ECLI:NL:GHARL:2025:8561

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
23 december 2025
Publicatiedatum
23 december 2025
Zaaknummer
200.348.027
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Tussenuitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:942 lid 2 BWArt. 7:952 BWArt. 7:959 lid 1 BWArt. 3:37 lid 3 BWArt. 3:61 lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep over verjaring en bewijs volmacht bij schadeclaims onder reis- en woonverzekering

In deze civiele zaak staat centraal of schadeclaims van appellante onder haar doorlopende reis- en woongarantverzekering bij Achmea zijn verjaard en of Achmea gehouden is tot vergoeding. Appellante vordert vergoeding van schade aan brillenglazen, een vermiste slavenarmband, gestolen laptops en tas met kleding, expertisekosten en waterschade.

De kantonrechter wees de vorderingen af wegens verjaring en gebondenheid aan een akte van taxatie. In hoger beroep betoogt appellante dat zij de verjaring tijdig heeft gestuit met meerdere schriftelijke mededelingen, waaronder e-mails aan Achmea. Het hof oordeelt dat de verjaring inderdaad tijdig is gestuit, mede omdat een eerdere gerechtelijke erkenning door appellante wegens dwaling niet aan haar kan worden tegengeworpen.

De vordering voor de slavenarmband en de gestolen laptops en tas wordt afgewezen wegens onvoldoende bewijs van een verzekerd evenement. De schade aan brillenglazen wordt deels toegewezen tot maximaal € 200,- conform polisvoorwaarden. De vordering voor expertisekosten wordt afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing van redelijkheid. Voor de waterschade wordt een bewijsopdracht gegeven over de ontvangst van een e-mail die de volmacht van de contra-expert zou intrekken. De zaak wordt aangehouden voor nadere bewijslevering en getuigenverhoor.

Uitkomst: De verjaring is tijdig gestuit, de vordering voor brillenglazen wordt deels toegewezen, overige vorderingen afgewezen, en bewijsopdracht over ontvangst e-mail volmacht wordt toegelaten.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof: 200.348.027
(zaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Apeldoorn: 10673706)
arrest van 23 december 2025
in de zaak van
[appellante]
die woont in [woonplaats]
hierna: [appellante]
advocaat: mr. B.C.R. Zalm
en
Achmea Schadeverzekeringen N.V., mede handelend onder de naam Centraal Beheer
die is gevestigd in Apeldoorn
hierna: Achmea
advocaat: mr. R.H.J. Wildenburg

1.Het verloop van de procedure in hoger beroep

Naar aanleiding van het arrest van 12 augustus 2025 heeft op 2 oktober 2025 een mondelinge behandeling bij één raadsheer van het gerechtshof (hierna: hof) plaatsgevonden. Daarvan is een verslag gemaakt dat aan het dossier is toegevoegd (het proces-verbaal). Hierna hebben partijen het hof gevraagd opnieuw arrest te wijzen.

2.De kern van de zaak

2.1.
[appellante] heeft meerdere schadeclaims ingediend onder de doorlopende reisverzekering en woongarantverzekering van Achmea. De claims zien op waterschade in de woning van [appellante] , schade aan een iPhone, een vermiste slavenarmband, beschadigde brillenglazen, een beschadigde Samsung telefoon, diefstal van twee laptops en een tas met kleding uit de woning van [appellante] en door [appellante] gemaakte expertisekosten. Volgens [appellante] heeft Achmea niet voldaan aan haar verplichting om tot (volledige) uitkering over te gaan. In deze procedure maakt zij daarop alsnog aanspraak.
Het geschil en de beslissing bij de kantonrechter
2.2.
[appellante] heeft bij de kantonrechter gevorderd Achmea te veroordelen tot betaling van € 23.365,50. Daarnaast heeft [appellante] de kantonrechter gevraagd Achmea te veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten van € 1.164,- en proceskosten.
2.3.
De kantonrechter heeft deze vorderingen afgewezen. Volgens de kantonrechter zijn partijen ten aanzien van de waterschade en schade aan de iPhone gebonden aan de akte van taxatie waarin de omvang van de schade is vastgesteld door experts (die door partijen bij akte zijn benoemd). Achmea heeft dit volledige bedrag al betaald aan [appellante] , aldus de kantonrechter. Ook ten aanzien van de Samsung telefoon heeft de kantonrechter geoordeeld dat Achmea al tot vergoeding van de schade is overgaan. Voor wat betreft de schadeclaims die zien op de armband, brillenglazen en diefstal zijn volgens de kantonrechter de vorderingen verjaard en kan [appellante] geen aanspraak meer maken op vergoedingen. Dit geldt ook voor de vordering van [appellante] die ziet op de door haar gemaakte expertisekosten, aldus de kantonrechter.
De vorderingen in hoger beroep
2.4.
Met vier klachten (grieven) is [appellante] in hoger beroep gekomen tegen het vonnis van de kantonrechter, waarmee zij wil bereiken dat het vonnis van de kantonrechter wordt vernietigd en haar (in hoger beroep vermeerderde) vorderingen worden toegewezen. Tegen het oordeel van de kantonrechter over de Samsung telefoon is [appellante] niet opgekomen. Deze vordering maakt dus geen onderdeel meer uit van het hoger beroep. Datzelfde geldt voor de schadeclaim ten aanzien van de iPhone. Tijdens de mondelinge behandeling bij het hof heeft [appellante] namelijk aangegeven dat deze vordering komt te vervallen.

