ECLI:NL:GHARL:2026:1005

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
17 februari 2026
Publicatiedatum
20 februari 2026
Zaaknummer
24/45
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:1 AwbArt. 6:162 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen naheffingsaanslag BPM wegens waardebepaling auto

Belanghebbende kreeg een naheffingsaanslag BPM opgelegd van €6.154 wegens een te laag opgegeven BPM-bedrag bij import van een Chevrolet Camaro uit Canada. De Inspecteur baseerde de naheffing op een waardebepaling door Domeinen Roerende Zaken (DRZ), die de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat op €15.066 stelde.

Belanghebbende betwistte deze waarde en stelde een lagere waarde van €4.476 voor, gebaseerd op een taxatierapport met een referentievoertuig van een ander merk en hogere nieuwprijs. Het geschil spitste zich toe op de juiste handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat.

Het Hof oordeelde dat noch de door belanghebbende noch de door de Inspecteur verdedigde waardes bruikbaar waren vanwege onvoldoende vergelijkbaarheid en onvoldoende onderbouwing. Het Hof bepaalde in goede justitie de handelsinkoopwaarde op €13.000, leidend tot een vermindering van de naheffingsaanslag tot €4.916.

Daarnaast kende het Hof belanghebbende een vergoeding immateriële schade toe wegens overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep en veroordeelde de Inspecteur in proceskosten en griffierecht. Het hoger beroep werd daarmee gegrond verklaard en de uitspraak van de Rechtbank vernietigd.

Uitkomst: Het Hof vermindert de naheffingsaanslag BPM tot €4.916 en veroordeelt de Staat en Inspecteur tot vergoeding van immateriële schade en proceskosten.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
nummer BK-ARN 24/45
uitspraakdatum: 17 februari 2026
Uitspraak van de tiende enkelvoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[belanghebbende]te
[woonplaats](hierna: belanghebbende)
tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank) van 29 november 2023, nummer AWB 21/5088, in het geding tussen belanghebbende en
de
inspecteurvan de
Belastingdienst/Centrale Administratieve Processen/ Team auto bpm(hierna: de Inspecteur) en
de
Staat der Nederlanden(Minister van Justitie en Veiligheid; hierna: de Staat)

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: BPM) opgelegd van € 6.154.
1.2.
Belanghebbende heeft daartegen bezwaar gemaakt. De Inspecteur heeft in zijn uitspraak op bezwaar de naheffingsaanslag gehandhaafd.
1.3.
Belanghebbende heeft daartegen beroep ingesteld. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.
1.5.
De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
1.6.
Het onderzoek ter zitting in hoger beroep heeft plaatsgevonden op 28 januari 2026. Namens belanghebbende is mr. S.M. Bothof verschenen. Namens de Inspecteur zijn mr. [naam1] en mr. [naam2] verschenen.

