ECLI:NL:GHARL:2026:1007

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
17 februari 2026
Publicatiedatum
20 februari 2026
Zaaknummer
24/77 en 24/184
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10 Wet BPMArt. 110 VWEU
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep BPM naheffingsaanslag Ferrari 812 GTS: afschrijving en waardebepaling

Belanghebbende kocht een gebruikte Ferrari 812 GTS uit Duitsland en deed BPM-aangifte met een afschrijving berekend via een taxatierapport. De Inspecteur legde een naheffingsaanslag op omdat hij de forfaitaire tabel toepaste, betwistend dat het taxatierapport bruikbaar was.

De rechtbank had de naheffingsaanslag verminderd, maar zowel belanghebbende als de Inspecteur gingen in hoger beroep. Het Hof oordeelt dat de koerslijstmethode niet toepasbaar is en dat belanghebbende de taxatiemethode moet onderbouwen. Belanghebbende kon haar bepleite handelsinkoopwaarde niet aannemelijk maken, mede omdat de gebruikte koerslijstrichtprijzen niet gebaseerd zijn op daadwerkelijke transacties in Nederland.

Het Hof stelt dat de Inspecteur terecht de forfaitaire tabel toepaste en vernietigt het vonnis van de rechtbank. Tevens kent het Hof belanghebbende een vergoeding van immateriële schade toe wegens overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep. Proceskosten en griffierechten worden deels door de Staat en deels door de Inspecteur vergoed.

Uitkomst: Het Hof verklaart het hoger beroep van belanghebbende ongegrond, vernietigt het vonnis van de rechtbank en wijst de naheffingsaanslag BPM toe.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
nummers BK-ARN 24/77 en 24/184
uitspraakdatum: 17 februari 2026
Uitspraak van de tiende enkelvoudige belastingkamer
op de hoger beroepen van
[belanghebbende]te
[vestigingsplaats](hierna: belanghebbende) en
de
inspecteurvan de
Belastingdienst/Centrale Administratieve Processen/Team auto bpm(hierna: de Inspecteur)
tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank) van 7 december 2023, nummer ARN 22/2813 in het geding tussen belanghebbende, de Inspecteur en
de Staat (de
Minister van Justitie en Veiligheid;hierna: de Staat)

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: BPM) opgelegd van € 14.526.
1.2.
Belanghebbende heeft daartegen bezwaar gemaakt. De Inspecteur heeft in zijn uitspraak op bezwaar de naheffingsaanslag gehandhaafd.
1.3.
Belanghebbende heeft daartegen beroep ingesteld. De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard en de naheffingsaanslag verminderd tot € 11.776.
1.4.
Zowel belanghebbende als de Inspecteur heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.
1.5.
Het onderzoek ter zitting in hoger beroep heeft plaatsgevonden op 28 januari 2026. Namens belanghebbende is mr. S.M. Bothof verschenen. Namens de Inspecteur zijn mr. [naam1] en mr. [naam2] verschenen.
1.6.
Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat bij deze uitspraak is gevoegd.