3.De toelichting op de beslissing van het hof

De relevante feiten
3.1.
[appellante] heeft in 1993 een woongarantverzekering en in 1999 een doorlopende reisverzekering afgesloten bij Achmea.
3.2.
In de periode van juli 2014 tot en met september 2014 heeft [appellante] meerdere schadeclaims ingediend op de woongarantverzekering en de doorlopende reisverzekering. Het gaat om onder andere schadeclaims die zien op de vermissing van een slavenarmband (€ 1.000,-), beschadigde brillenglazen (€ 562,-), twee uit de woning van [appellante] gestolen laptops en een tas met kleding (€ 4.483,43) en een claim in verband met waterschade in haar woning in verband met een kapotte waterleiding (hierna kortweg: waterschade).
3.3.
Op 29 januari 2015 heeft Achmea per e-mail de schadeclaims met betrekking tot de slavenarmband, brillenglazen en laptops en tas met kleding afgewezen.
3.4.
Voor de uiteindelijke beoordeling van de hoogte van de waterschade hebben partijen beiden een schade-expert ingeschakeld. Achmea heeft ervoor gekozen de heer [naam1] verbonden aan Achmea Claims Organisatie (hierna: [de schade-expert van Achmea] ) in te schakelen. [appellante] heeft aanvankelijk Schadecoach ingeschakeld, maar omdat partijen geen overeenstemming konden bereiken over de te benoemen arbiter heeft Achmea het standpunt ingenomen dat zij Schadecoach niet langer accepteert als contra-expert. [appellante] heeft daarop [naam2] (hierna: [de contra-expert] ) van Krantz & Polak Resolve (hierna: Krantz & Polak) ingeschakeld als contraexpert.
3.5.
Voor het inschakelen van Schadecoach heeft [appellante] kosten gemaakt (hierna: expertisekosten). Volgens [appellante] gaat het om een bedrag van € 5.200,58. Bij e-mail van 29 juni 2015 heeft Achmea laten weten dat zij met betrekking tot die kosten alleen de redelijke kosten voor het vaststellen van de schade vergoedt, wat uiteindelijk heeft geresulteerd in een vergoeding van € 1.400,-.
3.6.
Op 21 oktober 2015 is een akte van benoeming van experts ondertekend, waarbij Krantz & Polak en [de schade-expert van Achmea] zijn benoemd als experts voor respectievelijk [appellante] en Achmea. In de akte is opgenomen dat de experts een taxatie zullen maken van de grootte van de schade als “uitsluitend bewijs van de grootte van de schade”.
3.7.
Bij akte van taxatie van 17 december 2015 hebben Krantz & Polak en [de schade-expert van Achmea] gezamenlijk de hoogte van onder andere de waterschade vastgesteld. Het gaat om een totaalbedrag van € 11.736,10, waarvan € 10.836,10 aan waterschade.
3.8.
Op 20 augustus 2018 heeft [appellante] per aangetekende brief aan Achmea geschreven dat zij de verjaring stuit ten aanzien van (voor zover nu nog van belang) de aanspraak op vergoeding voor de slavenarmband, de brillenglazen, de diefstal van de twee laptops en tas met kleding en de waterschade.
Schadeclaims met betrekking tot de vermiste slavenarmband, beschadigde brillenglazen, de gestolen laptops en tas met kleding en de expertisekosten
3.9.
Met de grieven 3 en 4 komt [appellante] op tegen het oordeel van de kantonrechter (in r.o. 4.2.1. van het vonnis) dat [appellante] met haar brief van 20 augustus 2018 voor het eerst een handeling heeft verricht ter stuiting van de verjaring, maar dat op dat moment de vorderingen ten aanzien van de vermiste slavenarmband, beschadigde brillenglazen, gestolen laptops en tas met kleding al waren verjaard. Verder komt [appellante] met deze grieven op tegen het oordeel van de kantonrechter in r.o. 4.4 van het vonnis) dat zij het verjaringsverweer van Achmea tegen de expertisekosten onvoldoende gemotiveerd heeft weersproken. [appellante] verwijst naar meerdere e-mails die zij in het hoger beroep heeft overgelegd, waaruit volgens haar zou volgen dat zij de verjaring wel tijdig heeft gestuit.
3.10.
Achmea betwist dat [appellante] tijdig de verjaring heeft gestuit. Volgens haar hebben de door [appellante] overgelegde e-mails Achmea niet bereikt, zijn de berichten niet gericht aan de betrokken schadebehandelaar of bevatten de berichten niet de ondubbelzinnige mededeling die is vereist om een aanspraak op uitkering te stuiten. Bovendien heeft [appellante] bij de kantonrechter erkend dat zij pas voor het eerst de verjaring heeft gestuit bij brief van 20 augustus 2018, aldus Achmea. Achmea beroept zich dan ook ten aanzien van de slavenarmband, brillenglazen, de laptops en tas met kleding op artikel 154 Rv Pro jo. artikel 353 Rv Pro en stelt dat sprake is van een gerechtelijke erkentenis, waarop [appellante] niet meer kan terugkomen in het hoger beroep.
Aanvang en einde verjaringstermijnen
3.11.
Voor de beoordeling van de vorderingen van [appellante] en de daarop volgende verweren en betwistingen van Achmea, is allereerst van belang om vast te stellen op welk moment de verjaringstermijnen zijn aangevangen en wanneer deze (zonder stuiting) zouden zijn geëindigd.
3.12.
Tussen partijen is niet in geschil wanneer de verjaringstermijnen zijn aangevangen en wanneer deze (zonder stuiting) zouden zijn geëindigd. Voor de slavenarmband, brillenglazen en laptops en tas met kleding geldt dat de verjaringstermijn van drie jaren (opnieuw) is gaan lopen op 30 januari 2015 (de dag na de dag waarop Achmea de schadeclaims ondubbelzinnig bij e-mail heeft afgewezen; artikel 7:942 lid 2 BW Pro). Dat betekent dat de verjaringstermijn ten aanzien van voornoemde vorderingen (zonder stuiting) is verstreken op 30 januari 2018. Voor de vordering van [appellante] met betrekking tot de expertisekosten geldt dat beide partijen ervan uitgaan dat de verjaringstermijn is gaan lopen op 30 juni 2015 (de dag na de dag waarop Achmea heeft aangegeven dat zij enkel de redelijke kosten voor het vaststellen van de schade zal vergoeden) en dat dus (zonder stuiting) op 30 juni 2018 de verjaringstermijn is verstreken.
