ECLI:NL:GHARL:2025:8485

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
19 december 2025
Publicatiedatum
22 december 2025
Zaaknummer
21-003617-23
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Mensensmokkel en rechtmatigheid van aanhouding en telefoononderzoek

In deze zaak heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 19 december 2025 uitspraak gedaan in hoger beroep tegen een vonnis van de rechtbank Noord-Nederland. De verdachte is veroordeeld voor mensensmokkel, meermalen gepleegd, en krijgt een taakstraf van 80 uren, te vervangen door 40 dagen hechtenis, met aftrek van het voorarrest. De zaak draait om de rechtmatigheid van de aanhouding van de verdachte en het onderzoek aan zijn telefoon. De verdachte had zijn zus en haar kinderen vanuit Duitsland naar Nederland vervoerd met het doel om daar asiel aan te vragen. Het hof oordeelt dat de aanhouding rechtmatig was, maar constateert dat er een overschrijding van de redelijke termijn heeft plaatsgevonden. Het hof heeft ook vastgesteld dat er vormverzuimen zijn geweest met betrekking tot het onderzoek aan de telefoon van de verdachte, wat heeft geleid tot een matiging van de straf. Het hof heeft besloten dat het inbeslaggenomen geldbedrag moet worden teruggegeven aan de verdachte.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-003617-23
Uitspraak d.d.: 19 december 2025
TEGENSPRAAK
Arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Zwolle, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Leeuwarden, van 31 juli 2023 met parketnummer 18-319073-22 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag 1] 1980 in [geboorteplaats 1] ,
wonende te [adres 1] .

Hoger beroep

Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland.

Onderzoek van de zaak

Het hof heeft bij de beslissing betrokken wat op de zitting van het hof van 5 december 2025 en wat op de zitting van de rechtbank besproken is.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van verdachte ter zake van het ten laste gelegde tot een taakstraf van 150 uren, te vervangen door 75 dagen hechtenis, met aftrek van het voorarrest, en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden met een proeftijd van 2 jaren. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsman, mr. G.W.L.A.M. Koppen, hebben aangevoerd.

Het vonnis

De rechtbank Noord-Nederland heeft bij vonnis van 31 juli 2023, waartegen het hoger beroep is gericht, verdachte ter zake van het ten laste gelegde medeplegen van mensensmokkel, meermalen gepleegd, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met aftrek van het voorarrest. Daarnaast heeft de rechtbank bevolen dat het inbeslaggenomen geldbedrag wordt teruggegeven aan verdachte.
Het hof vernietigt het vonnis omdat het tot een andere bewezenverklaring en een andere strafoplegging komt. Het hof doet opnieuw recht.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij in of omstreeks de periode van 14 april 2021 tot en met 15 april 2021 te [plaats 1] , gemeente [gemeente] , althans in Nederland en/of Duitsland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een ander of anderen, te weten [persoon 1] en/of [persoon 2] en/of [persoon 3] , behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van toegang tot of doorreis door Nederland of hen daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen heeft verschaft, door bovengenoemde personen te vervoeren in een personenauto, van het merk Volkswagen, type Touran en voorzien van het Duitse kenteken [kenteken] , van Duitsland naar Nederland en/of over de grens te brengen en/of naar [plaats 1] te brengen en/of af te leveren in de nabijheid van het aldaar gevestigde AZC, terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en) of ernstige redenen had(den) te vermoeden dat die toegang of die doorreis wederrechtelijk was.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsoverweging

Standpunt van de verdediging

Vormverzuimen

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de aanhouding van verdachte onrechtmatig was. De omstandigheden waaronder verdachte is aangehouden leveren geen redelijk vermoeden van schuld op. Daarnaast heeft de raadsman, onder verwijzing naar het Landeck-arrest van het Hof van Justitie van 4 oktober 2024 betoogd dat het onderzoek naar de gegevens op de telefoon van verdachte onrechtmatig is geweest, omdat daarvoor toestemming aan de rechter-commissaris had moeten worden gevraagd.
Het voorgaande maakt dat volgens de verdediging sprake is van onherstelbare vormverzuimen in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv), waarbij het in artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) verankerde recht op eerbiediging van het privéleven is geschonden. Volgens de verdediging gaat het om zeer ernstige vormverzuimen, die ook nadeel voor verdachte hebben veroorzaakt. Daarbij heeft de raadsman naar voren gebracht dat een telefoon een apparaat is dat ontzettend veel inzicht geeft in het privéleven en dat het nadeel daarom allesomvattend is.
Volgens de raadsman zijn de vormverzuimen zodanig ernstig dat het bewijs dat als gevolg van de aanhouding en de doorzoeking van de telefoon is verkregen, moet worden uitgesloten van het bewijs. Als gevolg daarvan dient vrijspraak te volgen.
Ten aanzien van het ten laste gelegde
De verdediging heeft op inhoudelijke gronden ook vrijspraak bepleit. Niet kan worden vastgesteld dat de toegang tot of doorreis in Nederland wederrechtelijk was. Ook is niet gebleken dat verdachte wist of ernstige redenen had te vermoeden dat die toegang of doorreis wederrechtelijk was.

