ECLI:NL:GHARL:2026:1325

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
3 maart 2026
Publicatiedatum
5 maart 2026
Zaaknummer
24/454 tm 25/458
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen naheffingsaanslagen BPM en kostenvergoeding

Belanghebbende kreeg zes naheffingsaanslagen BPM opgelegd voor registratie van personenauto’s. Na bezwaar handhaafde de Inspecteur de aanslagen, waarna de Rechtbank Gelderland de beroepen deels gegrond verklaarde en enkele aanslagen verminderde. Belanghebbende ging in hoger beroep tegen de uitspraak van de Rechtbank.

Het Hof oordeelt dat de herleidingsmethode van belanghebbende faalt en dat de bewijslast voor waardevermindering wegens schade bij belanghebbende ligt. Het door belanghebbende overgelegde bewijs is onvoldoende om aan te tonen dat de auto’s meer schade hebben dan reeds erkend. Voor auto 6 (Porsche Macan) is in hoger beroep een compromis bereikt waarbij de naheffingsaanslag wordt verminderd tot € 7.619.

Verder herstelt het Hof de kostenvergoeding voor bezwaar, omdat de Rechtbank ten onrechte een lage puntwaarde hanteerde. De Inspecteur wordt veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten van in totaal € 8.268. De uitspraak van de Rechtbank wordt vernietigd voor de beslissing over auto 6 en proceskosten, en bevestigd voor het overige.

Uitkomst: De naheffingsaanslag voor auto 6 wordt verminderd tot € 7.619 en de Inspecteur wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
nummers BK-ARN 24/454 tot en met 24/458
uitspraakdatum: 3 maart 2026
Uitspraak van de tiende enkelvoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[belanghebbende]te
[vestigingsplaats](hierna: belanghebbende)
tegen de uitspraak van de Rechtbank Gelderland van 12 januari 2024, nummers ARN 22/3549, 22/3550, 22/4350, 22/4352 en 22/4353 in het geding tussen belanghebbende en
de
inspecteurvan de
Belastingdienst/Centrale Administratieve Processen/Team auto bpm(hierna: de Inspecteur)

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
Aan belanghebbende zijn ter zake van de registratie van zes personenauto’s in het Nederlandse kentekenregister zes naheffingsaanslagen in de belastingen van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: BPM) opgelegd.
1.2.
Belanghebbende heeft tegen deze naheffingsaanslagen bezwaar gemaakt. De Inspecteur heeft in zijn uitspraken op bezwaar de naheffingsaanslagen gehandhaafd.
1.3.
De Rechtbank heeft de beroepen ten dele gegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft een nader stuk ingediend.
1.5.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 februari 2026. Namens belanghebbende is mr. S.M. Bothof verschenen. Namens de Inspecteur zijn verschenen mr. [naam1] en mr. [naam2] .

2.Vaststaande feiten

2.1.
Voor de feiten verwijst het Hof naar de onderdelen 1 tot en met 6 van de uitspraak van de Rechtbank.
2.2.
Belanghebbende heeft vergeefs bezwaar tegen de naheffingsaanslagen aangetekend.
2.3.
De Rechtbank heeft de beroepen wat betreft de auto’s 1 (ARN 22/3549), 5 (ARN 22/4352) en 6 (ARN 22/4353) gegrond verklaard en de naheffingsaanslagen voor die auto’s verminderd. Wat betreft de auto’s 2, 3 een 4 heeft de Rechtbank de beroepen ongegrond verklaard. De Rechtbank heeft belanghebbende voorts vergoedingen van (proces)kosten van in totaal € 4.740 en het griffierecht toegekend. Wat betreft de vergoeding van de kosten voor het bezwaar heeft de Rechtbank de lage puntwaarde van € 310 gehanteerd.

3.Geschil

In hoger beroep is in geschil of de naheffingsaanslagen moeten worden vernietigd dan wel (verder) moeten worden verminderd. Belanghebbende beantwoordt deze vragen bevestigend, de Inspecteur ontkennend.
Belanghebbende heeft ter zitting van het Hof desgevraagd verklaard dat zij de stelling dat de schade aan de auto’s voor 100% als waardevermindering in aanmerking moet worden genomen (bladzijde 2, punt 4 van onderdeel 2 van het hogerberoepschrift) uitdrukkelijk en ondubbelzinnig intrekt, en dat zij voorts geen aanspraak maakt op een vergoeding van immateriële schade voor de behandeling in hoger beroep.