3.13.
Vervolgens is de vraag of, en zo ja wanneer [appellante] de verjaringen met succes heeft gestuit en dus of [appellante] nog aanspraak kan maken op vergoedingen. Gelet op het verweer van Achmea, zal allereerst beoordeeld worden of sprake is van een gerechtelijke erkentenis ten aanzien van het eerste moment van stuiting van de verjaring inzake de slavenarmband, brillenglazen en de laptops en de tas met kleding.
Is sprake van een gerechtelijke erkentenis?
3.14.
Volgens artikel 154 Rv Pro is van een gerechtelijke erkentenis sprake als in een aanhangig geding door een partij uitdrukkelijk de waarheid van een of meer stellingen van de wederpartij wordt erkend. Daartoe is vereist dat die erkenning uitdrukkelijk en, mede met het oog op de slechts zeer beperkte gronden waarop de erkenning volgens het tweede lid van dat artikel kan worden herroepen, ondubbelzinnig betrekking heeft op de waarheid van de betrokken stellingen. [1] Een gerechtelijke erkentenis geldt zowel binnen de instantie waarin zij is afgelegd, als in de volgende instanties (hoger beroep en cassatie). Op grond van het tweede lid van artikel 154 Rv Pro kan een dergelijke erkentenis alleen worden herroepen, als aannemelijk is dat zij door dwaling of niet in vrijheid is afgelegd.
3.15.
Het hof overweegt als volgt. Bij de kantonrechter heeft Achmea het standpunt ingenomen dat [appellante] na afwijzing van de claims de verjaring niet (tijdig) opnieuw heeft gestuit. Achmea heeft in de conclusie van antwoord gesteld dat [appellante] weliswaar op 20 augustus 2018 een stuitingsbrief heeft gestuurd, maar dat op dat moment alle claims al waren verjaard. Daarmee heeft Achmea feitelijk aangevoerd dat [appellante] niet eerder dan 20 augustus 2018 de verjaringen heeft gestuit (zij het dus zonder effect). [appellante] heeft vervolgens in haar akte van eisvermeerdering onder randnummer 10, voor zover van belang, het volgende naar voren gebracht:
‘Eiseres heeft drie keer de vordering gestuit, zie de producties. Eerste stuiting dateert van 20 augustus 2018 (DV productie 3) (..)’
3.16.
Voor zover het bovenstaande al als een gerechtelijke erkentenis gekwalificeerd moet worden, begrijpt het hof [appellante] op zit punt zo dat zij een beroep op dwaling doet. [appellante] heeft namelijk in haar memorie van grieven naar voren gebracht dat zij in eerste aanleg weliswaar heeft aangevoerd dat de brief van 20 augustus 2018 de eerste stuiting was, maar dat (haar) gaandeweg de procedure is gebleken dat dit niet het geval is. Het hof acht aannemelijk, zoals ook door [appellante] is gesteld, dat zij gelet op de omvang van het dossier en de vele correspondentie de eerdere stuitingen over het hoofd heeft gezien. Het beroep op dwaling (in de zin van artikel 154 lid 2 Rv Pro) slaagt dan ook, waardoor [appellante] (als al sprake is van een gerechtelijke erkentenis) niet aan haar uitlating gehouden kan worden.
Heeft [appellante] de verjaringen tijdig gestuit?
3.17.
Nu geen sprake is van een gerechtelijke erkentenis, is de vraag of [appellante] , zoals door haar wordt gesteld, de verjaringen met betrekking tot de aanspraak op vergoeding van de armband, brillenglazen, de laptops en tas met kleding en de expertisekosten tijdig heeft gestuit.
3.18.
Op grond van artikel 7:942 lid 2 BW Pro wordt een verjaring gestuit door een schriftelijke mededeling, waarbij op uitkering aanspraak wordt gemaakt. Er begint vervolgens niet zomaar een nieuwe verjaringstermijn te lopen. Daarvoor is noodzakelijk dat de verzekeraar de aanspraak schriftelijk erkent of ondubbelzinnig afwijst. [2] Die nieuwe verjaringstermijn na afwijzing kan vervolgens door de verzekerde weer worden gestuit met een nieuwe schriftelijke aanspraak.
3.19.
[appellante] heeft meerdere e-mails overgelegd waaruit volgens haar zou blijken dat zij de verjaring tijdig heeft gestuit. Eén van die e-mails is de e-mail van 3 maart 2016 aan de heer [naam3] (voormalig bestuursvoorzitter van Achmea). In deze e-mail heeft [appellante] , voor zover van belang, het volgende geschreven:
‘Ik hoor graag per omgaande van u hoe u denkt om te gaan met mijn schademeldingen (..)’.
3.20.
Anders dan Achmea heeft aangevoerd, is het hof van oordeel dat deze e-mail als geldige stuitingshandeling aangemerkt moet worden. In de mededeling van [appellante] in de e-mail aan [de voormalig bestuursvoorzitter van Achmea] ligt met een voldoende mate van duidelijkheid besloten dat zij nog steeds aanspraak maakt op uitkering door Achmea en dat zij dus de verjaringen stuit. Achmea heeft nog betoogd dat [appellante] geen ondubbelzinnig beroep heeft gedaan op uitkering onder de verzekering en dat de stuitingshandeling daarom niet rechtsgeldig is. Het hof volgt haar hierin niet. Voor een stuiting conform artikel 7:942 lid 2 BW Pro is namelijk niet een ondubbelzinnig beroep op uitkering vereist.
Nu Achmea de ontvangst van de e-mail van 3 maart 2016 niet heeft betwist, heeft [appellante] gelet op hetgeen in rechtsoverweging 3.12 is overwogen, daarmee zowel de verjaring van de armband, brillenglazen en laptops en tas met kleding (aanvang verjaringstermijn op 30 januari 2015) als de verjaring van de expertisekosten (aanvang verjaringstermijn op 30 juni 2015) tijdig gestuit.
3.21.