Standpunt van de advocaat-generaal

Ten aanzien van de gestelde vormverzuimen

De advocaat-generaal heeft betoogd dat de verweren van de raadsman geen kans van slagen hebben, omdat van enig vormverzuim geen sprake is. De aanhouding was rechtmatig, nu de omstandigheden waaronder verdachte is aangehouden het redelijk vermoeden van schuld opleverden. Ten aanzien van de doorzoeking van de telefoon heeft enige toets plaatsgevonden, doordat de officier van justitie mondeling toestemming heeft gegeven om de telefoon te doorzoeken. Mocht een schending worden aangenomen, dan kan worden volstaan met een constatering hiervan. De verdediging heeft het nadeel dat verdachte heeft ondervonden van de doorzoeking namelijk niet concreet gemaakt.
Ten aanzien van het ten laste gelegde
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden. Hiertoe heeft de advocaat-generaal aangevoerd dat artikel 197a van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) ruim is geformuleerd. Hieronder valt ook de situatie waarin verdachte heeft meegewerkt aan het inwinnen van informatie over de asielprocedure in Nederland door [persoon 1] .

Oordeel van het hof

Aanhouding

Het hof stelt op basis van het proces-verbaal van aanhouding van verdachte van 15 april 2021 de volgende feiten en omstandigheden vast.
Op 15 april 2021 zagen verbalisanten een auto met Duits kenteken op de N391 rijden in de richting van [plaats 1] . Op grond van artikel 50, eerste lid, van de Vreemdelingenwet zijn de inzittenden staande gehouden en is hen gevraagd naar hun identiteit, nationaliteit en verblijfsrechtelijke positie. Verdachte gaf aan dat de paspoorten van de drie personen die achterin de auto zaten in de kofferbak lagen. Toen verdachte de kofferbak opende, zag verbalisant [verbalisant 1] hier een grote volle koffer, dekens, rugzak en een kinderstoel liggen. Verdachte liet de paspoorten zien van de drie personen die achterin de auto zaten. Verbalisant [verbalisant 1] zag dat dit Pakistaanse paspoorten waren die waren voorzien van een Italiaans C-visum, met toerisme/familie als doel. Omdat de relatie tussen de inzittenden van de auto niet duidelijk was, hebben de verbalisanten de bestuurder (verdachte) en de bijrijder gescheiden van de overige inzittenden. De bijrijder gaf desgevraagd aan dat de bestuurder de man van zijn zus was en dat de overige inzittenden familie van de bestuurder waren. Hij kon de namen van de kinderen die achterin de auto zaten wel noemen, maar wist de naam van de vrouw die achterin de auto zat niet. Ook gaf de bijrijder aan dat zij op weg waren naar [plaats 1] om een vriend te bezoeken. Toen de verbalisanten aangaven dat zij vermoedden dat de vrouw en kinderen onderweg waren om asiel aan te vragen, riep verdachte iets naar de vrouw in het Pakistaans.
Hierbij zei verdachte ook het woord ‘asylum’. Vervolgens vroegen de verbalisanten om het retourticket van de vrouw en kinderen naar Pakistan te tonen. De vrouw, [persoon 1] , kon dit niet laten zien aan de verbalisanten. Hierop is verdachte aangehouden ter zake van mensensmokkel.
Gelet op bovengenoemde feiten en omstandigheden – in onderling verband en samenhang bezien – hebben de verbalisanten naar het oordeel van het hof tot de conclusie kunnen komen dat sprake was van een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit. Het hof is dan ook van oordeel dat de aanhouding niet onrechtmatig was.
Onderzoek aan de telefoon
Juridisch kader
Het hof stelt met betrekking tot het standpunt van de raadsman over de onrechtmatige doorzoeking van de telefoon voorop dat uit de Smartphone-arresten [1] kan worden afgeleid dat een getrapte bevoegdheidstoedeling bestond voor het kunnen verrichten van onderzoek aan gegevensdragers zoals een smartphone of computer. Deze kwam erop neer dat dat onderzoek kon worden verricht door een opsporingsambtenaar, als vooraf was te voorzien dat de met het onderzoek samenhangende inbreuk op de persoonlijke levenssfeer als beperkt kon worden beschouwd. Als vooraf was te voorzien dat sprake zal zijn van een meer dan beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de verdachte, kon het onderzoek alleen maar door of namens de officier van justitie worden verricht. Wanneer vooraf was te voorzien dat de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer zeer ingrijpend zal zijn, kon het onderzoek alleen maar door of namens de rechter-commissaris worden verricht.
