Uitspraak
1.Het verloop van de procedure in hoger beroep
2.De kern van de zaak
3.De beslissing van het hof en de toelichting daarop
Daarbij komt dat er onduidelijkheid bestaat over de financiële afwikkeling van de verkoop van de auto. Vaststaat dat de garage waaraan [Verzoeker] de auto heeft verkocht de verkoopprijs van € 7.000,- op 30 september 2024 heeft overgemaakt naar het rekeningnummer van [Verzoeker]. Pas 2 dagen later, op 2 oktober 2024, heeft [Verzoeker] per bankoverboeking een bedrag van € 3.250,- aan [naam klant1] overgemaakt. In ieder geval is het dus zo dat na aftrek van deze girale overboeking, nog een bedrag van € 3.750,- van de verkoopprijs resteert. Bij de omschrijving van de girale overboeking is vermeld dat al eerder een bedrag van € 3.250,- contant is betaald. Maar buiten deze door [Verzoeker] zelf opgenomen omschrijving, is er geen enkel bewijs van deze contante betaling, zoals bijvoorbeeld een kwitantie. [Verzoeker] voert aan dat hij de contante betaling al voor de verkoop aan de echtgenoot van [naam klant1] heeft overhandigd. De echtgenoot van [naam klant1] stond op deze contante betaling omdat hij zeker wilde weten dat [Verzoeker] er niet met de auto vandoor zou gaan, aldus [Verzoeker]. Hoe dit zich verhoudt tot het betoog van [Verzoeker] dat er sprake was van een vriendschappelijke relatie, heeft [Verzoeker] niet nader toegelicht. Als aangenomen wordt dat [Verzoeker] een bedrag van € 3.250,- contant heeft betaald, komt het totale bedrag dat hij aan [naam klant1] zou hebben betaald uit op € 6.500,-. [Verzoeker] heeft het verschil tussen de koopprijs van € 7.000,- en dit aan [naam klant1] betaalde bedrag verklaard met de stelling dat hij een bedrag van € 500,- op de koopprijs in mindering heeft gebracht in verband met kosten die hij had gemaakt (zoals de aanvraag van het nieuwe kentekenbewijs, benzine etc.). Maar tijdens de mondelinge behandeling bij het hof gaf [Verzoeker] aan dat een deel van deze kosten al eerder contant door [naam klant1] aan hem waren vergoed, en bevestigde hij dat [naam klant1] dan dus dubbel voor deze posten had betaald. Of er bij de financiële afwikkeling inderdaad sprake is geweest van bevoordeling van [Verzoeker] ten koste van [naam klant1], kan niet worden vastgesteld. Maar duidelijk is wel dat er meerdere vraagtekens gezet kunnen worden bij deze verkooptransactie, zowel wat betreft het besluit om deze verkoop te faciliteren als de financiële afwikkeling daarvan. Dat geldt te meer nu het hier gaat om een echtpaar op leeftijd in een kwetsbare positie; de echtgenoot van [naam klant1] was immers dementerend. Het echtpaar werd lichamelijk en huishoudelijk ondersteund door twee verschillende (thuis)zorgorganisaties. Dat kan [Verzoeker] niet ontgaan zijn als hij daadwerkelijk op zo’n goede voet met hen stond als hij betoogt. Hij had zich dan ook moeten realiseren dat voorzichtigheid hier geboden was, zeker nu de basis van de gestelde vriendschappelijke band gelegen was in de oorspronkelijk zakelijke relatie: namelijk die van [Verzoeker] als rijinstructeur van Bruinsma en [naam klant1] als klant. Het lag op de weg van [Verzoeker] als werknemer van Bruinsma om ervoor te zorgen dat er geen enkele twijfel zou kunnen bestaan over zijn integriteit als rijinstructeur (en in het verlengde daarvan over de integriteit van Bruinsma als rijschool). Door te handelen zoals hij heeft gedaan en zich in te laten met de privézaken van een klant van Bruinsma, heeft hij de reputatie van Bruinsma op onaanvaardbare wijze in de waagschaal gesteld door geen rekening te houden met het gegeven dat zijn handelen ten opzichte van klanten van Bruinsma zoals hiervoor beschreven, negatief afstraalt op Bruinsma.