2.Vaststaande feiten

2.1.
Belanghebbende heeft in Canada een personenauto van het merk Chevrolet USA type Camaro – 3.6 RS gekocht (hierna: de auto) voor een prijs van € 17.000. De datum van eerste toelating van de auto is 1 juli 2014. Het vermogen van de auto is 241 kW en het (ledig) gewicht 1.618 kg.
2.2.
Belanghebbende heeft op 9 september 2020 voor de auto aangifte BPM gedaan naar een verschuldigd bedrag van € 729 (maar er is € 725 voldaan). Daarbij is uitgegaan van een historische bruto BPM van € 45.927 (gebaseerd op een CO2-uitstoot van 266 gr/km). De gehanteerde vermindering (afschrijving) heeft belanghebbende berekend aan de hand van een door [naam3] van [bedrijfsnaam] op 3 augustus 2020 opgesteld taxatierapport. In dat rapport is de taxateur uitgegaan van een handelsinkoopwaarde van de auto in onbeschadigde staat van € 4.476. Hierop is 72% van de door de taxateur gecalculeerde schade van € 4.572 (is € 3.292) in mindering gebracht zodat de handelsinkoopwaarde van de auto in beschadigde staat in het taxatierapport uitkomt op € 1.184. In het taxatierapport is vermeld dat de historische nieuwprijs inclusief opties € 74.607 beloopt. De afschrijving is door de taxateur mede bepaald aan de hand van een in een koerslijst van XRAY opgenomen Cadillac ATS Coupé met een historische nieuwprijs van € 124.729, een CO2-uitstoot van 260 gr/km en een vermogen van 346 kW.
2.3.
Belanghebbende heeft de auto op 16 september 2020 op verzoek van de Inspecteur getoond bij Domeinen Roerende Zaken (hierna: DRZ). DRZ heeft op basis van het onderzoek met dagtekening 3 december 2020 een rapport opgesteld. In het rapport is vermeld dat voor de auto geen handelsinkoopwaarde op basis van een koerslijst beschikbaar is. De handelsinkoopwaarde van de auto in onbeschadigde staat is door DRZ bepaald volgens een individuele waardebepaling op basis van een onderzoek naar vraagprijzen van referentievoertuigen (te weten vier auto’s van het merk Chevrolet en type Camaro Coupe). De handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat bedraagt volgens DRZ € 15.066. DRZ heeft voorts een bedrag van € 5.007 aan meer dan normale gebruiksschade vastgesteld en 72% daarvan (is € 3.605) als waardevermindering in aanmerking genomen, zodat de handelsinkoopwaarde in beschadigde staat volgens DRZ € 11.461 bedraagt. De historische nieuwprijs van de auto bedraagt volgens DRZ € 76.480.
2.4.
De Inspecteur heeft de bevindingen van voornoemd DRZ-rapport overgenomen en op basis daarvan geconcludeerd dat belanghebbende ter zake van de auto een te laag bedrag aan BPM op aangifte heeft voldaan. Volgens de Inspecteur bedraagt op basis van het DRZ-rapport de door belanghebbende verschuldigde BPM een bedrag van € 6.879. Daarom heeft hij een bedrag van € 6.154 (€ 6.879 -/- € 725) nageheven.
2.5.
Belanghebbende heeft op 18 februari 2021 bezwaar tegen de naheffingsaanslag aangetekend. Bij uitspraak op bezwaar van 16 september 2021 heeft de Inspecteur de naheffingsaanslag gehandhaafd.
2.6.
De Rechtbank heeft het daartegen ingestelde beroep bij uitspraak van 29 november 2023 ongegrond verklaard. Wel heeft de Rechtbank (ten laste van de Staat en de Inspecteur) belanghebbende vergoedingen van immateriële schade (hierna: VIS), proceskosten en griffierecht toegekend.
2.7.
Belanghebbende heeft op 20 december 2023 hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de Rechtbank.
2.8.
De Inspecteur heeft in hoger beroep een koerslijst van AutotelexPro betreffende een Cadillac ATS Coupé – 3.6 V-Series overgelegd waarin een handelsinkoopwaarde van € 41.968 is vermeld en een historische nieuwprijs van € 127.061. Het vermogen van het referentievoertuig is 346kW en het gewicht 1775 kg.

3.Geschil

3.1.
In geschil is of de naheffingsaanslag terecht aan belanghebbende is opgelegd, welke vraag belanghebbende ontkennend en de Inspecteur bevestigend beantwoordt. Het geschil spitst zich toe op de handelsinkoopwaarde van de auto in onbeschadigde staat. Belanghebbende bepleit een waarde van € 4.476 en de Inspecteur een waarde van € 15.066. De bruto-BPM, de historische nieuwprijs, de bruto-schade en het toe te passen percentage voor de waardevermindering wegens schade zijn tussen partijen niet in geschil.
3.2.
Belanghebbende heeft ter zitting van het Hof aanspraak gemaakt op een VIS wegens overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep.
3.3.
Ter zitting van het Hof heeft belanghebbende zijn grief – kort gezegd – dat afschrijving op basis van een koerslijst voorrang heeft op een afschrijving op basis van een marktonderzoek (bladzijde 3 van het hogerberoepschrift) uitdrukkelijk en ondubbelzinnig ingetrokken.