De Hoge Raad heeft echter in het Landeck-arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie [2] aanleiding gezien om de rechtspraak uit de Smartphone-arresten enigszins bij te stellen. [3] Een en ander houdt – voor zover van belang voor onderhavige zaak – in dat bij elke vorm van onderzoek aan een elektronische gegevensdrager die een meer dan beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer meebrengt, een voorafgaande toetsing van de rechter-commissaris is vereist. Hierbij geldt verder dat van een beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer al geen sprake meer is als op voorhand is te voorzien dat door het onderzoek aan de smartphone (of een andere elektronische gegevensdrager of geautomatiseerd werk) inzicht wordt verkregen in verkeers- en locatiegegevens, maar ook in andersoortige gegevens (zoals foto’s, de browsergeschiedenis, de inhoud van via die smartphone uitgewisselde communicatie en gevoelige gegevens). [4]
Toegepast op onderhavige zaak
In het licht van het hiervoor genoemde juridisch kader stelt het hof met de raadsman vast dat het onderzoek naar de gegevens op de telefoon zo verstrekkend was dat was te voorzien dat een min of meer compleet beeld van het persoonlijk leven van de gebruiker kon worden verkregen. Uit het dossier blijkt dat er onder andere onderzoek is gedaan naar foto’s, WhatsApp-berichten, audioberichten, contactgegevens en documenten.
Naar het oordeel van het hof was vooraf ook te voorzien dat het onderzoek naar de telefoon een meer dan beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer zou kunnen meebrengen, zodat daarvoor toestemming van de rechter-commissaris was vereist. Het ontbreken van voorafgaande toestemming van de rechter-commissaris levert een onherstelbaar vormverzuim op.
Het hof ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of er, en zo ja welke, rechtsgevolgen aan dit vormverzuim moeten worden verbonden. Bij de beantwoording van die vraag dient de rechter rekening te houden met de in artikel 359a, tweede lid, Sv genoemde factoren, te weten het belang van het geschonden voorschrift, de ernst van het verzuim en het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt. In dit kader overweegt het hof dat ook een schending van de persoonlijke levenssfeer van de verdachte als zodanig onder omstandigheden een voldoende concreet nadeel kan opleveren. Bewijsuitsluiting op grond van artikel 359a, eerste lid, Sv is verder uitsluitend aan de orde indien door de onrechtmatige bewijsgaring een belangrijk (strafvorderlijk) voorschrift of rechtsbeginsel in aanzienlijke mate is geschonden. [5] Daarbij geldt dat een schending van het in artikel 8 EVRM gegarandeerde recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer niet zonder meer een inbreuk oplevert op de in artikel 6 EVRM vervatte waarborg van een eerlijk proces [6] en dat aan een niet gerechtvaardigde inbreuk op het door het eerste lid van artikel 8 EVRM gewaarborgde recht in de strafprocedure tegen de verdachte geen rechtsgevolgen behoeven te worden verbonden, mits zijn recht op een eerlijk proces zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM wordt gewaarborgd. [7]
Voor wat betreft het belang van het geschonden voorschrift stelt het hof vast dat de vereiste rechterlijke toestemming voor onderzoek naar (gevoelige) gegevens het in artikel 8 EVRM neergelegde recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer dient. De inbreuk van de in artikel 8 EVRM gewaarborgde privacyrechten levert in deze zaak geen schending op van het recht op een eerlijk proces. Het hof ziet daarom geen aanleiding om te komen tot uitsluiting van bewijs.
Ten aanzien van het ten laste gelegde
Artikel 197a Sr