Tussen partijen staat vast dat Achmea vervolgens op 8 oktober 2018 de vorderingen van [appellante] weer heeft afgewezen en dat vanaf 9 oktober 2018 de verjaringstermijn voor alle schadeposten (armband, brillenglazen, laptops en tas met kleding en expertisekosten) opnieuw is gaan lopen. [appellante] stelt dat zij deze verjaring ook binnen de lopende termijn heeft gestuit. Zij verwijst daarbij onder andere naar een door haar overgelegde e-mail aan mevrouw [naam4] (voormalig klachtenmanager bij Achmea) van 26 mei 2021. In deze mail benoemt [appellante] , voor zover van belang, het volgende:
‘Hierbij stuit ik de vordering die ik nog steeds heb op alle schades die vallen onder de garantie van de polissen (woongarant en reis) die ik bij CBAchmea afsloot (..)’
3.22.
Achmea betwist dat deze e-mail haar bereikt heeft omdat [de voormalig klachtenmanager van Achmea] op dat moment al jaren uit dienst was. Bovendien zou [appellante] , als zij deze e-mail al zou hebben gestuurd, een standaardbericht hebben ontvangen van de provider dat het betreffende e-mailbericht niet kon worden afgeleverd dan wel onbekend is, aldus Achmea.
3.23.
Het hof overweegt als volgt. Gelet op de stelling van [appellante] die is onderbouwd aan de hand van de overgelegde e-mail (prod. 17 a), acht het hof de betwisting van Achmea onvoldoende gemotiveerd. Uit het door Achmea in hoger beroep overgelegde onderzoek van haar Compliance-afdeling kan niet worden afgeleid dat Achmea de e-mail niet heeft ontvangen of dat [appellante] de e-mail niet heeft gestuurd. Er wordt namelijk alleen geconstateerd dat geen onderzoek gedaan kon worden naar de e-mail aan [de voormalig klachtenmanager van Achmea] omdat zij uit dienst is en haar Outlook en OneDrive niet meer beschikbaar zijn voor een zoekactie. Niet is gebleken dat [appellante] op de hoogte was van de uitdiensttreding van [de voormalig klachtenmanager van Achmea] bij Achmea. [appellante] mocht daarom redelijkerwijs aannemen dat door het sturen van haar stuitingsbericht naar het e-mailadres van [de voormalig klachtenmanager van Achmea] , Achmea daadwerkelijk werd bereikt. [appellante] had namelijk vaker via dat e-mailadres contact gehad met [de voormalig klachtenmanager van Achmea] . Ook is niet gebleken dat [appellante] een bericht vanuit de provider of Achmea heeft gekregen waaruit zij redelijkerwijs kon afleiden dat haar e-mail niet is aangekomen.
3.24.
Het hof gaat er aldus vanuit dat [appellante] met haar e-mail van 26 mei 2021 binnen de nieuwe termijn de verjaring met betrekking tot de slavenarmband, brillenglazen, laptops en tas met kleding en de expertisekosten heeft gestuit. Niet is gesteld dat daarna weer de vorderingen ondubbelzinnig zijn afgewezen door Achmea, zodat niet nogmaals een verjaringstermijn is gaan lopen. Voor zover dat al wel is gebeurd op enig moment na 26 mei 2021, staat vast dat [appellante] hoe dan ook binnen drie jaar daarna tot dagvaarding is overgegaan, waarmee dan weer opnieuw stuiting heeft plaatsgevonden. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, zijn de overige door [appellante] overgelegde e-mails niet meer relevant voor de beoordeling. Het hof zal daar dan ook niet verder op in gaan.
3.25.
De conclusie is dat grieven 3 en 4 doel treffen. De verjaring(en) zijn tijdig gestuit. Dat maakt dat [appellante] nog aanspraak kan maken op vergoedingen met betrekking tot de slavenarmband, brillenglazen, laptops en tas met kleding en expertisekosten. Het hof zal hierna de vorderingen die zien op deze schadeposten afzonderlijk van elkaar beoordelen.
De slavenarmband
3.26.
[appellante] stelt dat zij haar slavenarmband is verloren. Zij heeft de schade ter hoogte van € 1.000,- aanvankelijk gemeld op de reisverzekering. Later is de schade overgezet naar de woongarantverzekering. Achmea stelt zich op het standpunt dat zij niet gehouden is tot enige uitkering aan [appellante] . Volgens haar heeft [appellante] geen, althans onvoldoende, feiten en omstandigheden aangedragen waaruit volgt dat sprake is van een gedekte gebeurtenis.
3.27.
Het hof is met Achmea van oordeel dat [appellante] onvoldoende heeft onderbouwd dat zich een verzekerd evenement heeft voorgedaan. Allereerst heeft [appellante] niet consistent verklaard over waar zij de armband is verloren. Pas tijdens de mondelinge behandeling na aanbrengen heeft [appellante] voor het eerst verklaard dat zij haar armband is verloren terwijl zij op reis was in Zwitserland. Ook heeft [appellante] niets overgelegd waaruit het bestaan en bezit van de armband blijkt. [appellante] had moeten begrijpen dat informatie over eigendom, waarde en de omstandigheden van de vermissing voor Achmea belangrijk zijn voor de beslissing over de uitkering van de schade. [appellante] had duidelijkheid moeten verschaffen, maar heeft dat onvoldoende en inconsistent gedaan. De vordering van [appellante] met betrekking tot de slavenarmband komt dan ook niet voor toewijzing in aanmerking.
De beschadigde brillenglazen
3.28.
Met betrekking tot de schade aan de glazen van de bril van haar dochter heeft [appellante] een schadeclaim ingediend van € 562,- op de reisverzekering. De schade aan de brillenglazen is volgens [appellante] ontstaan omdat haar dochter tijdens een bezoek aan de sauna haar bril niet heeft afgedaan voordat zij de sauna binnenging. Volgens Achmea valt deze schade niet onder de dekking van de reisverzekering omdat sprake is van roekeloosheid. Het is vanwege vocht en hoge temperaturen algemeen gebruikelijk een bril af te zetten vóór het betreden van een sauna, aldus Achmea. Daarmee zou [appellante] volgens Achmea de aanmerkelijke kans op schade hebben aanvaard of althans had zij zich van die kans bewust moeten zijn.
