke rendement moet worden vastgesteld over het gehele vermogen in box 3, zonder aftrek van kosten, en dat de bewijslast hiervoor bij de belastingplichtige ligt.
Belanghebbende had weliswaar gegevens over dividend en waardeveranderingen van beleggingen verstrekt, maar deze niet voldoende onderbouwd met schriftelijke bescheiden. Ook kon geen rekening worden gehouden met beheerskosten. Het hof oordeelde daarom dat belanghebbende niet aannemelijk had gemaakt dat het werkelijke rendement lager was dan het forfaitaire rendement.
Daarnaast werd een immateriële schadevergoeding van € 500 toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn, aangezien de procedure bijna vijf jaar had geduurd, mede door aanhouding in afwachting van arresten van de Hoge Raad.
Het hof vernietigde het vonnis van de rechtbank, verklaarde het hoger beroep van de inspecteur gegrond, vernietigde de uitspraak op bezwaar, en bevestigde de aanslag zoals ambtshalve verminderd bij de beschikking van 8 december 2022.