Het hof stelt voorop dat voor een bewezenverklaring ingevolge artikel 197a, eerste lid, Sr is vereist dat wettig en overtuigend bewezen is dat de verdachte een ander behulpzaam is geweest bij het verschaffen van toegang tot of doorreis door Nederland of die ander daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen heeft verschaft,.
Naar vaste rechtspraak dient het bestanddeel ‘behulpzaam bij’ in artikel 197a Sr in overeenkomstige zin te worden uitgelegd als in artikel 48 Sr, waarin medeplichtigheid in algemene zin strafbaar is gesteld. Daarbij gaat het er onder meer om of de verdachte de toegang tot of de doorreis door Nederland op enigerlei heeft bevorderd of gemakkelijk gemaakt. Het begrip ‘wederrechtelijk’ in de delictsomschrijving van artikel 197a Sr dient gelet op de wetsgeschiedenis uitgelegd te worden als ‘zonder enig subjectief recht of enige bevoegdheid’ verblijven in Nederland. [8] In welke gevallen een vreemdeling het recht heeft om in Nederland te verblijven, is bepaald in de Vreemdelingenwet 2000.
Bewijsmiddelen
1. De door verdachte ter terechtzitting van de rechtbank op 17 juli 2023 afgelegde verklaring, voor zover inhoudend:
Ik blijf bij mijn verklaring die ik tegenover de marechaussee heb afgelegd. Ik woon in [adres 1] . Op 14 april 2021 ben ik met mijn zus en haar twee kinderen naar het adres van mijn zwager, te weten medeverdachte [medeverdachte] , in [plaats 2] gereden. Daar hebben wij overnacht. Op 15 april 2021 ben ik samen met hen naar [plaats 1] gereden. Mijn zwager had daar afgesproken met iemand die daar in het AZC woont. U houdt mij voor dat ik volgens de stukken via Google gezocht heb op adressen van asielzoekerscentra in Nederland en op ‘Vluchtelingenwerk Noord-Nederland’ met het adres [locatie] . Dat is juist.
2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor d.d. 17 april 2021, opgenomen op pagina 38 e.v. van het dossier van de Koninklijke Marechaussee, Landelijk Tactisch Commando, Brigade Oostgrens-Noord, met nummer PL27NN/21-001541, d.d. 29 juni 2021, inhoudend als verklaring van verdachte:
V: Heeft u het ooit over asiel gehad met uw zus?
A: Ja, misschien. Het komt vaker voor dat mensen op een toeristenvisum komen en asiel aanvragen. Dat is heel normaal. Dit weet iedereen.
V: Heeft u het wel eens over asielaanvraag gehad met uw zus?
A: Misschien heb ik wel eens verteld dat mensen het wel eens doen.
V: Wist u de plaats waar jullie naartoe gingen?
A: Mijn zwager had me verteld dat de plek waar zijn vriend woont een asielzoekerscentrum is waar mensen een positieve beschikking krijgen. Dat het een soort van AZC is.
V: Uw zus stuurde op 8 april 2021 te 19:27 uur ook nog een contact genaamd “ [persoon 4] ”. Wat kunt u hierover verklaren?
A: Mijn zus vroeg aan mij om dit nummer te bellen en te vragen hoe de situatie is in Nederland voor asielzoekers. Ik heb hem 1 keer gebeld op verzoek van mijn zus. Mijn telefoon had ik op speaker gezet zodat mijn zus ook kon meeluisteren. Het ging ongeveer over de asielprocedure. Hoe zit het ermee als iemand hier komt en niet meer terug wilt keren.
3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor d.d. 18 april 2021, opgenomen op pagina 51 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van verdachte:
V: Wie is “ [persoon 1] ”?
A: Dat is mijn zus [persoon 1] .
4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aanhouding d.d. 15 april 2021, opgenomen op pagina 17 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisanten:
Op donderdag 15 april 2021 omstreeks 11:40 uur zagen wij een personenauto, van het merk Volkswagen, type Touran, en voorzien van het Duitse kenteken [kenteken] , rijden op de provinciale weg N391. Wij zagen dat er 2 manspersonen voorin het voertuig zaten en 3 personen op de achterbank.
Het voertuig reed in de richting van [plaats 1] . Wij hebben het voertuig staande gehouden op de parkeerplaats aan de provinciale weg N366. Wij hebben de inzittenden van het voertuig gecontroleerd op identiteit, nationaliteit en verblijfsrechtelijke positie.