2.Feiten

2.1.
Belanghebbende heeft een uit Duitsland afkomstige, gebruikte personenauto gekocht van het merk Ferrari (812 GTS – 6.5 V12 HELE; hierna: de auto). De datum van eerste toelating van de auto is 7 oktober 2020.
2.2.
De auto is op 19 april 2021 door de RDW goedgekeurd. De tenaamstelling in het Nederlandse kentekenregister heeft op 28 april 2021 plaatsgevonden.
2.3.
Belanghebbende heeft op 13 april 2021 voor de auto aangifte BPM gedaan naar een verschuldigd bedrag van € 54.368. De daarbij gehanteerde vermindering (afschrijving) heeft belanghebbende berekend aan de hand van een door [naam3] van [bedrijfsnaam] op 8 april 2021 opgesteld taxatierapport. Daarin is uitgegaan van een historische nieuwprijs van de auto van € 476.538, een handelsinkoopwaarde van € 287.708 en een bruto BPM van € 90.058. In het rapport is met betrekking tot de handelsinkoopwaarde het volgende vermeld:
‘(…)
In de markt zijn er geen referentievoertuigen gevonden die met een
handelsinkoopwaarde staan aangeboden. Derhalve zijn we voor het vaststellen
van de handelsinkoopwaarde uitgegaan van een in de handel gebruikelijke
koerslijst.’
(…)’.
In het rapport is een koerslijst van Eurotaxglass’s (hierna: Eurotax) opgenomen waarin een historische nieuwprijs (zonder opties) is vermeld van € 423.528 en een handelsinkoopwaarde van € 255.703 die als volgt is berekend:
Eurotax basiswaarde(04.2021) 289.373,00 EUR
Maandaanpassing 10.606,00 EUR
Kilometerbijstelling -2.050 km (4.248 km) 847,00 EUR
Correctie levering 0,00 EUR
Bijstelling marktsituatie -30.082,00 EUR
Bijstelling dealersituatie -15.041,00 EUR
Bijstelling aantal eigenaren 0 % 0,00 EUR
Totaal opties 0,00 EUR
Totaal waardeverhogende zaken 0,00 EUR
Inkoopwaarde (incl. BPM incl. BTW, margevoertuig) 255.703,00 EUR
Verder is als toelichting gegeven:
‘Afschrijvingspercentage koerslijst vaststellen:
(255.703 /423.528) x 100% = 60,37%
100% -/- 60,37% = 39,63% afschrijving
Afschrijving toegepast op huidige nieuwprijs:
476.538 -/- 39,63% =
€ 287.708,00’.
Ter nadere onderbouwing van de afschrijving is verder een vergelijking gemaakt met de afschrijving op een Bentley Continental GT, een Mercedes-Benz AMG GT Roadster, een Mercedes-Benz S-klasse Cabrio 63 AMG, een BMW 8-serie M8, een Porsche 911 Cabrio 3.8 Turbo S, en een Jaguar F-Type P575. De vergelijkingsgegevens zijn afkomstig uit een koerslijst.
2.4.
In het kader van de beoordeling van de aangifte van belanghebbende heeft de Inspecteur ( [naam4] van de Belastingdienst) op 29 april 2021 de volgende e-mail
aan [naam5] van Eurotax gestuurd:
“(..)
Ik heb om onderstaande feiten een vraag over de koerslijstwaarden die Eurotax geeft voor de
Ferrari 812 GTS;
Er staan slechts 10 voertuigen van het type Ferrari 812 GIS ingeschreven in het Nederlands
kentekenregister. Geen van deze voertuigen zijn na eerste inschrijving in het register ooit
van eigenaar gewisseld. Er kan dus geen informatie zijn met betrekking tot de
handelsinkoopwaarde die een ondernemer een particulier zou betalen. Om dezelfde reden
kan er dus ook geen koerslijstwaarde afgegeven zijn op basis van werkelijke
handelstransacties.
Autotelex en XRAY geven geen handelsinkoopwaarde voor dit voertuig af gezien de
exclusiviteit en onvoldoende marktinformatie.
Eurotax geeft wel een koerslijstwaarde maar zoals hierboven al vermeld kan die niet
gebaseerd zijn op werkelijke handelstransacties.
Bij een door mij ingesteld marktonderzoek valt op dat de vraagprijzen boven de
nieuwwaarde liggen. Navraag bij de importeur leert dat het aangegeven voertuig niet of
nauwelijks geleverd wordt en dat die levertijden de prijzen omhoog drijven. Van een
waardevermindering is dan ook geen sprake zeggen zij.
Mijn vraag is dan ook; Hoe komt Eurotax tot de gegeven handelsinkoopwaarden? Waar is de
handelsinkoopwaarde van dit specifieke merk en type voertuig op gebaseerd?
(…)’.
2.5.
Bij e-mail van 17 mei 2021 heeft [naam5] hierop als volgt geantwoord:
“(…).,
Hierbij geef ik graag toelichting op de vragen die u mij stelde.
Handelsinkoopwaarde (het bekomen tot):
exoten (zoals in uw specifieke voorbeeld),
• Voor exoten publiceren wij in feite geen handelsinkoopwaarden maar enkel richtprijzen.
• Deze richtprijzen zijn gegrond en zijn gebaseerd op marktconforme waarden.
• Daarnaast zijn deze richtprijzen enerzijds onze eigen (lees voor de Nederlandse markt)