3.29.
Naar het oordeel van het hof kan het handelen van de dochter van [appellante] niet gekwalificeerd worden als roekeloosheid. Op grond van artikel 7:952 BW Pro en artikel 16.1 sub a van de Algemene voorwaarden is de verzekeraar niet gehouden de schade te vergoeden die de verzekerde met opzet of door (bewuste of onbewuste) roekeloosheid heeft veroorzaakt. Voor de invulling van het begrip roekeloosheid kan verwezen worden naar de invulling van het begrip grove schuld, waarmee op een zeer hoge schuldgraad wordt gedoeld. Het is aan de verzekeraar om te stellen en te bewijzen dat sprake is van opzet of roekeloosheid bij de verzekerde. Naar het oordeel van het hof heeft Achmea onvoldoende onderbouwd waarom het niet afdoen van de bril kwalificeert als deze zeer hoge graad van schuld. Vaststaat dat het gaat om een bril met glazen van hoge sterktes, zodat zonder bril niet veel wordt gezien. Achmea heeft nog betoogd dat het om een zeer dure bril zou gaan. Het hof ziet dat niet in bij een aanschafwaarde van € 801,-, mede gezien de correctie van de glazen van -9,50 en -10. Dat betekent dat de schade aan de brillenglazen onder de dekking van de verzekering valt en [appellante] aanspraak kan maken op vergoeding daarvan.
3.30.
Gelet op het subsidiaire verweer van Achmea kan echter niet de volledige vordering van [appellante] met betrekking tot de brillenglazen worden toegewezen. Zoals Achmea terecht heeft aangevoerd, is Achmea slechts gehouden over te gaan tot een vergoeding van € 200,-. In artikel 2.1 sub a van de Bijzondere Voorwaarden Basispakket is namelijk bepaald dat maximaal € 200,- wordt vergoed bij schade aan brillen, zodat het hof zal oordelen dat [appellante] een vergoeding toekomt ter hoogte van dat bedrag.
De gestolen laptops en tas met kleding
3.31.
[appellante] heeft verder een schadeclaim ingediend van € 4.483,43 op de woongarantverzekering vanwege twee gestolen laptops en een tas met kleding. [appellante] stelt dat de laptops en tas met kleding uit haar woning zijn gestolen. Achmea betwist dat deze schade voor vergoeding in aanmerking komt. Volgens haar heeft [appellante] namelijk niet aannemelijk gemaakt dat daadwerkelijk sprake is geweest van diefstal, terwijl zij daartoe op grond van artikel 13 sub f van Pro de Voorwaarden Permanente Reisverzekering wel verplicht is. Omdat [appellante] de schade niet aannemelijk heeft gemaakt kan zij conform artikel 16.1 onder c van de Voorwaarden Permanente Reisverzekering geen aanspraak maken op schadevergoeding, aldus Achmea.
3.32.
Door [appellante] is niet betwist dat de voorwaarden van de Permanente Reisverzekering van toepassing zijn, zodat ook het hof daar vanuit gaat. Gelet op die voorwaarden is het aan [appellante] om aannemelijk te maken dat de diefstal daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. Het hof is met Achmea van oordeel dat [appellante] onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zich een gedekt evenement (de diefstal) heeft voorgedaan. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat volgens de eigen verklaring van [appellante] de woning er niet doorzocht uitzag en geen sprake was van braakschade. Bovendien heeft [appellante] nagelaten bewijs van aangifte van de diefstal te overleggen, terwijl zij naar eigen zeggen wel aangifte heeft gedaan. De vordering van [appellante] met betrekking tot de gestolen laptops en tas met kleding komt dan ook niet voor toewijzing in aanmerking.
De expertisekosten
3.33.
Verder stelt [appellante] dat zij € 5.200,58 aan kosten heeft gemaakt voor het inschakelen van Schadecoach. Volgens haar zijn dit redelijke kosten voor het vaststellen van de schade in de zin van artikel 7:959 lid 1 BW Pro en is Achmea verplicht om die kosten te vergoeden. Dat betekent dat Achmea, naast de al door Achmea uitgekeerde € 1.400,-, nog een bedrag van € 3.800,58 moet vergoeden, aldus [appellante] . Achmea stelt zich op het standpunt dat zij de redelijke kosten van Schadecoach heeft betaald door een bedrag van € 1.400,- aan [appellante] uit te keren. Achmea heeft aanvankelijk betwist dat [appellante] daadwerkelijk een bedrag aan Schadecoach heeft betaald, maar tijdens de mondelinge behandeling bij het hof heeft Achmea laten weten die betwisting niet langer te handhaven.
3.34.
Naar het oordeel van het hof volgt uit de door [appellante] overgelegde rekeningafschriften dat zij in totaal een bedrag van € 3.845,38 heeft betaald aan Schadecoach. Niet is gebleken dat het zou gaan om een bedrag van € 5.200,58. Daarnaast heeft [appellante] onvoldoende onderbouwd gesteld dat al de gemaakte kosten redelijke kosten zijn zoals bedoeld in artikel 7:959 lid 1 BW Pro. [appellante] heeft alleen gesteld dat de diensten van Schadecoach gericht waren op de begeleiding en vaststelling van de schade zoals blijkt uit de omschrijving van de door [appellante] overgelegde facturen van Schadecoach. Op die facturen staan de volgende omschrijvingen:
‘Inzake begeleiding schade’,
‘Inzake bijstand schade’,
‘Behandeling diverse schadeclaims’, en ‘
Inzake begeleiding schadeclaim / procedure’. Op basis van deze omschrijvingen kan niet vastgesteld worden welke werkzaamheden door Schadecoach zijn uitgevoerd en of deze inderdaad verband houden met het vaststellen van de schade in de zin van artikel 7:959 lid 1 BW Pro en dus of deze kosten in redelijkheid zijn gemaakt. Een nadere specificatie of een voldoende concrete verdere onderbouwing daarvan heeft [appellante] niet in het geding gebracht of aangevoerd. De vordering van [appellante] met betrekking tot de expertisekosten zal dan ook worden afgewezen.