De bestuurder overhandigde een identiteitskaart Duitsland en gaf op te zijn: [verdachte] , geboren op [geboortedag 1] 1980 te [geboorteplaats 1] en bezat de Duitse nationaliteit.
De bijrijder overhandigde mij een verblijfskaart Nederland en gaf op te zijn: [medeverdachte] , geboren op [geboortedag 2] 1994 te [geboorteplaats 2] en bezat de Pakistaanse nationaliteit. Ik, [verbalisant 1] , vroeg of de 3 personen op de achterbank mij ook een document konden tonen waaruit identiteit, nationaliteit en verblijfsrechtelijke positie kon blijken.
Ik, [verbalisant 1] , hoorde de bestuurder [verdachte] zeggen: "Ja, die liggen achterin de kofferbak". Ik zag dat achterin de auto een grote volle koffer, dekens, rugzak en een kinderstoel lagen. Ik zag dat [verdachte] de kofferbak opende en uit het voorvakje van de koffer 3 Pakistaanse paspoorten pakte en deze aan mij overhandigde. In de paspoorten stonden de volgende namen:
[persoon 1] geboren op [geboortedag 3] 1986 te [geboorteplaats 3] ;
[persoon 2] geboren op [geboortedag 4] 2011 te [geboorteplaats 3] ;
[persoon 3] geboren op [geboortedag 5] 2015 te [geboorteplaats 3] .
Ik, [verbalisant 1] , zag dat de Pakistaanse paspoorten allemaal waren voorzien van een Italiaans C-visum, afgegeven te [plaats 3] , Pakistan met toerisme/familie als doel.
Ik, [verbalisant 1] , hoorde [verdachte] zeggen: “Ik heb een afspraak op het AZC met een vriend, wij gaan hem bezoeken.”
Toen [verdachte] zijn telefoon ging ontgrendelen zag, [verbalisant 2] , dat er een WhatsAppgroep openstond. Deze WhatsAppgroep had als naam: “Newcomers to NL”. [verdachte] gaf aan dat de vrouw en kinderen met groepsvervoer naar zijn huis in Duitsland zijn gereisd. Hierna zijn ze naar het huis van [medeverdachte] gereisd.
Wij verbalisanten vroegen om retourtickets naar Pakistan te tonen. De vrouw gaf aan dat deze in Italië lagen. [verdachte] gaf aan dat deze misschien op het adres in [plaats 2] lagen.
5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 16 april 2021, opgenomen op pagina 130 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant:
Op donderdag 15 april 2021 te 13:00 uur is onder verdachte [medeverdachte] een mobiele telefoon in beslag genomen. Daarop is het volgende aangetroffen.
Een WhatsAppgesprek tussen [medeverdachte] en [verdachte] (het hof begrijpt: verdachte)
- 01-04-2021 te 08:22 uur stuurde [verdachte] :
salamu aleikum, hoe is het [medeverdachte] broer, alsjeblieft bel mij, ik heb belangrijke vragen aan u. Mijn bekenden die vanuit Pakistan zouden komen, zijn aangekomen. Ik heb een paar vragen over procedure.
- 02-04-2021 te 12:23 stuurde [verdachte] : Kom op [medeverdachte] stuur me de adressen.
- 02-04-2021 te 13:13 stuurde [medeverdachte] : [straat] [plaats 2] .
- 14-04-2021 te 18:16 uur stuurde [verdachte] een spraakbericht: [medeverdachte] , over 1 minuut komen wij aan. Kom naar buiten.
- 14-04-2021 te 08:40 uur stuurde [verdachte] : Foto's van voor en achterzijde een Pakistaans identiteitsbewijs van [persoon 1] .
Een WhatsAppgesprek tussen [medeverdachte] en [persoon 5] [plaats 1]
- 10:37 A salamu aleikum, broer wij komen aan bij u voor 12 uur. Als ik er ben, stuur ik jou een bericht, dan komt u naar buiten.
- 11:59 Broer, wij komen 5 minuten later.
- 12:00 Politie is aan het controleren.
Tevens trof ik een WhatsApp-groep aan genaamd: “Newcomers in NL”.
6. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 5 mei 2021, opgenomen op pagina 133 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant:
Op donderdag 15 april 2021 te 13:00 uur is onder verdachte [verdachte] , een mobiele telefoon in beslag genomen.
Daarop zijn de volgende WhatsAppgesprekken aangetroffen:
Tussen [verdachte] en [persoon 1] (het hof begrijpt: [persoon 1] )
d.d. 24 januari 2021, om 10:21 uur:
- [persoon 1] : Hallo, gisteren had ik [persoon 6] gevraagd naar huis. Ik heb afgesproken tot Italië en van daar naar Nederland.
- [verdachte] : Prima
d.d. 25 januari 2021, om 12:09 uur:
- [persoon 1] : Hallo, wij zijn onderweg naar Islamabad. De opdracht is begonnen.
d.d. 8 april 2021, om 18:43 uur:
- [persoon 1] : Spraakbericht:
Ik ben gebeld door [persoon 7] . [persoon 7] zei dat de situatie voor asielzoekers hier heel goed is. Veel mensen hebben dubbele vingerafdrukken (het hof begrijpt dat hiermee Dublin claim wordt bedoeld). De asiel omstandigheden voor [X] zijn heel goed op dit moment. [persoon 7] heeft verteld dat ze mij een contactpersoon zal sturen welke meer informatie heeft. [persoon 7] zei dat [persoon 8] vanuit Duitsland ook asiel in Nederland heeft aangevraagd en dit binnen 6 maanden heeft gekregen. Volgens [persoon 7] moet ik het ook gewoon proberen en dat het hopelijk voor mij ook goed komt.
- [persoon 1] : Deelt een contact: [persoon 4] [telefoonnummer 1] (19:27 uur)
d.d. 12 april 2021, om 09:16 uur:
- [persoon 1] : Deelt een WhatsApp Business account: [persoon 6] [telefoonnummer 2] Only contact for legal work visa study via Marriage cases. [e-mailadres] (zie bijlage).
Voeg deze toe. [persoon 6] heeft gezegd dat dit zijn nummer is.
d.d. 13 april 2021, om 23:52 uur:
- [persoon 1] stuurt 4 documenten
2e document: Birth Registration Certificate
Naam: [persoon 3] , Geboortedatum: [geboortedag 5] -2015, Geboorteplaats: [geboorteplaats 4] , Geslacht: Vrouw
3e document: Birth Registration Certificate
Naam: [persoon 9] , Geboortedatum: [geboortedag 4] -2011, Geboorteplaats: [geboorteplaats 4] , Geslacht: Man
Een WhatsAppgesprek tussen [verdachte] en [persoon 10]
: stuurt een foto van de voor- en achterzijde van een Pakistaans ID-bewijs (20:39 uur)
ID bewijs op naam van: Naam: [persoon 1] (..)
d.d. 15 april 2021, om 00:22 uur:
[persoon 10] : stuurt een contact [persoon 11] , [telefoonnummer 3]
7. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 7 mei 2021, opgenomen op pagina 156 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant:
Op donderdag 15 april 2021 te 13:00 uur is onder verdachte [verdachte] een mobiele telefoon in beslag genomen.
Daarop is het volgende WhatsAppgesprek tussen [verdachte] en [persoon 2] aangetroffen:
d.d. 28 mei (het hof leest: maart) 2021, vanaf 11:00 uur:
- [verdachte] (audio bericht): [persoon 2] ik wilde vragen over de aankomst van morgen. Ik heb gecheckt Milaan luchthaven is makkelijker.
- [verdachte] : Rome is veel verder rijden en je moet veel rijden. Informeer me als ze komen op Milaan dan kan via Zwitserland Duitsland naar Nederland en het is veel makkelijker.
- [persoon 2] (audio bericht): Ik probeer of het naar Milaan kan.
d.d. 29 mei 2021 (het hof leest: maart), vanaf 18:39 uur:
- [persoon 2] : Kopie van een ID of paspoort is verstuurd, waarin het volgende adres te zien is: [adres 2]
- [verdachte] (audio bericht): Als de programma kan doorgaan doe dan ik ben ook klaar voor en doe wat ik kan doen.
8. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 7 mei 2021, opgenomen op pagina 163 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant:
Controle van de passagiers/gesmokkelden wees uit dat het de volgende personen betreft:
1. [persoon 1]
2. [persoon 2]
3. [persoon 3]
Op 4 mei 2021 hebben de drie gesmokkelden asiel in Duitsland aangevraagd.
9. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 15 april 2021, opgenomen op pagina 89 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [persoon 1] :
V: Wat zijn de namen, geboortedatum en geboorteplaats van uw kinderen?
A: Jongetje: [persoon 2] . [geboortedag 4] -2011
Meisje: [persoon 3] . [geboortedag 5] -2015
V: Wat is de naam van uw partner en de vader van uw kinderen?
A: [persoon 12] .
V: Welke nationaliteiten bezit u?
A: Pakistaanse.
V: Ook de kinderen?
A: Ja.
V: Wie is uw broer, wat kunt u over hem vertellen?
A: [verdachte] . Hij woont in [adres 1] .
V: Wanneer bent u naar Duitsland gegaan?
A: 2 dagen na de 31e.
V: Met welke auto bent u naar Nederland gereisd?
A: Met dezelfde die hier bij jullie is.
V: Wanneer kwam u aan in Nederland?
A: Gisteren, 14 april.
V: Waar kwam u aan in Nederland?
A: Bij de broer van mijn schoonzus (het hof begrijpt: [medeverdachte] ).
10. Een proces-verbaal van verhoor van [persoon 1] bij de raadsheer-commissaris op 18 april 2025
Ik heb asiel aangevraagd in Italië toen ik Duitsland was uitgezet.
11. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 17 april 2021, opgenomen op pagina 102 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [persoon 13] :
V: Ken je [verdachte] , [medeverdachte] ?
A: Ja die ken ik wel.
A: 2 dagen geleden heeft hij mij gebeld. Hij zei, ik kom naar [plaats 1] . Daar ontmoeten wij elkaar. Hier bij de poort.
Bewijsoverwegingen
Het hof leidt uit de bewijsmiddelen af dat [persoon 1] en haar kinderen op 15 april 2021 onderweg waren naar [plaats 1] met het doel om daar asiel aan te vragen. De verklaring die verdachte aanvankelijk bij de politie heeft afgelegd, namelijk dat ze die dag zonder plan een stukje aan het rijden waren, is niet geloofwaardig. Ook de aanvankelijke verklaring van [persoon 1] dat ze wat aan het rondrijden waren en als toerist wilden rondkijken, is niet geloofwaardig. De later afgelegde verklaringen van verdachte en zijn zus dat ze slechts de mogelijkheden voor een asielaanvraag aan het inventariseren waren en daarom op weg waren naar [plaats 1] , acht het hof evenmin geloofwaardig.
Uit de bewijsmiddelen volgt dat het doel van de reis van [persoon 1] en haar kinderen naar Nederland, was om in Nederland asiel aan te vragen. Op 14 april 2021 arriveerden verdachte, [persoon 1] en haar kinderen bij de zwager van verdachte in [plaats 2] en de dag erna reden ze al naar [plaats 1] . Achterin de auto bevond zich een grote volle koffer, dekens en een kinderstoel. Retourtickets naar Pakistan konden niet worden getoond. Reeds in januari 2021 besprak [persoon 1] met verdachte dat zij via Italië naar Nederland zou reizen. Op 1 april 2021 stuurde verdachte een bericht naar zijn zwager in Nederland inhoudende dat zijn bekenden uit Pakistan zijn aangekomen en dat hij vragen heeft over de procedure. [persoon 1] stuurde op 8 april 2021 een spraakbericht naar verdachte met onder meer de volgende tekst:
[persoon 7] zei dat [persoon 8] vanuit Duitsland ook asiel in Nederland heeft aangevraagd en dit binnen 6 maanden heeft gekregen. Volgens [persoon 7] moet ik het ook gewoon proberen en dat het hopelijk voor mij ook goed komt.Niet lang nadat verdachte en zijn zwager in Nederland waren aangehouden in verband met het vermoeden van mensensmokkel heeft [persoon 1] in Duitsland asiel is aangevraagd. Zij is Duitsland uitgezet waarna zij asiel in Italië heeft aangevraagd.
[persoon 1] en haar kinderen zijn niet naar Nederland gereisd om als toeristen daar te verblijven, maar met het doel om asiel aan te vragen. Zij hielden zich dus niet aan de voorwaarden van hun visa en hadden dus geen recht om naar Nederland te reizen en daar te zijn.
Verdachte heeft informatie ingewonnen over de asielprocedure. Er zijn aanwijzingen dat verdachte wist dat zijn zus en haar kinderen niet rechtmatig in Nederland waren gelet op zijn eerste (ongeloofwaardige) verklaring bij de politie. Voor zover verdachte het niet wist, is dat een gevolg van de omstandigheid dat hij onvoldoende heeft onderzocht of hij zijn zus en haar kinderen naar Nederland mocht brengen, terwijl hij dit onderzoek wel had moeten doen gelet op het feit dat hij zijn zus en haar kinderen over de Nederlandse grens heeft vervoerd en de volgende dag met hen naar [plaats 1] is gereden. Verdachte speelde een rol bij de voorbereiding van de reis. Bovendien kende hij de nationaliteit van zijn zus en haar kinderen en is het een feit van algemene bekendheid dat mensen uit Pakistan aan bepaalde voorwaarden moeten voldoen om door de EU te reizen.
Conclusie
Gelet op het voorgaande – in onderling verband en samenhang bezien – acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan mensensmokkel van [persoon 1] , [persoon 2] en [persoon 3] . Het hof acht niet bewezen dat medeverdachte [medeverdachte] een zodanige substantiële rol heeft gespeeld bij het behulpzaam zijn bij het zich verschaffen van toegang tot of doorreis door Nederland, dan wel bij het verstrekken (met het oog op die toegang en/of doorreis) van gelegenheid, middelen of inlichtingen, dat van (mede)plegen kan worden gesproken. Verdachte wordt daarom vrijgesproken van het tenlastegelegde medeplegen.