historische cijfers en anderzijds de richtprijzen van de omliggende landen (zie voorbeeld in
bijlage UCC International).
• Daarin kunt u de richtprijzen van een aantal landen terugvinden en is de richtprijs voor de
Nederlandse markt gegrond.
• (…).
• Het gebruik van correctiefactoren (schuifjes) kwam reeds in het verleden ter discussie.
Deze schuifjes mogen idd gebruikt worden (zie het Arrest van de Hoge Raad) maar wij
betwijfelen wel het gebruik van deze schuifjes voor exoten.
• Hoe kan een handelaar gaan rechtvaardigen dat hij een exoot gaat inkopen en gelijktijdig
zeggen “mijn zaak draait slecht” (— dealer correctie) en/of zeggen dat de markt voor zo’n
voertuig zorgbarend is(- markt correctie).
• Voor exoten kunnen er gewoonweg geen schuifjes gebruikt worden.
• (…)
Uw concreet voorbeeld:
• In eerste plaats moet ik melden dat de verkregen handelsinkoopwaarde niet te
rechtvaardigen is.
• U geeft immers aan dat er bijstelling is ingebracht op zowel de marktsituatie als de
dealersituatie.
• Dat is in voorkomend voorbeeld niet mogelijk omwille van volgende argumentatie
• In een markt waar er geen voertuigen voorradig zijn, kan er geen
marktbijstelling ingebracht worden gezien dit voertuig nergens anders te
koop wordt aangeboden. Van een negatieve markt is hier dus geen sprake.
• (…)
• Daarnaast kan er geen bijstelling ingebracht worden op dealerniveau want
als een dealer dit type voertuig inkoopt, dan moet hij en kapitaalkrachtig
genoeg zijn en al een eindklant hebben.
• In uw voorbeeld worden de schuifjes dus niet correct gebruikt.
Als bijlage vindt u de berekening van zowel de inkoopwaarde als de verkoopwaarde
(beiden richtprijzen) terug zoals deze horen te zijn.
(…)”.
In de bijlage is in een koerslijst een handelsinkoopwaarde vermeld van € 300.826 en een historische nieuwprijs (zonder opties) van € 423.528.
2.6
In zijn kennisgeving van 26 mei 2021 tot het opleggen van de onderhavige naheffingsaanslag heeft de Inspecteur belanghebbende het volgende geschreven:
‘(…)
Naheffing BPM
U hebt bij deze aangifte een bedrag aan BPM van € 54.368 aangegeven en
betaald. Dit bedrag is lager dan het BPM-bedrag dat ik heb berekend. Ik ben
daarom van mening dat u te weinig belasting hebt betaald en ben van plan
u een naheffingsaanslag BPM op te leggen.
BPM-bedrag
Het verschil tussen het door u aangegeven bedrag aan BPM en het door
mij berekende bedrag, is als volgt te verklaren:
U hebt de werkelijke waarde van het aangegeven motorrijtuig gebaseerd
op de gegevens in een taxatierapport. Autotelex en XRAY geven geen
handelsinkoopwaarde voor dit voertuig af gezien de exclusiviteit en
onvoldoende marktinformatie. Eurotax geeft wel een koerslijstwaarde maar
deze is niet gebaseerd op werkelijke handelstransacties en kan derhalve niet
dienen. Hierdoor bent u meer belasting verschuldigd.
Berekening verschuldigde BPM
Het verschuldigde BPM-bedrag is € 68.894. Het verschil tussen de
verschuldigde BPM en de door u betaalde BPM is € 14.526. Voor dit
bedrag zal ik een naheffingsaanslag BPM opleggen.
(…)’.
2.7.
Met dagtekening 16 juli 2021 heeft de Inspecteur de onderhavige naheffingsaanslag ten bedrage van € 14.526 aan belanghebbende opgelegd. Daarbij is de Inspecteur uitgegaan van een bruto BPM van € 90.058 en de in aanmerking genomen afschrijving (vermindering) heeft hij berekend op basis van de forfaitaire tabel.
2.8.
Belanghebbende heeft op 27 juli 2021 bezwaar tegen de naheffingsaanslag aangetekend, echter tevergeefs. De Inspecteur heeft het bezwaar bij uitspraak op bezwaar van 11 februari 2022 ongegrond verklaard.
2.9.
De Rechtbank heeft het beroep van belanghebbende bij uitspraak van 7 december 2023 (ten dele) gegrond verklaard. De Rechtbank heeft de handelsinkoopwaarde van de auto in goede justitie bepaald op € 350.000 en om die reden de naheffingsaanslag verminderd tot € 11.776. De Rechtbank heeft belanghebbende voorts ten laste van de Inspecteur een (proces)kostenvergoeding voor bezwaar en beroep toegekend van in totaal € 2.266 en een griffierechtvergoeding van € 365. Daarnaast heeft de Rechtbank belanghebbende een vergoeding van immateriële schade toegekend van € 500, waarvan € 100 te vergoeden door de Inspecteur en € 400 door de Staat.
2.10.
Belanghebbende heeft op 27 december 2023 hoger beroep ingesteld, de Inspecteur op 16 januari 2024.