De claim met betrekking tot de waterschade
3.35.
Nu grieven 3 en 4 slagen, zal het hof vanwege de devolutieve werking van het hoger beroep de door Achmea in eerste aanleg aan de orde gestelde verweren alsnog moeten behandelen. In haar conclusie van antwoord heeft Achmea gesteld dat de vordering ten aanzien van de waterschade is verjaard. Aangezien dit het meest verstrekkende verweer betreft, zal het hof allereerst dit verweer beoordelen.
Aanvang en einde verjaringstermijn
3.36.
Achmea heeft in eerste aanleg naar voren gebracht dat zij, naar aanleiding van de stuitingsbrief van [appellante] van 20 augustus 2018, bij brief van 8 oktober 2018 alle vorderingen (dus ook die met betrekking tot de waterschade) ondubbelzinnig heeft afgewezen. Vervolgens is de (nieuwe) verjaringstermijn op 9 oktober 2018 gaan lopen, aldus Achmea. [appellante] heeft dit niet betwist, zodat ook het hof daarvan uitgaat.
Heeft [appellante] de verjaringen tijdig gestuit?
3.37.
[appellante] heeft echter betoogd dat zij ook ten aanzien van de waterschadeclaim de verjaring tijdig heeft gestuit. Zij verwijst daarbij wederom naar de door haar overgelegde mails, waaronder de e-mail van [appellante] aan [de voormalig klachtenmanager van Achmea] van 26 mei 2021. Achmea heeft daartegen hetzelfde verweer gevoerd (zoals weergegeven in rechtsoverweging 3.22) als het verweer tegen de vordering van [appellante] met betrekking tot de slavenarmband, brillenglazen, laptops en tas met kleding en expertisekosten.
3.38.
Zoals weergegeven in rechtsoverwegingen 3.23 en 3.24 is het hof van oordeel dat [appellante] met de e-mail aan [de voormalig klachtenmanager van Achmea] de verjaring(en) tijdig heeft gestuit. Dit geldt ook voor de verjaring met betrekking tot de waterschadeclaim. [appellante] heeft namelijk in deze e-mail laten weten dat zij de vorderingen stuit met betrekking tot
‘alle schades’. Op dat moment bestond al discussie over de hoogte van de vastgestelde waterschade en heeft [appellante] aanspraak gemaakt op een hogere vergoeding daarvan. Onder
‘alle schades’valt dan ook de waterschade. Zoals vastgesteld in rechtsoverweging 3.24 is niet gesteld of gebleken dat vervolgens een nieuwe verjaringstermijn is gaan lopen, althans is de verjaring dan door de dagvaarding gestuit, zodat ook ten aanzien van de waterschade de conclusie is dat de verjaring tijdig is gestuit en aldus geen sprake is van verjaring van de vordering.
Beschikte Krantz & Polak over een toereikende volmacht?
3.39.
[appellante] komt verder met haar grieven 1 en 2 op tegen het oordeel van de kantonrechter dat Krantz & Polak beschikte over een toereikende volmacht waarmee zij de akte van taxatie namens [appellante] kon ondertekenen en dat Achmea daarom enkel gehouden kan worden tot vergoeding van de in die akte genoemde bedragen aan waterschade. In eerste aanleg had [appellante] nog betoogd dat de handtekening onder de akte van benoeming is vervalst. De kantonrechter heeft geoordeeld dat [appellante] deze stelling onvoldoende heeft onderbouwd. In hoger beroep is door haar geen grief gericht tegen dat oordeel, zodat dit punt niet meer ter beoordeling voorligt.
Volgens [appellante] stellingen in hoger beroep beschikte Krantz & Polak op 17 december 2015 echter niet (langer) over een toereikende volmacht om namens haar de akte van taxatie te ondertekenen en kunnen daarom ook geen rechten worden ontleend aan die akte. [appellante] voert daartoe aan dat zij Krantz & Polak op 1 december 2015 heeft laten weten dat zij de aan haar gegeven opdracht en verleende volmacht intrekt en dat zij vervolgens Achmea daarvan op de hoogte heeft gesteld. [appellante] bestrijdt daarom het oordeel van de kantonrechter dat Achmea zich kan beroepen op artikel 3:61 lid 2 BW Pro. Ter onderbouwing van haar stelling heeft [appellante] een afdruk van een e-mail van 1 december 2015 aan [de contra-expert] overgelegd, waarin staat:
“Hierbij zeg ik de opdracht/machtiging op en trek hem dus in inzake de benoeming experts: Krantz &Polak versus [de schade-expert van Achmea] v.v.”. Ook heeft [appellante] een afdruk van een e-mail van 14 december 2015 gericht aan [de schade-expert van Achmea] overgelegd met als onderwerp
‘Intrekken zgn. Akte benoeming experts 2015 [de schade-expert van Achmea] /Krantz&Polak’, zonder verdere inhoud, en een afdruk van een leesbevestiging in het geding gebracht van ‘DidTheyReadIt’. In die leesbevestiging staat dat het bericht aan [de schade-expert van Achmea] van 14 december 2015 met als onderwerp
‘Intrekken zgn. Akte benoeming experts 2015 [de schade-expert van Achmea] /Krantz&Polak’op 15 december 2015 is geopend.
3.40.
