2.11.Bij brief van 25 januari 2021 heeft de inspecteur aan de gemachtigde van belanghebbende het volgende geschreven:
“Betreft: aankondiging afwijken van aangifte
(…)
Ik heb de aangifte inkomstenbelasting, premie volksverzekeringen (…) 2017 van [belanghebbende] beoordeeld. Hierbij heb ik rekening gehouden met de informatie die u mij schriftelijk heeft verstrekt in uw brief van 10 december 2020.
(…)
Ik ben van plan af te wijken van de aangifte van [belanghebbende].
(…)
Inkomen uit aanmerkelijk belang (box 2)
(…)
Het aangegeven bedrag lijkt aanzienlijk hoger dan waartoe [belanghebbende] op basis van de tot mijn beschikking staande overeenkomsten gehouden is. Ik zal dit nu toelichten.
Verleende vrijwaring loonheffingen
(…)
De (…) in artikel 6.4 opgenomen bepaling vormt een extra zekerheid voor de koper van de aandelen in aanvulling op de in artikel 6.3 opgenomen vrijwaring verstrekt door de Stichting als verkoper van de aandelen. Daarbij wordt de aansprakelijkheid van respectievelijk [bedrijf2] B.V, [bedrijf3] B.V. en de heren [namen heren] gezamenlijk, beperkt tot 1/3 deel van het te vergoeden bedrag.
In artikel 8.13 van de koopovereenkomst van aandelen is verder opgenomen dat iedere betaling aan de Koper wegens een schending of vordering op grond van de vrijwaringen wordt aangemerkt als een terugbetaling op de closing koopprijs en de closing koopprijs zal worden geacht te zijn verlaagd met het bedrag van deze betaling. De door de Stichting ontvangen koopprijs voor de aandelen [bedrijf1] B.V. wordt derhalve met het uit hoofde van de vrijwaring betaalde bedrag verlaagd.
In de overeenkomst in het kader van en ter afwikkeling van de overdracht van [bedrijf1] B.V. d.d. 18 maart 2016 is in artikel 4.1 opgenomen dat de koopprijs pro rata toekomt aan de certificaathouders. Hoewel niet expliciet geregeld in genoemde overeenkomst, moet er vanuit worden gegaan dat een terugbetaling van een deel van de koopprijs uit hoofde van de verstrekte vrijwaringen eveneens pro rata moet worden toegerekend aan de certificaathouders.
Bedrag schadeloosstelling cf. gesloten overeenkomsten
Uit de door u aangeleverde stukken maak ik op dat in verband met de opgelegde naheffingsaanslag loonheffingen in 2017 in eerste instantie een bedrag van € 900.000 door de voormalige aandeelhouders van [bedrijf1] B.V. is betaald aan [bedrijf4] B.V. wat later is verhoogd naar € 1.012.325. Deze aanpassing hield verband met een lagere effectieve VPB druk bij [bedrijf4] dan waar in eerste instantie vanuit werd gegaan.
Zoals hiervoor uiteengezet, dient de verlaging van de koopprijs van € 1.012.325 op basis van de overeenkomsten pro rata worden toegerekend aan de belangen van de heer [namen heren] en zijn minderjarige kinderen. Deze toerekening ziet er dan als volgt uit:
Rel. aandeel: Toe te rekenen verlaging:
[belanghebbende] 1,78% 18.019
Minderjarige kinderen
[kind1] 2,78% 28.143
[kind2] 2,78% 28.143
Meerderjarige kinderen
[kind3] 2,78% 28.143
[kind4] 2,78%
[kind5] 2,78%
Totaal 15,68% 158.733
Bedrag schadeloosstelling volgens aangifte
In de aangifte heeft [belanghebbende] € 337.942 aangegeven als negatief vervreemdingsvoordeel. Dit bedrag is meer dan twee maal zo hoog als waartoe uw cliënt en zijn minderjarige kinderen gezamenlijk gehouden zijn op grond van de gesloten overeenkomsten. (…) In uw brief van 10 december 2020 geeft u als verklaring aan dat de verdeling van de schadeloosstelling tussen partijen naderhand gewijzigd is. (…)
In 2016 aangegeven vervreemdingsvoordeel
(…)
[Belanghebbende] sluit ten aanzien van de verkrijgingsprijs aan bij de in mei 2017 tussen [bedrijf5] B.V. en de Belastingdienst gesloten vaststellingsovereenkomst inzake de waardering van de certificaten die op 4 september 2015 door het management zijn verkregen. Daarbij is overeengekomen dat de waarde van deze certificaten op 4 september 2015 moet worden gelijkgesteld aan de op 23 maart 2016 ontvangen koopsom voor de aandelen.
Bij het vaststellen van de verkrijgingsprijs per 4 september 2015 heeft [belanghebbende] naar mijn mening ten onrechte geen rekening gehouden met de verplichting uit hoofde van de verstrekte vrijwaring. Ik zal dit nu toelichten.
(…)
Op 4 september 2015, het moment van ontstaan van het aanmerkelijk belang, was reeds duidelijk dat de vennootschap geconfronteerd zou worden met een naheffingsaanslag loonheffingen als gevolg van de managementparticipatie en de vrijwel direct daaropvolgende verkoop van de aandelen [bedrijf1] B.V. De bewustheid van dit risico blijkt onder andere uit het in 2015 gevoerde vooroverleg, een bespreking op 15 februari 2016 met de Belastingdienst en het feit dat in de koopovereenkomst d.d. 23 maart 2016 expliciet een vrijwaring is opgenomen ten aanzien van de verwachte naheffingsaanslag loonheffingen.
Bij het vaststellen van de verkrijgingsprijs per 4 september 2015 had [belanghebbende] derhalve het waarde drukkend effect van de verwachte naheffingsaanslag loonheffing in aanmerking moeten nemen. Nu dit niet heeft plaatsgevonden, is er in 2016 een te laag vervreemdingsresultaat aangegeven.
Voornemen afwijken van aangifte
Nu er bij de berekening van het aangegeven vervreemdingsvoordeel in 2016 ten onrechte geen rekening is gehouden met het waarde drukkende effect van de naheffingsaanslag loonheffingen, ben ik voornemens om in 2017 geen negatief vervreemdingsresultaat in aanmerking te nemen. Op deze wijze wordt voorkomen dat over het jaar 2016 dient te worden nagevorderd en [belanghebbende] in dit verband geconfronteerd wordt met belastingrente.”