3.Geschil

In hoger beroep is in de kern in geschil of de naheffingsaanslag terecht aan belanghebbende is opgelegd. Belanghebbende beantwoordt die vraag ontkennend, de Inspecteur bevestigend. Ter zitting van het Hof heeft belanghebbende haar in het hogerberoepschrift vermelde gronden dat de bewijslast met betrekking tot de handelsinkoopwaarde van de auto op de Inspecteur rust, dat de forfaitaire afschrijvingstabel in strijd met artikel 110 VWEU Pro is en dat de Rechtbank in het kader van de proceskostenvergoeding ten onrechte geen punt voor het verzoek om vergoeding van immateriële schade heeft toegekend, uitdrukkelijk en ondubbelzinnig ingetrokken. Ter zitting van het Hof heeft belanghebbende voorts aanvankelijk het standpunt ingenomen dat zij (subsidiair) wil switchen naar de koerslijstmethode maar na een debat hierover heeft belanghebbende vervolgens uitdrukkelijk en ondubbelzinnig te kennen gegeven die switch niet te willen maken en dat zij de afschrijving bepleit op basis van de taxatiemethode.
De Inspecteur stelt dat de Rechtbank ten onrechte de handelsinkoopwaarde van de auto in goede justitie heeft bepaald.

4.Beoordeling van het geschil

4.1.
De Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (hierna: de Wet BPM voorziet in drie manieren waaruit de belastingplichtige mag kiezen om de vermindering (afschrijving) bedoeld in artikel 10, leden 1 en 2, van de Wet BPM aannemelijk te maken, te weten gebruikmaking van de in artikel 10, lid 6, van de Wet BPM bedoelde tabel (de forfaitaire afschrijvingstabel), de in artikel 10, lid 7, van de Wet BPM bedoelde koerslijstmethode, en – onder voorwaarden – de in artikel 10, lid 8, van de Wet BPM bedoelde taxatiemethode (HR 3 oktober 2025, ECLI:NL:HR:1472).
4.2.
Tussen partijen is niet in geschil dat hier de koerslijstmethode niet kan worden toegepast, omdat de auto (inclusief opties) niet voorkomt op een in de handel algemeen toegepaste koerslijst voor de inkoop van gebruikte auto’s door wederverkopers in Nederland (vgl. ook r.o. 4.2.4 van HR 3 oktober 2025, ECLI:NL:HR:1472).
4.3.
Dan moet de belastingplichtige kiezen tussen waardering op basis van de forfaitaire afschrijvingstabel of waardering met toepassing van de taxatiemethode. (vgl. ook r.o. 4.2.4 van HR 3 oktober 2025, ECLI:NL:HR:1472).
4.4.
Belanghebbende heeft in de aangifte – en nadien ook in de belastingprocedure – gekozen voor waardering met toepassing van de taxatiemethode. Volgens de Inspecteur is het door belanghebbende bij de aangifte overgelegde taxatierapport in dezen niet bruikbaar. Daarom heeft hij bij het opleggen van de naheffingsaanslag de vermindering op basis van de forfaitaire tabel bepaald.
4.5.
Wat betreft de toepassing van de taxatiemethode en de daarbij geldende bewijsregels verwijst het Hof naar het arrest HR 7 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:310.
4.6.
Dat de taxatiemethode als zodanig door belanghebbende mag worden toegepast is niet in geschil, aangezien de auto (met opties) als zodanig niet voorkomt op een in de handel algemeen toegepaste koerslijst voor de inkoop van gebruikte auto’s door wederverkopers in Nederland. De Inspecteur heef wel gemotiveerd betwist dat belanghebbende de door haar gehanteerde handelsinkoopwaarde van de auto en daarmee de door haar gehanteerde vermindering aannemelijk heeft gemaakt.
4.7.
Alsdan is het aan belanghebbende om de door haar bepleite vermindering aannemelijk te maken. In hoger beroep heeft belanghebbende, in afwijking van haar aangifte en taxatierapport, het standpunt ingenomen dat de handelsinkoopwaarde van de auto € 337.500 beloopt en niet € 287.708 zoals getaxeerd door haar taxateur. Belanghebbende erkent dat hier – in het taxatierapport – ten onrechte bijstellingen voor markt- en dealersituatie hebben plaatsgevonden. Hiermee erkent belanghebbende dat zij in zoverre niet in haar bewijslast is geslaagd.
4.8.
Belanghebbende heeft bedrag van € 337.500 afgeleid van de door de heer [naam5] aan de Inspecteur overgelegde koerslijst van Eurotax (zie 2.5), waarin een historische nieuwprijs van € 423.528 is vermeld en een inkoopwaarde van € 300.826. Op basis van deze bedragen heeft belanghebbende het afschrijvingspercentage berekend en dit percentage vervolgens toegepast op de nieuwprijs (met opties) van € 476.538. De Inspecteur heeft een en ander gemotiveerd bestreden.
4.9.