Achmea betwist dat zij of [de schade-expert van Achmea] op de hoogte was van de (gestelde) intrekking van de volmacht en opdracht (hierna: de intrekking) door [appellante] en zij betwist de authenticiteit van de aan [de schade-expert van Achmea] (door)gestuurde e-mail van 14 december 2015 en de daaraan gekoppelde leesbevestiging van 15 december 2015. Volgens haar is de e-mail die [appellante] op 1 december 2015 aan [de contra-expert] zou hebben gestuurd (als deze al authentiek is) niet doorgestuurd naar haar. Achmea verwijst daarbij naar het door haar overgelegd onderzoek van de Compliance & IT-afdeling van Achmea (hierna: het onderzoek), waaruit volgt dat niet vastgesteld kan worden dat de mail van 14 december 2015 door [de schade-expert van Achmea] , en dus Achmea, is ontvangen. Volgens Achmea volgt uit het onderzoek dat geen andere conclusie mogelijk is dan dat [appellante] in strijd met de waarheid heeft gehandeld en daarmee heeft gepoogd zowel Achmea als het hof op het verkeerde been te zetten. Bovendien heeft [appellante] volgens Achmea bij de kantonrechter bevestigd dat zij Achmea niet van de intrekking op de hoogte heeft gebracht en is dus (ook hier) sprake van een gerechtelijke erkentenis. Daar komt bij dat [appellante] tijdens een eerdere Kifid-procedure, over de gang van zaken omtrent het vaststellen van de schade, niet heeft gesproken over de intrekking van de volmacht en dat [appellante] daarover pas laat in deze procedure (27 januari 2025) voor het eerst is begonnen. Bovendien heeft [appellante] in de procedure bij het Kifid aangegeven dat de schade is afgewikkeld via de gebruikelijke aktes en dat zij zich realiseert dat zij daaraan niets meer kan veranderen. Volgens Achmea is derhalve sprake van rechtsverwerking.
3.41.
Voor zover door Achmea ook is bedoeld het bestaan van de e-mail van 1 december 2015 aan [de contra-expert] te betwisten, acht het hof dit onvoldoende onderbouwd. Achmea heeft niets anders dan het onderzoek overgelegd. In het onderzoek wordt echter alleen verwezen naar e-mails die door (medewerkers van) Achmea (al dan) niet zouden zijn ontvangen. Dit zegt niets over de eventuele ontvangst van een e-mail (zoals die van 1 december 2015) door een derde ( [de contra-expert] ). Achmea heeft geen andere stukken ter onderbouwing in het geding gebracht, zoals bijvoorbeeld een verklaring van [de contra-expert] zelf.
Beroep op gerechtelijke erkentenis
3.42.
Zoals op de mondelinge behandeling van 2 oktober 2025 namens Achmea is toegegeven, berustte haar gedachte dat uit het proces-verbaal van de zitting bij de kantonrechter blijkt van een gerechtelijke erkentenis op dit punt, op een verkeerde lezing van dat proces-verbaal. De bewuste mededeling is gedaan door de advocaat van Achmea, niet door of namens [appellante] . Het hof gaat ervan uit dat rechtsoverweging 4.1.3 van de kantonrechter op datzelfde misverstand berust. Het beroep op een gerechtelijke erkentenis faalt dan ook.
Zijn partijen gebonden aan de akte van taxatie?
3.43.
Een verklaring of mededeling die tot een bepaald persoon is gericht heeft op grond van artikel 3:37 lid 3 BW Pro pas werking als het diegene heeft bereikt. Met betrekking tot een schriftelijke verklaring geldt als uitgangspunt dat deze de geadresseerde heeft bereikt als zij door hem is ontvangen. Als de ontvangst van de verklaring wordt betwist, zoals hier het geval is, is het aan de afzender om te bewijzen waaruit volgt dat de verklaring door hem is verzonden naar een adres waarvan hij redelijkerwijs mocht aannemen dat de geadresseerde aldaar door hem kon worden bereikt, en dat de verklaring aldaar is aangekomen. Als ‘adres’ kan ook worden aangemerkt het e-mailadres dat bij recent contact tussen partijen door geadresseerde is gebruikt. [3]
3.44.
Gelet op het bovenstaande en artikel 150 Rv Pro rusten de stelplicht en de bewijslast van de ontvangst door Achmea ( [de schade-expert van Achmea] ) van de e-mail van 14 december 2015 op [appellante] . [appellante] heeft voldoende gemotiveerd gesteld dat zij die e-mail heeft verstuurd en dat deze door Achmea is ontvangen. Anderzijds heeft Achmea die stellingen met het overgelegde onderzoeksrapport voldoende gemotiveerd betwist. Het bewijs acht het hof nog niet geleverd met de ontvangstbevestiging van ‘DidTheyReadIt’, mede gelet op de gemotiveerde bestrijding van de bewijswaarde hiervan door Achmea. Bij deze stand van zaken ligt het in de rede dat nader onderzoek zal moeten plaatsvinden. Het hof ziet daarom aanleiding [appellante] toe te laten te bewijzen dat de e-mail van 14 december 2015 door Achmea ( [de schade-expert van Achmea] ) op 14 of 15 december 2015 is ontvangen, in die zin dat die e-mail toen op de mailserver behorende bij “ [mailadres van schade-expert van Achmea] ” is binnengekomen. Hoewel het aan [appellante] is op welke wijze zij het bewijs zal leveren, ligt het gelet op de al overgelegde stukken in de rede dat een rapport van een (door [appellante] in te schakelen) deskundige wordt overgelegd. Het is – in dat geval – in beginsel aan de deskundige te bepalen over welke stukken hij de beschikking dient te hebben voor zijn onderzoek, maar het ligt in elk geval voor de hand dat [appellante] hem op een daarvoor geschikte wijze de beschikking geeft over de originele e-mailbestanden van de e-mail van 14 december 2015 aan [de schade-expert van Achmea] en van de op 15 december 2015 via ‘DidTheyReadIt’ ontvangen leesbevestiging. Als een door [appellante] in te schakelen deskundige voor zijn onderzoek toegang tot de (relevante) server van Achmea behoeft, zal Achmea daaraan moeten meewerken. Aan het verschaffen van die toegang kan zij wel (technische) eisen stellen om te waarborgen dat de die toegang beperkt blijft tot wat voor de deskundige relevant is.
Tussenconclusie
3.45.
Gelet op het bovenstaande is de vordering van [appellante] met betrekking tot de brillenglazen toewijsbaar tot een bedrag van € 200,-. De vordering inzake de armband, de twee laptops en tas met kleding en expertisekosten komen niet voor toewijzing in aanmerking. Ten aanzien van de waterschadeclaim wordt [appellante] in de gelegenheid gesteld te bewijzen dat de e-mail van 14 december 2015 door Achmea op 14 of 15 december 2025 is ontvangen, in die zin van binnengekomen op de mailserver behorende bij “ [mailadres van schade-expert van Achmea] ”.