4.Beoordeling van het geschil

Herleidingsmethode
4.1.
Belanghebbende herhaalt in hoger beroep haar door de Rechtbank verworpen betoog dat de naheffingsaanslagen op basis van de zogenoemde herleidingsmethode moeten worden vernietigd. Gelet op HR 11 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1134, faalt dit betoog. Anders dan belanghebbende ter zitting van het Hof heeft bepleit, ziet het Hof geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen.
Omvang schade
4.2.
De bewijslast met betrekking tot het in aanmerking nemen van een waardevermindering wegens schade rust op belanghebbende. Deze bewijslastverdeling brengt mee dat indien er twijfel bestaat over het door belanghebbende gestelde, dit ten nadele van belanghebbende werkt.
4.3.
Hetgeen belanghebbende in dit dossier aan bewijs heeft geleverd, waaronder de taxatierapporten en het fotomateriaal, acht het Hof – tegenover de gemotiveerde betwisting door de Inspecteur en de door hem ingebrachte DRZ-rapporten – niet toereikend voor de conclusie dat zij erin is geslaagd aannemelijk te maken dat de auto’s meer schade hebben dan de bedragen die door de Inspecteur en de Rechtbank in aanmerking zijn genomen. Over het gestelde door belanghebbende is bij het Hof twijfel blijven bestaan en dat werkt, zoals gezegd, in haar nadeel. Hierbij zij met betrekking tot auto 5 (Audi Q3 met kenteken [kenteken1] ) nog opgemerkt dat de door belanghebbende overgelegde reparatienota van 23 juni 2021 ten bedrage van € 2.271,53 met omschrijving “Reparatie Volgens Taxatie Raport Audi Q3” naar het oordeel van het Hof niet toereikend is voor de conclusie dat belanghebbende (in zoverre) in haar bewijslast is geslaagd. Het Hof acht voormelde omschrijving op de nota te weinig specifiek om deze te kunnen relateren aan enige in het taxatierapport genoemde, te repareren schade.
Auto 6: Porsche Macan 2.0
4.4.
Met betrekking tot auto 6 (hofzaaknummer 24/458; een Porsche Macan 2.0 met kenteken [kenteken2] ) zijn partijen ter zitting van het Hof in het kader van een compromis overeengekomen dat de naheffingsaanslag moet worden verminderd tot € 7.619. Het Hof zal dienovereenkomstig beslissen.
Kostenvergoeding bezwaar
4.5.
Gelet op HR 12 juli 2024, ECLI:NL:HR:2024:1060, stelt belanghebbende terecht dat de Rechtbank bij het toekennen van de kostenvergoeding voor bezwaar ten onrechte een puntwaarde van € 310 heeft gehanteerd. Het Hof zal die fout herstellen.
Slotsom
Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep (ten dele) gegrond.

5.Griffierecht en proceskosten

5.1.
Omdat het hoger beroep gegrond is, ziet het Hof aanleiding de Inspecteur te gelasten aan belanghebbende het door haar voor het hoger beroep betaalde griffierecht van € 559 te vergoeden. De Rechtbank heeft reeds een vergoeding van het griffierecht voor de beroepsfase aan belanghebbende toegekend. Het Hof laat die beslissing, die in hoger beroep niet is bestreden, in stand.
5.2.
Het Hof ziet voorts aanleiding de Inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende voor de behandeling van het bezwaar, het beroep en het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken.
5.3.
Wat betreft de proceskosten voor het hoger beroep heeft te gelden dat sprake is van één zaak (vgl. HR 13 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX0892). Het Hof stelt de kosten ter zake van in hoger beroep beroepsmatig verleende rechtsbijstand overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht en berekend naar de tarieven van 2026 vast op € 1.868 (2 punten (hogerberoepschrift, bijwonen zitting) x wegingsfactor 1 x € 934).
5.4.
Wat betreft de kosten voor bezwaar en beroep verenigt het Hof zich met het oordeel van de Rechtbank over het aantal zaken waarin de vergoeding moet worden toegekend (te weten in drie zaken) en haar oordeel over de samenhang tussen twee zaken van die zaken. Hiervan uitgaande zal het Hof de door de Rechtbank vastgestelde vergoeding voor bezwaar en beroep opnieuw berekenen, met inachtneming van de tarieven van 2026 en de hoge puntwaarde in bezwaar. Dit leidt tot een vergoeding voor de kosten van bezwaar en beroep van in totaal € 6.400 (2 x € 3.200) (bezwaar: 2 punten x wegingsfactor 1 x € 666 is € 1.332 en beroep 2 punten x wegingsfactor 1 x € 934 is € 1.868, tezamen € 3.200).
5.5.
De totale door de Inspecteur te betalen (proces)kostenvergoeding beloopt aldus € 8.268 (€ 1.868 + € 6.400).

6.Beslissing

Het Hof:
  • vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, doch uitsluitend wat betreft de beslissing omtrent de naheffingsaanslag in de zaak met nummer ARN 22/4353 (auto 6) en de beslissing omtrent de proceskosten,
  • bevestigt de uitspraak van de Rechtbank voor het overige,
  • vernietigt de uitspraak van de Inspecteur inzake auto 6,
  • vermindert de naheffingsaanslag inzake auto 6 tot € 7.619,
  • veroordeelt de Inspecteur in de (proces)kosten van belanghebbende tot een bedrag van in totaal € 8.268, en
  • gelast dat de Inspecteur aan belanghebbende het voor het hoger beroep betaalde griffierecht vergoedt van € 559.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. den Ouden, lid van de tiende enkelvoudige belastingkamer, in tegenwoordigheid van dr. J.W.J. de Kort als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 maart 2026.
De griffier, De voorzitter,
(J.W.J. de Kort) (R. den Ouden)
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.