4.Beoordeling van het geschil

Taxatiemethode
4.1.
Nu tussen partijen niet in geschil is dat de auto niet voortkomt op een in de handel algemeen toegepaste koerslijst voor de inkoop van gebruikte auto’s door wederverkopers in Nederland en beide partijen bovendien ervan zijn uitgegaan dat de auto meer dan normale gebruiksschade heeft, kan de afschrijving met betrekking tot de auto worden bepaald op basis van de taxatiemethode.
4.2.
Bij toepassing van de taxatiemethode kan de taxateur als referentie voor het bepalen van de taxatiewaarde van de gebruikte auto in kwestie mede gebruik maken van de handelsinkoopwaarde van een vergelijkbare auto in gebruikte staat zoals opgenomen in een in de handel algemeen toegepaste koerslijst. In dat geval is de in een koerslijst opgenomen handelsinkoopwaarde slechts een uitgangspunt. De getaxeerde waarde zal dan van die koerslijstwaarde verschillen vanwege meer dan normale gebruiksschade en/of andere bijzondere of afwijkende kenmerken en eigenschappen van de te waarderen auto ten opzichte van gebruikte auto’s zoals deze in de regel op de binnenlandse markt worden ingekocht. Dergelijke kenmerken en eigenschappen leiden tot een bij de taxatie in aanmerking te nemen verschil ten opzichte van de koerslijstwaarde voor zover zij in die waarde niet of niet volledig zijn verdisconteerd. De invloed van dergelijke kenmerken en eigenschappen kan zowel waardedrukkend als waardeverhogend zijn (vgl. HR 7 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:310).
4.3.
Tegenover de gemotiveerde betwisting door de Inspecteur, is het aan belanghebbende om aannemelijk te maken dat de door hem ter bepaling van de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat van de auto gehanteerde koerslijst van XRAY bruikbaar is als uitgangspunt voor de bepaling van de afschrijving. Naar het oordeel van het Hof is belanghebbende daarin niet geslaagd. Nog daargelaten dat het in de koerslijst opgenomen referentievoertuig een ander merk dan de auto betreft, maken het aanzienlijke verschil tussen de nieuwprijs van de auto (€ 74.607) en die van de referentieauto (€ 124.729) en het aanzienlijke verschil in vermogen (241 kW versus 346 kW) dat de in het taxatierapport opgenomen koerslijst van de referentieauto naar het oordeel van het Hof onvoldoende vergelijkbaar is met de auto van belanghebbende, om – in het kader van de taxatiemethode – te kunnen worden gebruikt ter bepaling van de handelsinkoopwaarde. Daarom is de door belanghebbende verdedigde handelsinkoopwaarde van de auto hier niet bruikbaar.
4.4.
Dat geldt evenzeer voor de door DRZ en de Inspecteur bepaalde handelsinkoopwaarde van de auto in onbeschadigde staat van € 15.066. In dit verband moet worden benadrukt dat de gezochte handelsinkoopwaarde van de te registreren auto wordt gevormd door de prijs waarvoor de referentieauto door een handelaar van een particulier wordt aangekocht (zie onder meer HR 27 januari 2017, ECLI:NL:HR:2017:45). Om die prijs te bepalen is de door DRZ gehanteerde methode van een ‘referentie-voertuigenonderzoek’ weliswaar niet onbruikbaar maar in dit geval zijn, zonder nadere deugdelijke toelichting die ontbreekt, de gehanteerde marges voor de ‘afslagen’ van vraag- naar verkoopprijs en voor de winstmarge onvoldoende aannemelijk gemaakt om de conclusie te rechtvaardigen dat de handelsinkoopwaarde van de auto in onbeschadigde staat € 15.066 bedraagt.
4.5.
Omdat zowel de door belanghebbende als de door de Inspecteur (DRZ) verdedigde handelsinkoopwaarde van de auto in onbeschadigde staat niet bruikbaar is voor het bepalen van de afschrijving ervan, zal het Hof de handelsinkoopwaarde van de auto in onbeschadigde staat in goede justitie bepalen (vgl. HR 20 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:640, HR 7 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:310 en Hof Arnhem-Leeuwarden 26 september 2023, ECLI:GHARL:2023:8227). Gelet op de beschikbare informatie in het dossier en op hetgeen partijen over en weer ter zitting hebben aangevoerd, schat het Hof de handelsinkoopwaarde van de auto in onbeschadigde staat in goede justitie op € 13.000. Hierbij verdient nog opmerking dat de door de Inspecteur in hoger beroep overgelegde koerslijst evenmin bruikbaar is, gelet op de verschillen tussen het daarin opgenomen referentievoertuig en de auto wat betreft merk, historische nieuwprijs, gewicht en vermogen. Ook de door belanghebbende betaalde aankooprijs van de auto werpt in dit geval onvoldoende licht op de gezochte handelsinkoopwaarde, aangezien niet duidelijk is geworden wanneer de koopovereenkomst met betrekking tot de auto door belanghebbende is gesloten en de prijs op de Canadese markt is bepaald.
4.6.
Dit betekent dat de handelsinkoopwaarde van de auto in beschadigde staat € 9.395 beloopt (€ 13.000 -/- € 3.605). De door belanghebbende verschuldigde BPM bedraagt dan € 5.641 ((€ 9.395/€ 76.480) x € 45.927). Dit betekent dat de naheffingsaanslag moet worden verminderd tot € 4.916 (€ 5.641 -/- € 725).
Vergoeding immateriële schade
4.7.
Belanghebbende heeft in deze zaak verzocht om toekenning van een VIS wegens overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep. In hoger beroep is de redelijke termijn van twee jaar overschreden, en wel met minder dan zes maanden. Dit betekent dat belanghebbende recht heeft op een vergoeding van € 500, te vergoeden door de Staat.
Slotsom
Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep gegrond. Hetgeen partijen overigens nog hebben aangevoerd, doet aan deze conclusie niet af.