4.De beslissing

4.1.
Het hof laat [appellante] toe te bewijzen dat Achmea ( [de schade-expert van Achmea] ) op 14 of 15 december 2015 de e-mail heeft ontvangen waarvan enkele gegevens staan afgedrukt op bladzijde 1 van productie H1;
4.2.
[appellante] moet op
dinsdag 3 februari 2026laten weten of zij schriftelijk bewijs wil bijbrengen (zoals door een rapport van een door haar in te schakelen deskundige) en of zij getuigen wil laten horen.
4.3.
Als [appellante] een rapport van een deskundige of ander schriftelijk bewijs wenst in te brengen, zal de zaak vervolgens worden aangehouden tot de rol van
31 maart 2026om dit rapport of dat bewijs bij akte in het geding te brengen, waarna Achmea een termijn voor antwoordakte zal krijgen om daarop te reageren.
4.4.
Als [appellante] op
3 februari 2026laat weten dat zij getuigen wenst te laten horen, zal raadsheer-commissaris mr. S.M. Evers de getuigen verhoren in het Paleis van Justitie aan de Walburgstraat 2-4 in Arnhem. Partijen moeten daar zelf bij aanwezig zijn.
4.5.
Als [appellante] zowel schriftelijk bewijs wil inbrengen als getuigen wil horen, zal het getuigenverhoor pas worden bepaald nadat het schriftelijk bewijs is ingebracht.
4.6.
Als [appellante] alleen getuigen wilt laten horen zal zij op
3 februari 2026laten weten hoeveel getuigen zij wil laten horen met opgave van de verhinderdagen van die getuigen, van partijen en van hun advocaten. Daarna stelt het hof de dag en het tijdstip van het verhoor vast. Dat gebeurt ook als de opgave onvolledig is.
4.7.
[appellante] moet de namen en woonplaatsen van de getuigen ten minste een week voor het getuigenverhoor aan de wederpartij en de griffier van het hof opgeven.
4.8.
Een partij die tijdens het getuigenverhoor nieuwe stukken wil indienen, moet het hof en de wederpartij daarvan uiterlijk 10 dagen voor de dag van de zitting een kopie sturen.
4.9.
Het hof houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. S.M. Evers, L. Janse en C.M.E. Lagarde, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 23 december 2025.

Voetnoten

1.HR 17 februari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU4616.
2.HR 26 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:335.
3.HR 14 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ4104.