Bewezenverklaring

Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten:
hij in de periode van 14 april 2021 tot en met 15 april 2021 in Nederland en Duitsland, anderen, te weten [persoon 1] , [persoon 2] en [persoon 3] , behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van toegang tot of doorreis door Nederland, door bovengenoemde personen te vervoeren in een personenauto, van het merk Volkswagen, type Touran en voorzien van het Duitse kenteken [kenteken] , van Duitsland naar Nederland en over de grens te brengen en naar [plaats 1] te brengen en af te leveren in de nabijheid van het aldaar gevestigde AZC, terwijl hij, verdachte, ernstige redenen had te vermoeden dat die toegang of die doorreis wederrechtelijk was.
Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar.
Het bewezenverklaarde levert op:

mensensmokkel, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is.

Oplegging van straf

Bij het bepalen van de straf houdt het hof rekening met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mensensmokkel. Hij heeft zijn zus en haar twee kinderen vanuit Duitsland naar [plaats 1] vervoerd zodat zij daar asiel konden aanvragen. Mensensmokkel maakt een ernstige inbreuk op de internationale rechtsorde en doorkruist het beleid van de overheid om illegaal verblijf in en illegale toegang tot Nederland en andere Europese landen te bestrijden.
Het hof heeft bij de strafoplegging ook gekeken naar het strafblad van verdachte van 4 november 2025. Daaruit blijkt dat verdachte in Nederland niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten.
Het hof heeft verder acht geslagen op de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Verdachte heeft op de zitting van het hof verklaard dat hij een vaste baan heeft en kostwinner is van zijn gezin.
De landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht gaan in geval van mensensmokkel uit van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie maanden per gesmokkeld persoon. In de onderhavige zaak komt dat bij drie gesmokkelde personen neer op een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van negen maanden. Het hof ziet echter in de onderhavige zaak aanleiding om hiervan af te wijken.
Gelet op de persoonlijke omstandigheden van verdachte, het blanco strafblad en de omstandigheid dat de personen die verdachte over de grens heeft gesmokkeld, familie van verdachte zijn, ziet het hof aanleiding om in plaats van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf, een taakstraf op te leggen. Anders dan door de advocaat-generaal is gevorderd en door de raadsman is verzocht, zal het hof geen voorwaardelijke (gevangenis)straf aan verdachte opleggen. Op de zitting bij het hof heeft verdachte laten zien dat hij zich bewust is van het kwalijke van zijn handelen. Gelet hierop acht het hof de kans klein dat verdachte zich nogmaals schuldig zal maken aan mensensmokkel.
Alles afwegende acht het hof in beginsel de oplegging van een taakstraf van 100 uren, te vervangen door 50 dagen hechtenis, met aftrek van het voorarrest, passend en geboden.
Het hof stelt vast dat de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM, in eerste aanleg en in hoger beroep is overschreden. Als uitgangspunt heeft in deze zaak te gelden dat de behandeling op zitting moet zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de redelijke termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. Die termijn vangt aan op het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het Openbaar Ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. Het hof is van oordeel dat de redelijke termijn in deze zaak op 15 april 2021 is aangevangen. Verdachte is op deze datum in verzekering gesteld. De rechtbank heeft op 31 juli 2023 vonnis gewezen. Tussen het moment van inverzekeringstelling en het wijzen van het eindvonnis zijn twee jaren en drie maanden verstreken. De redelijke termijn is hiermee overschreden met drie maanden.
Verdachte heeft vervolgens op 31 juli 2023 hoger beroep ingesteld. Tussen het moment van het instellen van hoger beroep op 31 juli 2023 en de uitspraak in hoger beroep op 19 december 2025 zijn twee jaren en vier maanden verstreken. Dit leidt tot een overschrijding van de redelijke termijn van vier maanden.
Nu het hof de oplegging van een taakstraf van 100 uren in beginsel passend acht, volstaat het hof met de constatering dat een inbreuk is gemaakt op artikel 6, eerste lid, van het EVRM.
Gelet op het vormverzuim in het voorbereidingsonderzoek ten aanzien van het onderzoek aan de telefoon van verdachte, ziet het hof aanleiding om de straf te matigen. Alles afwegende acht het hof een taakstraf van 80 uren, te vervangen door 40 dagen hechtenis, met aftrek van het voorarrest, passend en geboden.

Beslag

Het hof is met de advocaat-generaal en de raadsman van oordeel dat het inbeslaggenomen geldbedrag moet worden teruggegeven aan verdachte nu het belang van strafvordering zich daartegen niet verzet.

Wetsartikelen

De straf is gebaseerd op de artikelen 9, 22c, 22d, 57 en 197a van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
taakstrafvoor de duur van
80 (tachtig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
40 (veertig) dagen hechtenis.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Gelast de
teruggaveaan de verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:
1000 EUR (Omschrijving: PL2 700-21-025341-4);
100 EUR (Omschrijving: PL2700-21-025341-5);
20 EUR (Omschrijving: PL2 700-21-025341-6);
40 EUR (Omschrijving: PL2 700-21-025341-7);
8 EUR (Omschrijving: PL2 700-21-025341-8);
1. EUR (Omschrijving: PL2 700-21-025341-9);
1. EUR (Omschrijving: PL2700-21-025341-10);
0,2 EUR (Omschrijving: PL2700-21-025341-11);
0,2 EUR (Omschrijving: PL2700-21-025341-12);
0,05 EUR (Omschrijving: PL2700-21-025341-13);
0,1 EUR (Omschrijving: PL2700-21-025341-14);
0,01 EUR (Omschrijving: PL2700-21-025341-15);
1. EUR(Omschrijving: PL2700-21-025341-16).
Dit arrest is gewezen door mr. M.C. Fuhler, mr. J.D. den Hartog en mr. M.L. Plas, in aanwezigheid van de griffier mr. N.E. Renders en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 19 december 2025.

Voetnoten

2.HvJ EU 4 oktober 2024, zaak C-548/21, ECLI:EU:C:2024:830.
3.HR 18 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:409, r.o. 5.2.1.
4.HR 18 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:409, r.o. 5.2.4 en 5.2.8.
5.HR 30 maart 2004, LJN AM2533, NJ 2004/376.
6.HR 7 juli 2009, LJN BH8889, NJ 2009/399.
7.HR 5 oktober 2010, LJN BL5629, NJ 2011/169.
8.Rechtbank Oost-Brabant 13 juli 2021, ECLI:NL:RBOBR:2021:3737.