5.Griffierecht en proceskosten

5.1.
Nu het Hof het hoger beroep van belanghebbende gegrond verklaart, dient de Inspecteur aan belanghebbende het voor het hoger beroep betaalde griffierecht van € 274 te vergoeden. De Rechtbank heeft belanghebbende reeds een vergoeding van het door hem in beroep betaalde griffierecht van € 181 toegekend. Het Hof laat die beslissing in stand.
5.2.
Het Hof ziet voorts aanleiding de Inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende voor de behandeling van het bezwaar, het beroep en het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken.
5.3.
Het Hof stelt deze kosten overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht en berekend naar de tarieven van 2026 vast op € 1.332 voor de kosten in de bezwaarfase (2 punten (bezwaarschrift en hoorzitting) x wegingsfactor 1 x € 666), € 1.868 voor de kosten in beroep (2 punten (beroepschrift, bijwonen zitting) x wegingsfactor 1 x € 934) en € 1.868 voor de kosten in hoger beroep (2 punten (hogerberoepschrift, bijwonen zitting) x wegingsfactor 1 x € 934), ofwel in totaal op € 5.068. In dit geval – bij een gegrond (hoger) beroep - – worden geen afzonderlijke punten toegekend in het kader van de VIS. Omdat de Staat noch de Inspecteur hoger beroep heeft ingesteld, laat het Hof de beslissingen van de Rechtbank inzake de vergoeding van proceskosten aan belanghebbende door de Staat ten bedrage van € 418,50 en door de Inspecteur ten bedrage van € 418,50 in stand. De som van deze bedragen, € 837, komt in mindering op het bedrag van € 5.068, zodat de Inspecteur in totaal (aanvullend) een bedrag van € 4.231 aan belanghebbende dient te vergoeden.

6.Beslissing

Het Hof:
– vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, behoudens de beslissingen omtrent de vergoeding van immateriële schade, de veroordelingen van de Staat en de Inspecteur in de proceskosten en de vergoeding van het griffierecht,
– verklaart het bij de Rechtbank ingestelde beroep gegrond,
– vernietigt de uitspraak van de Inspecteur,
– vermindert de naheffingsaanslag tot € 4.916,
– veroordeelt de Staat tot vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende tot een bedrag van € 500,
– veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van in totaal € 4.231, en
– gelast dat de Inspecteur aan belanghebbende het voor het hoger beroep betaalde griffierecht vergoedt van € 274.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. den Ouden, lid van de tiende enkelvoudige belastingkamer, in tegenwoordigheid van dr. J.W.J. de Kort als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 februari 2026.
De griffier, De raadsheer,
(J.W.J. de Kort) (R. den Ouden)
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.