Nog daargelaten of deze werkwijze van belanghebbende binnen de taxatiemethode is toegestaan (het is immers niet de onafhankelijke, erkende taxateur zelf die de handelsinkoopwaarde in afwijking van het taxatierapport bijstelt maar de gemachtigde van belanghebbende en het gaat bovendien om gegevens die niet bij de aangifte zijn gebruikt), acht het Hof belanghebbende ook hiermee niet erin geslaagd te voldoen aan haar bewijslast inzake de door haar bepleite handelsinkoopwaarde van de auto. Gelijk de Inspecteur gemotiveerd heeft gesteld, is het Hof van oordeel dat de in de koerslijst vermelde inkoopwaarde van € 300.826 niet als uitgangspunt kan dienen voor het bepalen van een (bij benadering) reële waardedaling van de onderhavige auto. Gelet op de verklaring van [naam5] (zie 2.5) acht het Hof het niet aannemelijk dat de in de koerslijst vermelde handelsinkoopwaarde van € 300.826 (louter) is bepaald op de grondslag van daadwerkelijk in Nederland door wederverkopers betaalde inkoopprijzen. Het gaat immers om een richtprijs die mede tot stand is gekomen op basis van richtprijzen van andere landen dan Nederland. Reeds hierom kan niet worden gezegd dat het bedrag van € 300.826 bij benadering de werkelijke waarde vormt van de auto (zijnde de prijs die door een handelaar in Nederland wordt betaald bij aankoop van een particulier). Dat er, zoals belanghebbende heeft gesteld, in de periode tussen 2017 en 11 maart 2022 tenminste 84 transacties met Ferraries hebben plaatsgevonden, doet hieraan niet af. Verder verenigt het Hof zich met oordeel van de Rechtbank dat de (afschrijvings)gegevens van de in het taxatierapport vermelde referentie-auto’s niet bruikbaar zijn omdat die auto’s niet vergelijkbaar zijn met de auto.
4.10.
Het beroep van belanghebbende op het gelijkheidsbeginsel strandt ook. Nog daargelaten het antwoord op de vraag of de e-mail van [naam6] van de Belastingdienst van 22 oktober 2021 aan [naam7] als (begunstigend) beleid van de Inspecteur kan worden bestempeld waarop belanghebbende zich met succes kan beroepen, kan het niet anders zijn dan dat de in die e-mail bedoelde koerslijsten met vermelding ‘incourante en jonge voertuigen’ zien op koerslijsten die berusten op daadwerkelijk in Nederland door wederverkopers betaalde inkoopprijzen. En daarvan is hier geen sprake. Daarmee ontvalt, ook al vormt een koerslijst binnen de taxatiemethode slechts een uitgangspunt, het fundament aan de door belanghebbende nader bepleite handelsinkoopwaarde van € 337.500.
4.11.
Belanghebbende is, zo luidt de conclusie van het Hof, er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat toepassing van de taxatiemethode leidt tot de door haar (nader) verdedigde waardedaling. Haar hoger beroep treft geen doel.
4.12.
Het hoger beroep van de Inspecteur slaagt wel. Anders dan de Rechtbank heeft geoordeeld, is naar het oordeel van het Hof hier namelijk een waardebepaling in goede justitie door de rechter niet aan de orde. Weliswaar heeft de Hoge Raad in zijn arresten van 20 mei 2022, ECLI:2022:640 en 7 maart 2025, ECLI:2025:310 geoordeeld dat aan een waardebepaling van de handelsinkoopwaarde in goede justitie kan worden toegekomen, maar dat is het geval wanneer beide partijen de taxatiemethode toepassen voor het bepalen van de afschrijving van de auto en beide partijen dus een bepaalde handelsinkoopwaarde (taxatiewaarde) hebben verdedigd die beide volgens de rechter niet bruikbaar zijn voor het bepalen van de afschrijving. In deze zaak heeft de Inspecteur ter bepaling van de afschrijving echter gesteld dat het taxatierapport van belanghebbende in het geheel niet bruikbaar is en hij heeft zelf de afschrijving bepaald op basis van de forfaitaire tabel. Er is met andere woorden geen sprake van een door de Inspecteur verdedigde (niet-bruikbare) handelsinkoopwaarde van de auto.
Vergoeding immateriële schade
4.13.
Belanghebbende heeft in deze zaak verzocht om toekenning van een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep. In hoger beroep is de redelijke termijn van twee jaar overschreden, en wel met minder dan zes maanden. Dit betekent dat belanghebbende recht heeft op een vergoeding van € 500, te vergoeden door de Staat.
Slotsom
4.14.
Uit het hiervoor overwogene volgt dat het hoger beroep van belanghebbende ongegrond is en dat van de Inspecteur gegrond. Hetgeen partijen overigens nog hebben aangevoerd, doet aan deze conclusie niet af. Een en ander betekent dat het Hof de uitspraak van de Rechtbank zal vernietigen, behoudens de beslissing inzake de vergoeding van immateriële schade, en het beroep van belanghebbende bij de Rechtbank ongegrond zal verklaren. Verder heeft belanghebbende recht op een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep.

5.Griffierecht en proceskosten

Het Hof ziet geen grond voor vergoeding van het door belanghebbende voor het hoger beroep betaalde griffierecht. Wel heeft zij recht op een vergoeding van de proceskosten voor het hoger beroep wegens de toekenning van een vergoeding van immateriële schade, te betalen door de Staat. Het Hof stelt deze vergoeding voor kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 233,50 (1 x 0,25 x € 934).
Wat betreft de vergoeding van de proceskosten voor het beroep bij de Rechtbank zal het Hof die vergoeding – gelet op de handhaving van de beslissing van de Rechtbank inzake de vergoeding van immateriële schade – opnieuw vaststellen, waarbij het tarief van 2026 dient te worden gehanteerd. Die proceskostenvergoeding bedraagt € 233,50 (1 x 0,25 x € 934).
De door de Rechtbank toegekende vergoeding van het griffierecht is, gelet op het overgangsrecht in HR 31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:567 terecht, zij het dat die vergoeding niet volledig dient te worden betaald door de Inspecteur. Nu de overschrijding van de redelijke termijn in bezwaar en beroep zowel aan de Inspecteur als aan de Staat is toe te rekenen, dienen de vergoedingen van de proceskosten en het griffierecht worden betaald door de Inspecteur en de Staat, en wel ieder voor de helft (HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, r.o. 3.14.2). Dit betekent dat zowel de Inspecteur als de Staat aan belanghebbende moet vergoeden een bedrag van € 116,75 aan proceskosten en een bedrag van € 182,50 aan griffierecht.

6.Beslissing

Het Hof:
  • verklaart het hoger beroep van belanghebbende ongegrond,
  • verklaart het hoger beroep van de Inspecteur gegrond,
  • vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, behoudens de beslissing omtrent de vergoeding van immateriële schade,
  • verklaart het beroep bij de Rechtbank ongegrond,
  • veroordeelt de Staat tot vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende wegens overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep ten bedrage van € 500,
  • veroordeelt de Staat tot vergoeding van proceskosten aan de zijde van belanghebbende voor het hoger beroep, vastgesteld op € 233,50,
  • veroordeelt de Inspecteur tot vergoeding van proceskosten aan de zijde van belanghebbende voor het beroep, vastgesteld op de helft van € 233,50 is € 116,75,
  • veroordeelt de Staat tot vergoeding van proceskosten aan de zijde van belanghebbende voor het beroep, vastgesteld op de helft van € 233,50 is € 116,75,
  • gelast de Inspecteur aan belanghebbende te vergoeden de helft van het door belanghebbende in beroep bij de Rechtbank betaalde griffierecht van € 365 is € 182,50, en
  • gelast de Staat aan belanghebbende te vergoeden de helft van het door belanghebbende in beroep bij de Rechtbank betaalde griffierecht van € 365 is € 182,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. den Ouden, lid van de tiende enkelvoudige belastingkamer, in tegenwoordigheid van dr. J.W.J. de Kort als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 februari 2026,
De griffier, De raadsheer,
(J.W.J. de Kort) (R. den Ouden)
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.